Gaande houden, b. w. -- 1o. Op denzelfden boeg, als men tot nog toe
gezeild heeft, voortgaan.
2o. Aan wind of stroom een wederstand bieden, die met hun kracht gelijk
staat: Wy Hielden het beter tegen den stroom Gaande dan de Adraste.
3o. Gelijk, even hard zeilen. Wy Hielden het met alle schepen van
ons eskader Gaande, onder onze beide marszeilen.
4o. Niet van plaats veranderen, b. v. om een schip in te wachten.
Spreekwijze, 't G-- H--: het zooveel mogelijk uithouden.
Gaande raken; gaande zijn, o. w. -- Wordt van een schip gezegd,
als zijn anker aan 't glijden raakt. Ook van de goederen, die in een
storm komen overhoop te rollen, als b. v. De ballast Raakt Gaande.