G.

Gaande houden, b. w. -- 1o. Op denzelfden boeg, als men tot nog toe

gezeild heeft, voortgaan.

2o. Aan wind of stroom een wederstand bieden, die met hun kracht gelijk

staat: Wy Hielden het beter tegen den stroom Gaande dan de Adraste.

3o. Gelijk, even hard zeilen. Wy Hielden het met alle schepen van

ons eskader Gaande, onder onze beide marszeilen.

4o. Niet van plaats veranderen, b. v. om een schip in te wachten.

Spreekwijze, 't G-- H--: het zooveel mogelijk uithouden.

Gaande raken; gaande zijn, o. w. -- Wordt van een schip gezegd,

als zijn anker aan 't glijden raakt. Ook van de goederen, die in een

storm komen overhoop te rollen, als b. v. De ballast Raakt Gaande.

Zeemans-Woordeboek Behelzende een verklaring der woorden, by scheepvaart en den handel in gebruik en een opgave der algemeene wetsbepalingen daartoe · 第 28 / 74 题