Gaande weg, bw. -- Langzamerhand. G-- W-- afhouden. (Zie Afhouden.)

Gaandery, z. n. v. -- Zie Westergang.

Gaarboord, z. n. o. -- De naaste plank aan de kiel, met het aanzetten

waarvan men een aanvang maakt by den bouw van het boord, zoodat men

de deelen als 't ware samen gaêrt.

Gaard, -- Zie Geerd.

Gaffel, z. n. m. -- Spriet, aan welken, op boeiers en smakken, het

smakzeil wordt vastgemaakt. Op de grootere schepen is het de spriet,

die met een klaauw door de kraallijn aan den bezaansmast vast is,

en waaraan het bezaanzeil is uitgehaald en opgeheschen wordt. Het

draagt den naam van G--, omdat het aan het eene einde in een G--,

vork of klaauw, uitloopt, waarmede het om den mast sluit.

Gaffelval, -- Talie, waarmede de Gaffel geheschen wordt.

Gaffelzeil, -- De langsscheepsche zeilen, aan Gaffels geheschen heeten,

G--en: zoo zijn b. v. de bezaan-, de bark- en schooner zeilen, G--en.

Galeas, z. n. m. -- Groot Venetiaansch vaartuig, dat met behulp van

zeilen en riemen bestuurd werd.

Veneedje, laat uw Galeassen

Tot roem en eer, eeuw uit eeuw in,

De Turxsche heêrschappy verrassen.

Antonides, Zeetriomf.

Galei, z. n. v. -- Lang, smal vaartuig, op de Middellandsche zee

in gebruik, zeilende met latijnzeilen, of wel door G-- slaven

of boeven geroeid. Lichte G-- (die naar den antieken vorm met

een scherpen voorsteven gebouwd is: Bastert- of gewone G--) die

van middelbare grootte is: HoofdG-- (de voornaamste G-- van een

Vorstendom). PatroonG-- (de tweede G-- van Frankrijk, Toskane en

Maltha en de derde G-- van die Zeestaten, welke nog bovendien een

Koninklijke en HoofdG-- bezitten. Koninklijke G-- (de voornaamste G--

van een onafhankelijke Mogendheid en de voornaamste G-- van den Paus.

Doorluchte Waterkoningin

Venetië, die uw Galeien

Tot roem en eer eeu uit eeu in

Haer vlugge wieken uit laet spreien.

Antonides, Ystroom.

Galeiroeiers, z. n. m. mv. -- Roeiers eener Galei, gewoonlijk slaven.

Galoëtte, z. n. v. -- Klein Malabaarsch vaartuig.

Galeiwolf, z. n. m. -- Zie Aletta.

Galery, z. n. v. -- Buitenbetimmering tegen de achtereinden der zijden

van het schip gemaakt en een afgesloten ruimte vormende. De G--en

dienen tot het bevatten van gemakken en tot cieraad van den spiegel,

dien zy verbreeden. By linieschepen heeft men soms twee G--en boven

elkander, by gewone schepen maar eene of geene.

Galg z. n. v. -- Houten stellingen, voor en achter in de kuil staande,

en dienende om waarlooze rondhouten op te bergen.

Galjas, z. n. m. -- Zie Galeas.

Galjoen, z. n. o. -- 1o. Naam, aan een soort van vrachtschepen

gegeven, die in den handel van Spanje op de West-Indiën en andere

volksplantingen gebezigd worden.

2o. Stelling met roosterwerk, geplaatst tusschen het voorschip en

het bovenste gedeelte van de scheg, en met leuningen voorzien.

3o. Oude benaming van de snuit of de snebbe der fregatten, pinassen

en andere zware schepen; het plach onder de straffen, op de schepen

gebruikelijk, te behooren, dat iemand op water en brood in 't G--

werd gesloten.

4o. Geheim gemak voor de matrozen.

Galjoot, z. n. v. -- Soort van vrachtschip van de grootte van een

hoeker. Barbarijsche G--: kleine galei, op de Barbarijsche kust in

gebruik. BombardeerG--, stevig gebouwd vaartuig, van een of twee

mortieren voorzien en zonder fokkemast, ten einde den boeg tot

bombardeeren vrij te houden.

Gallen, z. n. v. mv. -- Kleine holten, welke men somtijds in de

vuurmonden en in de kogels aantreft, en die, wanneer zy een bepaalde

maat te boven gaan, tot afkeuring daarvan leiden kunnen.

Gang, z. n. v. of Vaart. -- Snelheid, waarmede een schip kan vooruit

komen in evenredigheid met de kracht van den wind en de uitgezette

zeilen. Zoo zegt men: een goede G-- hebben, weinig G-- maken (goed,

weinig vooruitkomen).

Gang, z. n. v. of Slag. -- De weg dien een schip aflegt over denzelfden

kant, wanneer het laveert. Verscheiden G--en doen. Nog een G--etjen

en wy zijn er. G-- of slag maken, enz.

Gang, z. n. m. 1o. -- Voortloopende beplanking langs het boord. De G--

en de buitenhuid.--Zie Brug, Zetg-- en Geschutg--.

2o. Plank, waarmede men uit- en in het schip gaat.

Gang (gebroken). Zie Vertuining.

Gangboord, z. n. o. of Gangwaring. -- Het boord, daar men op koffen,

smakken en andere kleine vaartuigen langs gaat. Zie Waring.

Zeemans-Woordeboek Behelzende een verklaring der woorden, by scheepvaart en den handel in gebruik en een opgave der algemeene wetsbepalingen daartoe · 第 29 / 74 题