"O, ganzendief! ganzendief!" werd in het dorp geroepen. "Ganzendief!
ganzendief!" weerklonk het in de verte. Waar men liep of stond, ieder
oogenblik hoorde men de jeugd die leelijke woorden herhalen. Het gold
een kleinen, armen knaap, die er niet ouder uitzag dan tien of elf
jaren, maar die reeds dertien jaren achter den rug had.
Het is een bizondere liefhebberij, hoofdzakelijk voor de jeugd op het
platte land, om haar gelijken, en voornamelijk het arme deel der
gemeente, te bespotten en bijnamen te geven, te meer, wanneer eenig
lichaamsgebrek hiertoe aanleiding geeft.
Men deed echter een groot onrecht met Balthasar Teppel, want dien gold
het scheldwoord, "ganzendief" te noemen. Men had hem liever den naam
van ganzenvriend moeten geven.
Ieder mensch moet op aarde iets hebben waarmede hij ingenomen is, en
Balthasar bezat op aarde niets dan twee kleine jonge ganzen, die nog
niet eens vederen, maar goudgeele haren bezaten. Hij had noch vader noch
moeder, noch broeders, noch zusters, zelfs geen naaste bloedverwant--hij
was een verlaten wees. Hij bezat niets dan het vertrouwen op God en de
twee jonge ganzen, die hij van den watermolenaar gekregen had. Balthasar
wist niet dat ganzen eenmaal het Kapitool van Rome gered hadden, evenmin
wist hij hoe lekker een boterham, met ganzenlever besmeerd, smaakte.
Niettegenstaande dat, hield hij veel van de ganzen en benijdde hen
dikwerf, omdat zij volstrekt geen last van de bittere kou hadden, en
zelfs, al liepen zij in den regen, niet nat werden, daar zij het water
van hun vederen afschudden. Ook van koud noch van warm weder hadden zij
eenige last. Hij hoorde veel liever het geschater van een gans dan het
kakelen van een haan of het koeren van een duif, of het blaffen van een
hond. Zoo heeft ieder zijn smaak.
Op zekeren dag had een dozijn jonge ganzen, die eenige dagen
geleden uit den dop gekropen waren, zich van de moederlijke zorg
onttrokken en in de nabij zijnde molenvliet begeven, waar zij, door den
stroom voortgedreven, hunne zwakke zwemvliezen nauwelijks behoefden
te gebruiken. Zoo naderden zij, dicht aaneengesloten, het snel
ronddraaiende rad van den watermolen, dat, als het hun in zijn vaart
medesleurde, allen in één oogwenk uit het water zoude opbeuren en
tusschen de kamraderen vermorselen. Nog één oogenblik en het zou met het
leven der jeugdige waaghalzen gedaan zijn, doch juist op dit oogenblik
naderde hun redder de plaats des onheils. Balthasar, die het ongeluk zag
aankomen, snelde, zonder aan eigen levensgevaar te denken, te hulp. De
moedige knaap sprong op een balk, die dwars in het water over een beek
lag, plaatste zich daarop in liggende houding en zwaaide met handen en
voeten. De ganzen, hierdoor verschrikt, vlogen links en rechts en
trachtten hun verschrikker te ontvlieden.
De molenaar en zijn vrouw kwamen op het geschreeuw van Balthasar buiten,
en, het gevaar ziende, brachten zij eerst hunne ganzen in veiligheid,
en hielpen daarna Balthasar uit zijn benauwden toestand, aan wie twee
der geredde gansjes als loon voor zijn edelmoedigheid ten geschenke
gegeven werd.
Er is voor hem, die niet veel gewoon is, weinig noodig om zich gelukkig
te gevoelen. Menig vorst is niet zoo gelukkig met het overwinnen van
twee koningrijken als onze Balthasar was met zijn twee ganzen. Hij
vergat zijn toestand en voelde niet eens dat zijn armen en beenen nat
waren, veel minder hinderde hem de koude, ofschoon hij liep te sidderen.
Hij hield de ganzen in beide handen en drukte ze tegen zijn borst.
Opgeruimd van vreugde vervolgde hij zijn weg en zocht de eenzaamheid op,
om daar zijn schatten goed te kunnen bekijken en de jeugdige vogeltjes
in het gras te laten loopen. Even als een goede huismoeder, die alle
zorgen aan haar lievelingen besteed, zoo ook was Balthasar, of liever
Balzer, want zoo werd hij algemeen genoemd, vol zorg voor zijn
lievelingen, en voorzag ze van goed voedsel en drinken.
Balzer woonde, even als andere arme weezen, in het dorpsarmhuis; hij had
op den zolder een klein kamertje, dat hij zijn eigendom kon noemen; dat
vertrek had de eigenschap van in den winter verschrikkelijk koud en in
den zomer brandend heet te zijn; dit hinderde hem echter volstrekt niet.
Van jongs af aan ontbeeringen gewend, was hij niet beter gewoon. Balzer
maakte in een hoek van het dakkamertje een stal voor zijn lievelingen.
Des morgens werd hij door hun gesnater gewekt, en dan was zijn eerste
bezigheid hen te voederen. Hij deelde met hen zijn grof roggebrood,
ofschoon de portie, die hij dagelijks van het armenhuis kreeg, niet
groot was.
Het ging echter in het armenhuis, waar Balzer verpleegd werd, juist
zooals het overal gaat: men duldde niet dat iemand, die door de gemeente
onderhouden werd, iets voor zijn liefhebberij er op nahield, en zoo werd
het Balzer ook verboden twee ganzen te onderhouden. De goede jongen kon
echter niet scheiden van de beesten, die hij innig lief gekregen had.
Door het dorp, waar onze Balzer woonde, stroomde een tamelijk breed
water, dat in de naaste rivier uitliep. Het was dus natuurlijk, dat de
bewoners van Dortingen, zoo heette het dorp, daarin hunne ganzen lieten
zwemmen; het kweeken van deze vogels verschafte aan menigeen een groot
deel van hun bestaan.
Nu wilde het toeval dat de persoon, die door het dorpsbestuur aangesteld
was om toezicht over de ganzen te houden, een betere betrekking kon
krijgen, en alzoo voor den post van ganzenbewaker bedankte.
De molenaarsvrouw, die de edelmoedige daad van Balzer nog niet vergeten
was, sprak met de invloedrijke personen van het dorp en maakte dat
Balzer benoemd werd tot waker over de ganzen.
Hierdoor raakte het gemeentebestuur uit het armenhuis een wees kwijt,
want nu kon Balzer zijn eigen brood verdienen. Het gemeentebestuur
ondersteunde gaarne deze zaak, daar het in zijn voordeel was, en tevens
maakte het Balzer meer dan gelukkig.
Nu was er niemand die hem beletten kon, om zijn twee ganzen tegelijk met
de anderen, zoowel in het water als op de weide te verzorgen.
Hij bond, om alle verwarring te voorkomen, om de nekken en linker
pooten van zijn ganzen een rood bandje. Deze voorzorgsmaatregel, door
Balzer genomen, was zeer verstandig en bleek spoedig niet overbodig te
zijn geweest.
Nu had de knaap gelegenheid en tijd om de natuur, de levenswijs, den
aard, de ziekten en kwalen der ganzen te leeren kennen, alsook om te
bestudeeren welk voedsel goed of schadelijk voor hen was. Hij was geen
luie, gedachtelooze ganzenhoeder; den geheelen dag hield hij zich met de
vogels, die aan zijn zorg toevertrouwd waren, bezig, en zeer terecht
verwierf hij spoedig algemeen den bijnaam van Ganzenvriend. De vogels
betoonden zich dankbaar voor de liefderijke zorg en verpleging, die
dagelijks aan hen besteed werd; zij volgden Balzer waar hij ging en
bleven altijd in zijn onmiddelijke nabijheid.
Toen de ganzen van Balzer volwassen waren en er gezond en prachtig
uitzagen, trachtte een boosaardige dorpsjongen hem zijn eigendom
afhandig te maken. Met dit doel had hij de roode bandjes van de halzen
losgemaakt en deze om de halzen gebonden van twee magere ganzen, die hem
toebehoorden en die hij aldus wilde laten doorgaan voor ganzen van
Balzer.
Deze, die door zijn dagelijkschen omgang met de vogels, allen aan hun
vederen kende, bemerkte spoedig het bedrog; hij riep de ganzen die hem
toebehoorden; deze naderden hem en hadden de lintjes nog om de pooten;
hierop had de dief niet gelet en daardoor kwam het bedrog spoedig uit.
Een wreed gevaar bedreigde op nieuw de ganzen van Balzer, en ditmaal was
het veel erger.
Onzen ganzenhoeder had dit gemeen met alle jongens van zijn jaren, dat
hij des nachts zeer vast sliep, en dat zelfs het gebulder van een
kanonschot niet in staat was hem wakker te maken.
Maar, even als een zorgvuldige moeder terstond ontwaakt als haar
jeugdige lieveling schreeuwt of als het iets overkomt, zoo ook was het
met Balzer; er kon des nachts niets met de ganzen gebeuren of hij
ontwaakte; het minste vreemde geluid of de minste onrust onder hen deden
hem terstond ontwaken en in de duisternis van zijn legerstede opstaan.
Spoedig begaf hij zich dan bij de vogels, verzorgde hen en wist
menigmaal door spoedige hulp groote ongelukken te voorkomen.
Op zekeren nacht vernam hij, nadat hij eenigen tijd geslapen had, een
onrustige beweging onder zijn kudde; het bed uit te springen was voor
hem het werk van een seconde; hij greep in het duister rond, en kwam
spoedig tot de ervaring dat er een dief in den stal was; het gelukte
hem een vrouw bij de kleeren te pakken, en, wat hij eenmaal vast had,
liet hij niet gemakkelijk los. Er ontstond tusschen hem en de diefegge
een vreeselijke worsteling; de vrouw sprak geen woord, maar deed alle
mogelijke moeite om zich uit de handen van Balzer te bevrijden.
Eindelijk gelukte het haar; de rok, waaraan Balzer haar vast hield,
scheurde; zij ontvluchtte en de ganzenhoeder bleef met een lap in de
handen staan.
Balzer, die gedurende de worsteling om hulp geroepen had, werd spoedig
door de buren bijgestaan; zelfs de nachtwacht kwam op het hulpgeschreeuw
toeloopen, en had het geluk de diefegge te grijpen, juist op het
oogenblik dat zij den stal wilde ontvluchten; de vrouw werd in arrest
gebracht en met veertien dagen gevangenis gestraft.
Het werd herfst, de lucht werd dagelijks bewolkt, het gras op de weide
groeide niet meer, en alzoo moest er een einde gemaakt worden aan het
ganzenhoeden.
De volwassen en vette ganzen gingen den weg op van het vleesch, dat wil
zeggen: zij werden gedeeltelijk levend, gedeeltelijk dood verkocht,
terwijl slechts een klein gedeelte voor de fokkerij behouden bleef.
Balzer moest ook van het geliefd tweetal scheiden; vooreerst omdat hij
in de eerste maanden buiten betrekking gesteld werd, en ten tweede omdat
er nu geen groen voedsel meer te vinden was.
Op een guren dag in de maand November toog Balzer met zijn twee ganzen
naar de stad Neurenberg, die twee uren van het dorp verwijderd lag. In
zijn zakken had hij een paar stukken roggebrood en de ganzen droeg hij
onder zijn armen. Al wat hij bezat droeg hij bij zich.
Terwijl de ganzen, die volstrekt geen begrip hadden van het treurige lot
dat hen te wachten stond, vroolijk heen en weder keken, was het hart
van hem die hen droeg, o zoo gedrukt. Hij moest van datgene wat hem het
liefst was voor altijd scheiden, en eenzaam den langen somberen winter
doorleven. Eerst liep hij langs den weg te weenen, doch eindelijk
bemoeide hij zich meer met zijn vogels en sprak hen op troostenden toon
toe; hij scheen behoefte te gevoelen hen nogmaals vriendelijk toe te
spreken, ofschoon hij zeer goed wist dat zij hem toch niet begrepen.
"Och," zuchtte hij eindelijk, "sterven moeten wij allen--allen zonder
onderscheid. Eerst heb ik mijn beste vader en vier weken daarna mijn
onvergetelijke moeder zien sterven! Oude menschen _moeten_ sterven, doch
somwijlen sterven jonge menschen ook. Niemand wil een oude gans koopen,
dus het lot van die arme beesten is, om jong te sterven, daarom moet ik
van u scheiden, want nu is uw vleesch nog jong en zacht. Het verdriet om
u te zien sterven, zal mij bespaard worden, en als ik veel geld voor u
weet te krijgen, dan zal ik in 't voorjaar in staat zijn weder eenige
jonge ganzen te koopen."
Zoo denkende en pratende, naderde Balzer eindelijk den Vrouwentoren te
Neurenberg. Hij liep de brug, die over de stadsgracht voerde, over, en
naderde de hoog gewelfde poort, die hij spoedig achter den rug had.
Eensklaps hoorde hij achter zich geweldig luid roepen: "Hé, knaap! Wilt
gij eensklaps uw ganzen zien verbeurd verklaard, of wilt gij eerst
marktgeld betalen?"
"Marktgeld!" antwoordde Balzer, die niets van deze woorden begreep en
den stadsportier, die tevens het ambt van commies vervulde,
verwonderlijk aanstaarde.
"Ja, marktgeld," antwoordde de commies, terwijl hij de open hand naar
hem uitstrekte. "Een kreutzer voor iedere gans."
"Ik heb geen geld," antwoordde Balzer met bevende stem.
"Maak dan maar spoedig dat gij weêr buiten de stad komt," hernam de
commies, "en gaat van waar gij gekomen zijt."
"Niet zoo driftig, mijnheer," antwoordde Balzer op smeekenden toon. "Ik
ben een arme wees, en bezit niets dan deze twee ganzen, die ik gaarne in
de stad zou willen verkoopen."
"Dat gaat mij allemaal niet aan," grauwde de man hem toe. "Al waart
gij de eigen zoon van den keizer, dan zoudt gij toch moeten betalen.
Daarvoor is Neurenberg een vrije rijksstad en stelt zich tevreden met
een onnoozelen kreutzer van iederen gulden die het landvolk hier in de
stad draagt."
"Ik wil u die twee kreutzers gaarne betalen," antwoordde Balzer, "als ik
weder de stad verlaat en mijn ganzen verkocht heb."
"Ja, dan moest ik wel een ezel zijn," hernam de commies op lachenden
toon, "als ik mij met zulke praatjes liet afschepen. Dus komaan, betaal
wat gij schuldig zijt, of..."
"Ik heb ze niet," antwoordde Balzer, "maar zijt gij tevreden als ik u
mijn buis als pand achterlaat?"
"Dat buis?" antwoordde de man, terwijl hij het kleedingstuk met een
verachtelijken blik aanzag. "Wel, het ziet er kakelbont genoeg uit;
allerlei lappen, het heeft wel iets van de landkaart van het Duitsche
rijk. Ik zal het wel laten om dat oude ding in mijn handen te nemen.
Voort, jongen, maak dat je weg komt."
Balzer stond bitter te weenen. Een fruithandelaar, die oor- en
ooggetuige geweest was van hetgeen er tusschen Balzer en den commies
had plaats gehad, riep den knaap bij zich in den winkel. "Hier hebt gij
twee kreutzer," zeide hij op deelnemenden toon tot den knaap. "Maar gij
moet mij uw buis tot pand achterlaten; er wordt tegenwoordig zooveel
bedrog gepleegd, dat men niemand meer kan vertrouwen, en ik kan de twee
kreutzer ook niet missen."
Balzer zette de twee ganzen op den grond, trok zijn buis uit en
overhandigde het onder dankbetuiging aan den fruithandelaar. Hij
betaalde de twee kreutzer aan den commies, die, zonder verder een woord
te spreken, weder op zijn stoeltje in de poort ging zitten. Daarna nam
Balzer de ganzen onder den arm en ging met een beklemd hart naar de
markt.
Veel nieuws was hier voor onzen jeugdigen koopman te zien. Niet ver van
een prachtige kerk verwijderd, zag hij een sierlijk bewerkte pomp, die
haar heldere waterstralen uit gebeeldhouwde koppen te voorschijn bracht.
Onze voorvaderen rekenden onder de heerlijkste voortbrengselen der
natuur het water als een reine stof, en bouwden daarom rijk versierde
gedenkzuilen, waaruit zij het volk van water voorzagen. Dit is de reden
dat men nog in vele oude steden zulke prachtige fonteinen en pompen op
de markten ziet.
Ofschoon Balzer geen kunstkenner was, voelde hij zich toch bizonder
aangetrokken tot dat gedenkstuk. Eerst liet hij zijn ganzen drinken,
laafde toen zich zelf en deelde daarna zijn brood met zijn twee
lievelingen. Toen zocht hij een plaats dicht bij de pomp op en bleef
daar staan met onder iederen arm een gans; zijn aandacht was onverdeeld
gevestigd op de heldere waterstralen der pomp en op de steeds
aangroeiende menigte op de markt.
Geruimen tijd stond Balzer op zijn plaats, steeds te wachten of er een
kooper voor zijn ganzen zou komen opdagen. Het scheen alsof niemand
eenige attentie had voor den ongeoefenden koopman, die zijn ganzen al
vaster en vaster tegen zich aandrukte om ze te verwarmen. Eindelijk liep
een welgekleede burgervrouw met een mand aan den arm op hem toe.
"Wat kost zoo'n gans?" vroeg zij, terwijl zij de vogels bevoelde.
"Vijf en twintig kreutzer!" antwoordde Balzer, terwijl hij alle moeite
deed om zijn waar aan te prijzen. De vrouw antwoordde niet, nam dan de
eene en dan de andere gans in de hand, woog en bevoelde ze, en zeide
eindelijk: "Ik houd niet van loven, dus kort en goed, ik geef u een
blanken gulden."
Zij haalde het groote geldstuk uit haar beugeltas en hield dat den knaap
voor de oogen.
"Doe er nog twee kreutzer bij," antwoordde hij met bevende stem, "die
zijn voor het marktgeld dat ik heb moeten betalen."
De vrouw keek met doordringende blikken den knaap aan en haalde nog twee
kreutzer uit haar tas. "Ziedaar," antwoordde zij, "maar dan moet gij de
ganzen te huis brengen, ik woon hier niet ver van daan."
"Dat wil ik gaarne doen," antwoordde Balzer.
Onder het loopen vroeg de vrouw, waarom hij in November zoo ligt gekleed
was. De knaap vertelde haar zijn wedervaren en tevens eenige van zijn
verdere lotgevallen. De vrouw had medelijden met den armen knaap en gaf
hem, toen zij te huis gekomen was, een buis, dat er veel beter uitzag
dan dat hetwelk hij verpand had. Daarna zette zij hem een kom warme
soep voor, die hem zoo lekker smaakte als hij ooit iets geproefd had.
Eindelijk kwam de heer des huizes uit zijn winkel, waar hij
verschillende koopwaren verkocht, in de kamer.
"Gij hebt ganzen gekocht, Barbaratje," zeide hij, "gij weet toch, dat er
zijn die slechte schachten in de vleugelen hebben." Dit zeggende, trok
hij een paar veeren uit de vleugelen en vergeleek deze met de veeren
pen, welke hij achter het oor had. "Ziet gij," vervolgde hij, terwijl
hij minachtend de schachten op den grond wierp, "zij zijn veel te zwak
en te week, ik heb veel liever bereide Hamburger pennen."
"Bereide?" vroeg Balzer verwonderd, "kan men ganzenpennen bereiden? Hoe
gaat dat?"
"Alles wordt bereid wil het goed bruikbaar worden," antwoordde de
koopman, "leder, hout, ja, mensch en dier, tot zelfs de geweren voor
de soldaten." Daarna vertelde hij den knaap, op welke wijze versche
ganzenvederen tot bruikbare schrijfpennen gemaakt worden. Toen hij van
Balzer vernam, dat deze het geld, dat hij voor de ganzen ontvangen had,
tot het voorjaar wilde bewaren om er dan weder jonge voor te koopen,
vond hij dit voornemen zeer goed. "Maar," zeide hij, "als ik in uw
plaats was, zou ik dat geld niet zoolang doelloos laten liggen, maar ik
kocht daarvoor eenige kleine koopwaren, voorwerpen, die het boerenvolk
altijd gebruiken kunnen en die zij altijd uit de stad moeten halen;
bijvoorbeeld: garen, band, naai- en breinaalden, leien en griffels,
vragenboeken en dergelijke zaken. Ik handel in die artikelen en wil ze u
voor billijken prijs verkoopen. Gij moet met een kleine winst tevreden
zijn, dan hebt gij kans, dat gij uw gulden, vóór den winter verstreken
is, tot drie of vier gulden vermeerderd ziet."
Dit voorstel stond Balzer Tippel bijzonder goed aan en hij nam het
voorstel gretig aan. Beladen met zijn nieuwe koopwaren, nam hij den
terugtocht aan; eerst loste hij zijn buis, dat hij verpand had, weder
in, en had de zelfvoldoening door den koopman een eerlijken jongen
genoemd te worden. In plaats van nu den geheelen dag in ledigheid
door te brengen, (scholen bestonden er toen op de dorpen nog niet,
ons voorval heeft plaats gehad in het jaar 1548) liep Balzer met
zijn koopwaar van het eene dorp naar het andere. Daar zijn waar
uit benoodigdheden bestond en niet te hoog in prijs waren, was hij
spoedig uitverkocht en moest hij op nieuw naar den koopman Wormser,
in Neurenberg, om nieuwe voorraad op te doen.
Balzer leefde zoo zuinig mogelijk, en daar hij in de wintermaanden nog
eenige ondersteuning uit de gemeentekas ontving, had hij bijna niets
van zijn verdiensten uit te geven. In dien tijd bestond er nog wat meer
gastvrijheid dan tegenwoordig, zoodat het menigmaal gebeurde, dat Balzer
bij een boer ten eten gevraagd werd of een nachtverblijf bekwam, zonder
dat hij er iets voor behoefde te betalen. Toen het voorjaar aangebroken
was, nam hij weder het ambt van ganzenhoeder bij de hand, en toen het
weder herfst was voerde Balzer vier paar vette ganzen, die onbezwaard
en zijn eigendom waren, naar de markt te Neurenberg. Zoo verliepen er
eenige jaren, waarin Balzer door vlijt, spaarzaamheid en overleg, zijn
inkomen zag vergrooten.
Eindelijk had hij zijn post van ganzenhoeder neergelegd en een
onbewoonde hut met den daaraan grenzenden tuin gehuurd, waarin hij
woonde en zijn koopwaar borg. Hij was nu niet meer de arme ganzenhoeder,
die bij de vogels in den stal sliep, maar een knappe, flinke jongeling,
die door rijken en armen gaarne werd ontmoet.
Op zekeren dag in de maand Augustus dreef Balzer Tippel een kudde vette
ganzen voor zich op den landweg, die naar Neurenberg leidde, uit. Onder
luid gesnater dreef hij een honderdtal vogels voort, terwijl zij, die
aan den buitenkant liepen, zich te goed deden aan het gras dat langs den
weg groeide.
Vier jonge heeren uit den deftigen stand reden op prachtige paarden de
poort van Neurenberg uit den troep tegemoet. Toen de voorste den troep
ganzen gewaar werd, gaf hij zijn paard de sporen, zoodat dit begon te
steigeren, waarna het in wilden draf door de ganzen heen reed.
Dit heldenstuk kostte aan drie ganzen het leven en aan eenige anderen
gebroken pooten of vleugels, terwijl zij, die ongedeerd bleven, angstig
heen en weder vlogen.
Toornig over deze behandeling, liep Balzer naar hem toe, die aanleiding
gegeven had tot dit ongeval, om hem zijn misdrijf onder het oog te
brengen en schadevergoeding te vragen.
In plaats van antwoord ontving hij een slag met de zweep over zijn
aangezicht, terwijl de ruiter hem toeriep: "Uit den weg, ganzenlummel!"
Terwijl Balzer bedremmeld en weenende van pijn daar stond, vervolgden de
ruiters, voldaan over hunnen wreedaard, in vliegenden galop hun weg.
Eindelijk verzamelde Balzer de doode en gewonde vogels, terwijl hij
de verstrooide weder tot rust trachtte te brengen; gelukkig voor hem
ondervond hij hierbij de hulp van een paar jongens, die ooggetuigen
geweest waren van het wreede schouwspel. Daarna ging hij naar een
fontein en verkoelde zijn aangezicht, dat brandend heet was van de
bekomen slagen.
Hierna begaf hij zich naar een stalhouder, waar hij zijn vogels in
verzekerde bewaring gaf en liep toen de stad in, om te weten te komen
waar de wreede ruiters te huis behoorden en hoe hunne namen waren. Om
hierin te slagen liep hij naar den fruithandelaar, die hem de twee
kreutzers geleend had en met wien hij na dien tijd altijd kennis
gehouden had.
"Vrouw Mertens," vroeg Balzer, nadat hij de vrouw vriendelijk goeden
morgen gewenscht had, "hebt gij hier ook vier ruiters voorbij zien
rijden?"
"Ja zeker," antwoordde zij, "het waren allen vier zonen van
groothandelaars uit de stad, jongens, die alles verzwelgen wat hunne
vaders verdiend hebben. De ergste van allen is de jonge Siebold, die nu
vier weken geleden zijn vader heeft helpen begraven. In plaats van de
voetsporen van zijn vader te volgen, mishandelt hij zijn onderhoorigen
en leidt een verkeerd leven; zijn moeder, die alle mogelijke zorg aan
zijn opvoeding heeft besteed, heeft niets over hem te zeggen en moet
zich naar zijn grillen schikken. Nu, het gevolg is dat hij niets doet
dan geld verteeren en uitgaan."
Nadat Balzer uitgelegd had hoe de wreedaard er uitzag en gekleed was,
moest dat Siebold geweest zijn. Balzer begaf zich naar diens woning.
Hier moest hij over balen en kisten springen om aan den ingang te
komen, die hem toegang tot een trap gaf, welke hem den weg naar de
keuken deed vinden, waarin zich twee meiden en een net gekleede
jongejuffrouw bevonden. Balzer was in bijna alle groote huizen bekend
als de ganzenhoeder; het was dus niets vreemds, dat de jongejuffrouw,
die een arme verre bloedverwant van het huis Siebold was, naar hem
toeliep met de woorden: "wij hebben heden niets noodig, want, zooals gij
ziet, wij zijn reeds voorzien."
Dit zeggende, wees de jongejuffrouw met haar vingers op een blank
geschuurden schotel, waarop vier prachtige vette ganzen gereed lagen om
te worden gebraden.
Voor een oogenblik vergat Balzer zijn leed; als een echte liefhebber
en met het oog van een kenner liep hij naar de ganzen; hij onderzocht
den ouderdom, de hoeveelheid vet, de dikte der lever, en kwam tot het
besluit, dat de laatste vogel het beste was. Nog zelden had hij zulke
mooie en prachtig schoongemaakte ganzen gezien.
"Hebt gij deze ganzen zelf gefokt en geslacht?" vroeg hij op
vriendelijken toon aan de jongejuffrouw.
"Wel zeker," antwoordde zij.
"Geslacht ook?" herhaalde Balzer.
"Ja," antwoordde het meisje, "het is geen prachtig werk om een gans den
hals om te draaien, maar ik doe het liever zelf, dan het aan anderen
over te laten, die de arme dieren somwijlen noodeloos martelen."
Eindelijk vertelde Balzer zijn wedervaren en toonde, als bewijs van
de waarheid, de striemen op zijn gezicht. Het meisje had hem met
belangstelling aangehoord; zuchtend antwoordde zij: "dat is een slechte
streek." Daarna keerde zij zich om en kwam spoedig terug met een potje
zalf. "Daar," zeide zij, "smeer uw wonden met deze zalf in, in dien tijd
zal ik naar mijn tante gaan, haar het gebeurde vertellen en
schadevergoeding voor u vragen."
Toen zij weg was, wilde Balzer weten wie deze jongejuffer was. De beide
dienstmeiden prezen haar zeer en verafschuwden den jongenheer.
"Mijn tante," luidde het antwoord van de jongejuffer, toen deze weder in
de keuken verscheen, "kan het verhaal, zooals gij het vertelt, nog niet
geheel gelooven; zij wil er eerst met den jongenheer over spreken, en
vraagt of gij na den middag zoudt willen terugkomen?"
Toen Balzer eenige uren later weder in de keuken verscheen, zag hij het
jonge meisje met de handen onder het hoofd aan een tafel zitten. Het
meisje schrikte geweldig, toen zij eenige oogenblikken later het hoofd
ophief en Balzer zag staan wachten. Met tranen in de oogen zag zij hem
aan en zeide: "Ganzenvriend, (onder een anderen naam was Balzer in
Neurenberg niet bekend) gij komt in vele huizen en bij vele familien,
weet gij niet een dienst voor mij? Ik zie niet tegen werken op, maar
nooit wil ik weer in een dienst zijn, waar een jongenheer in huis is.
Loon heb ik niet noodig."
"Op het oogenblik weet ik geen betrekking voor u," antwoordde Balzer,
"maar ik wil wel eens voor u uitkijken, misschien weet ik binnen eenige
dagen wel iets voor u."
"Hier is," vervolgde Marianne, terwijl zij den ganzenkoopman een zakje
met geld ter hand stelde, "het geld voor de ganzen, die gedood en
beschadigd zijn."
Na zich eenigen tijd bedacht te hebben, nam Balzer het geld aan. "Het
was mij," zeide hij, "minder om het geld te doen, dan wel, dat ik wilde
dat de jongeheer voor zijn baldadigheid gestraft werd. Mijn plan was,
hem voor het gerecht te laten komen, maar om u geen verder verdriet te
doen, zal ik het er nu bij laten."
Een week later verscheen Balzer weder in de keuken van mevrouw Siebold.
"Ik heb," zeide hij, na Marianne vriendelijk gegroet te hebben, "een
dienst voor u, maar zij is op het platteland, twee uren van hier."
"Dat is mij onverschillig," viel Marianne hem in de rede.
"Men biedt u twintig gulden loon per jaar, benevens kost en inwoning,"
vervolgde hij.
"Te veel, dat is veel te veel," riep het meisje. "Ik heb om geen loon
gevraagd. Waar woont die milde heerschap?"
"Het is geen heerschap," antwoordde Balzer, "maar slechts een landman.
En dat moet ik er u bijzeggen: er moet flink gewerkt worden; voor
twintig gulden loon kan men ook iets vorderen."
"Ik werk gaarne," antwoordde Marianne, "deze beide dienstmeiden en
zelfs mijn tante Siebold zullen moeten erkennen dat ik nooit met de
handen in mijn boezelaar gezeten heb."
"Dat hoor ik gaarne," zeide Balzer, "want ik zou gaarne met mijn
aanbeveling eer in leggen."
"Welnu, zeg mij dan," vervolgde Marianne, "waar het is en hoe de naam
van den boer is, opdat ik een en ander aan tante vertellen kan."
"Het dorp heet Dortingen," antwoordde Balzer kalm, "en de naam van hem,
die u huren wil, is Balthasar Tippel, hier in Neurenberg bekend onder
den naam van Ganzenvriend."
"Lieve Hemel! Gij?" riep Marianne, door deze inlichting getroffen. "Spot
gij nu met een arme wees?"
"Volstrekt niet," antwoordde Balzer op ernstigen toon, "het is zooals ik
u gezegd heb."
"Maar gij zijt," vervolgde het meisje, terwijl een roode kleur haar
wangen verfden, "nog een jongmensch, en ik heb u toch vooruit mijne
bedenkingen gemaakt."
"Ik ben dertig jaren oud," vervolgde Balzer lachende, "daarbij ben
ik geen jongenheer en ook weinig te huis. Bovendien, ik schenk u niet
weinig vertrouwen, iets dat ik hoop dat door u gewaardeerd zal worden.
Ik oefen in Dortingen een winkel uit in kramerijen, die door u gedreven
moet worden. Zijt gij oneerlijk--iets dat ik niet geloof--dan kunt gij
mij langen tijd benadeelen zonder dat ik er iets van bemerk. Denk over
mijn voorstel na, totdat ik over drie dagen terugkom. In dien tijd kunt
gij naar mij onderzoeken; verneemt gij iets in mijn nadeel, dan moet gij
het mij openhartig zeggen, en kan ik het niet met grond tegenspreken,
welnu, dan hebt gij verder niets met mij te maken."
"Houd mij niet voor ondankbaar," antwoordde Marianne, "dat ik uw aanbod
niet terstond aanneem, maar er eerst rijpelijk over wil nadenken. Het
zou zeer lichtzinnig van mij zijn en gij zoudt mij terecht voor
onbezonnen houden als ik uw voorstel terstond aannam."
"Dat antwoord had ik van u verwacht," zeide Balzer, "uw besluit doet mij
veel genoegen. Het blijft dus bij onze afspraak. Tot wederziens."
Marianne besteedde de drie dagen, die zij had om te bedenken, met
overal naar den handel, wandel en huiselijken toestand van Balzer te
onderzoeken. Overal zwaaide men Ganzenvriend de grootste lof toe; bij
ieder stond hij bekend als een eerlijk en vlijtig koopman en als een
rechtschapen jongmensch.
Toen Balzer op den bestemden dag terugkwam, verklaarde Marianne zich
bereid om de aangeboden betrekking te aanvaarden, en daar zij geen vaste
verbindtenis met het huis Siebold aangegaan had, kon zij vertrekken zoo
spoedig als zij wilde; iets, dat Balzer zeer aangenaam was.
Eenige dagen later kwam Balzer met zijn wagen, bespannen met twee
paarden, voor de deur, waarop de bezittingen van Marianne geladen
werden.
De jonge Siebold vond het allerprettigst dat Marianne dienstmeid werd
bij Ganzenvriend. Hij kon het dan ook niet nalaten haar bij het vertrek
hartelijk te bespotten.
Hij ging in zijn pakhuis en keerde met een gevulden grof linnen zak
terug, die hij bij den inboedel van Marianne wierp. "Daar," riep hij,
tot een van zijn pakhuisknechten, "daar, gooi dien zak bij den boedel
van Marianne, dan kan zij haar pleegkinderen, de ganzen, daarmede
voeden. Als zij die noten opeten, zullen zij dorst krijgen, en zich vet
drinken. Marianne, als gij dezen zak ziet, denk dan aan mij; gij ziet,
ik wil geen kwaad met kwaad vergelden."
Marianne antwoordde geen woord op deze reden. Zij liet het zonder
iets te zeggen toe, dat de knecht den zak op den wagen wierp. Het zou
werkelijk een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen als het muskaatnoten
waren; zij rekende daarop echter niet, want zij verbeelde zich, dat de
zak, onder het op den wagen gooien, een zonderling geluid gaf.
Marianne ging naar haar tante, nam hartelijk afscheid, dankte voor alles
wat zij bij haar genoten had, waarna de beide vrouwen als vriendinnen
van elkander gingen.
"Zij schijnt niet nieuwsgierig te zijn," dacht Balzer onder het
huiswaarts rijden, "want zij onderzoekt niet eens wat er zich in den zak
bevindt; als het muskaatnoten zijn, kan er wel vijf en twintig pond in
zitten."
Toen zij Dortingen binnen gereden waren, hield de wagen voor een eenzaam
huisje stil, dat er uitzag als een dorpshuisje, met stroodak overdekt,
en slechts één verdieping hoog.
Balzer en Marianne stegen af en begonnen de pakken en kisten in huis
te dragen. Een vrouw, die uit den winkel te voorschijn kwam, liep de
nieuwe juffrouw tegemoet, en, na haar van boven tot onder waargenomen te
hebben, bood zij haar hulp bij het werk aan. Balzer wees deze dienst van
de hand, waarna zij zich weder in den winkel begaf.
Nadat de goederen op de slaapkamer van Marianne gebracht waren, leidde
Balzer de nieuwe huishoudster het geheele huis door. Het gevolg hiervan
was, dat Marianne een geheel ander en hooger denkbeeld van haar nieuwen
heer en meester kreeg. Eerst kwam zij in een vertrek, dat rondom met
kasten betimmerd was, waarin de bossen pennen, allen in verschillende
soorten, geborgen waren. Daarna in een vertrek, waar de zakken veeren
hemelhoog opgestapeld lagen; een derde vertrek werd gebruikt om alles,
wat er verder van de gans bruikbaar gemaakt werd, te bewaren. In een
vierde vertrek zag Marianne eenige vrouwen en meisjes, die zich bezig
hielden met het zuiveren van dons en bereiden der pennen; overal
heerschte bedrijvigheid, en men kon hieruit opmaken, dat in deze woning
uitgebreide zaken gedreven werden. Het woonvertrek was eenvoudig, maar
goed ingericht. Marianne merkte op, dat overal een onverbeterlijke orde
heerschte, ofschoon men aan alles kon zien, dat er in de huishouding een
goede vrouwenhand ontbrak, die, zonder zich weelde te veroorloven, alles
tot een aangenaam geheel kon maken. Zij zag al spoedig, dat er met een
weinig smaak veel, dat niet mooi was, opgeknapt kon worden; andere
kleine snuisterijen opgepoetst of verwijderd moesten worden, in één
woord, zij gevoelde dat zij in dat huis een dankbare rol spelen kon.
Balzer liet de oudste huishoudster niet vertrekken, vóór zij Marianne
geheel op de hoogte van alles gebracht had, iets dat met een week
afgeloopen was. Het was voor Marianne alsof haar een zwaar pak van het
hart genomen werd, toen haar voorgangster vertrokken was, want zij was
gedurende deze dagen niet lief voor Marianne geweest, en had duidelijk
laten blijken dat zij haar de betrekking niet gunde. Nu eerst begon
Marianne haar nieuwe taak. Het allereerst nam zij den winkel tot taak;
het koperwerk werd geschuurd, de laden en kasten schoon gemaakt, de
toonbank gewreven, in één woord, de winkel was in een paar dagen zoo
veranderd, dat ieder die er in kwam verbaasd stond te kijken, en nu nog
veel meer dan vroeger kwamen om het een of ander te koopen.
Nu was de keuken aan de beurt om opgeknapt te worden. Het hout-, koper-
en ijzerwerk werd van de wanden afgenomen, en toen het er weder tegen
aan gehangen werd, glom alles als een spiegel. Daarna de woon- en
slaapkamer, en zoo eindelijk alle vertrekken. Balzer gevoelde zich nu in
huis nog gelukkiger dan vroeger. Ongemerkt werd hij bij alles wat hij
deed nog ordelijker en zindelijker, en zorgde wel dat er geen vlekje
op het heldere witte tafelkleed kwam, en liep niet meer op klompen
het woonvertrek in, en nooit zag men hem van nu af meer buiten zijn
werkplaats met een broek vol vlekken en modderspatten. Het was alsof hem
het eten lekkerder smaakte, nu het door Marianne in zindelijke schotels
op tafel gebracht werd, en ook de messen, lepels en vorken glommen
helderder dan vroeger. Hij genoot in stilte en sprak tegen Marianne
nergens over; zij kon echter aan zijn gedrag zeer goed bemerken dat
hetgeen zij deed niet onopgemerkt bleef.
Hij was, zooals Balzer gezegd had toen hij Marianne gehuurd had,
dikwijls van huis; zijn uitgebreide zaken vorderden, dat hij veel reizen
moest. Al spoedig bekorte hij zijn tochten en kwam vroeger te huis dan
gewoonlijk. Eindelijk scheen hij minder lust in reizen te krijgen, en
dikwerf liet hij zich woorden ontglippen, waaruit men kon opmaken, dat
hij liever te huis bleef.
Balzer droeg Marianne de grootste achting toe, erkende het goede dat zij
hem bewees, en ofschoon dit maakte, dat hij haar als zijn zuster
behandelde, wist hij toch dien ernst te paren aan wat de afstand
tusschen heer en dienstbode niet beletten.
Balzer bezat, buiten zijn woonhuis, nog een schoone boerderij, die door
een zetbaas met zijn vrouw onder zijn beheer gedreven werd. Toen Balzer
Marianne deze bezitting liet zien, zeide hij met eenigzins bevende stem:
"Toen ik nog een arme ganzenjongen was, en niets bezat dan twee jonge
ganzen, die ik van de molenaarsvrouw present gekregen had, toen wilde de
eigenaar van deze boerderij mij mijne bezitting ontstelen, iets, dat hem
echter niet gelukt is. Later werd hij door eigen schuld arm, doordat hij
zich in luiheid, dobbelen en drinken te buiten ging. Mijn pogingen om
vooruit te komen, werden gezegend, zoodat ik, toen deze bezitting aan
den meest biedende verkocht werd, eigenaar ben geworden van een
landgoed, waaraan voor mij zulke merkwaardige herinneringen verbonden
waren."
Toen de drie eerste maanden verstreken waren, waarin Marianne de post
van huishoudster vervuld had, betaalde Balzer haar, in plaats van vijf,
tien gulden loon. Toen het meisje hierover zeer verwonderd was, zeide
hij: "Neem dit geld, Marianne, gij hebt in deze drie maanden door uw
vlijt en zindelijkheid meer dan het dubbele uitgewonnen, en mij het
leven aangenaam gemaakt."
Dit was de eerste keer dat Balzer zijn tevredenheid openlijk kenbaar
maakte. Deze betuiging deed Marianne meer genoegen dan het verdubbelde
loon. Toen het tweede kwartaal verstreken was en Balzer haar weder
het loon gaf, zeide hij met bevende stem: "Marianne, ik moet u iets
gewichtigs mededeelen, ik ben namelijk tot de overtuiging gekomen, dat
ik een huisvrouw noodig heb."
Toen Marianne dit vernam, werd zij bleek van schrik en keek Balzer met
verbaasde oogen aan. Toen Balzer verder geen woord sprak, antwoordde het
meisje op vragenden toon:
"Zijt gij dan niet meer met mijn werk tevreden?"
"Dat zeg ik niet," antwoordde Balzer, "integendeel, ik heb alle reden om
over uw werk meer dan tevreden te zijn. Maar laat mij openhartig zijn.
Zooals gij weet, Marianne, mijn inboedel, voorraadschuren en huisraad
zijn goed voorzien, en toch ontbreekt mij iets. Voor wie werk ik? Ik heb
op de wereld geen sterveling, die deel in mijn geluk of ongeluk neemt,
die mij in mijn ziekte zou willen oppassen, of bij sterven de oogen zou
willen sluiten. Tot nu toe hebben de aardsche zorgen mij geen tijd
gelaten hierover na te denken. Maar nadat het huiselijke leven zooveel
aangenamer geworden is, gevoel ik inniger behoefte een deelgenoote
in mijn geluk te hebben. Marianne, gij hebt een half jaar mij kunnen
gadeslaan, zeg mij openhartig: zou een vrouw met mij gelukkig kunnen
zijn? Gij weet, ik heb, evenals alle menschen, mijn gebreken."
"Wel, baas," antwoordde Marianne, "gij schat u zelve te gering, welke
vrouw zou met u niet gelukkig kunnen zijn?"
"O," antwoordde Balzer, "het zou mijn levensgeluk volmaken als ik een
degelijke, vlijtige, deugdzame levensgezellin bezat. Marianne, zoudt
_gij_ met mij lief en leed willen deelen?"
Deze laatste woorden maakten een diepen indruk op het meisje. Balzer,
die nooit een overhaast besluit nam, wilde dit ook niet van Marianne;
hij gaf haar daarom tijd om over zijn voorstel na te denken.
* * * * *
Marianne werd de vrouw van Balzer. Beiden deden wat in hun vermogen
was om elkander het leven gelukkig te maken. Het huis Balthasar Tippel
nam in welvaart toe, terwijl het huis Siebold in Hamburg jaarlijks
achteruit ging. De jonge Siebold was door eigen schuld arm geworden;
zijn moeder was van verdriet overleden; de zaak was te niet gegaan, en
het huis stond ledig. Eerstdaags zouden de laatste goederen publiek
verkocht worden.
In dezen tijd--het was jaarmarkt te Neurenberg--reed Balzer met zijn
vrouw en drie gezonde kinderen in een net wagentje, met twee flinke
paarden bespannen, naar de stad. Juist in dezelfde straat, waarin hij
eenmaal met zijn ganzen geloopen, en de striemen over het gezicht
gekregen had van den jongen Siebold, kwam hem een man in gebogen houding
met versleten kleederen en ingevallen oogen tegen. Het was Siebold, die
vroeger door zijn baldadigheid en geschreeuw diezelfde straat zooveel
keeren in beweging gebracht had. Marianne herkende hem terstond en
Siebold dook in elkander, toen hij zijn vroegere dienstbode gewaar werd.
Sluw als een dief ontweek hij haar aanblik; Marianne weende bij dit
gezicht en deelde haar man deze ontmoeting mede.
"Lieve hemel," zeide zij, "wie had dat ooit gedacht, toen hij mij de
baal galnoten, die hij voor muskaatnoten hield, toewierp. Nog maak ik
van deze noten de prachtige zwarte schrijfinkt, waarmede gij schrijft,
en die wij nu nog aan de eerste kantoren verkoopen."
"Die ongelukkige," antwoordde Balzer op deelnemenden toon. "Zonder zijn
toedoen is hij ons geluk bevorderlijk geweest, want had het voorval met
de zweep niet plaats gehad, dan had ik u nimmer leeren kennen. Daarom
zullen wij ons over hem ontfermen en zien of wij hem uit zijn ellendigen
toestand redden kunnen. Willen wij het huis koopen en in de stad gaan
wonen?" vroeg Balzer aan zijn vrouw, toen zij met het rijtuig voor het
koopmanshuis stonden.
"Neen, o neen," viel Marianne hem in de reden. "Waar zouden wij ons
gelukkiger kunnen gevoelen dan in ons lief Dortingen. Neen, neen, en
bovendien, het huis van Siebold heeft voor mij geen aangename
herinneringen."
"Ik meende het ook niet," antwoordde Balzer op lachenden toon, "ofschoon
Neurenberg voor mij altijd iets aantrekkelijks heeft."
Terwijl Marianne met haar kinderen de markt overliepen en verschillende
inkoopen in de stad deden, vervoegde Balzer zich bij een beroemd
steenhouwer, Pankras Labenwolf genaamd, een leerling van den
alombekenden Peter Besiler. Hij vond hem in gepeins verzonken in een
leunstoel zitten, terwijl er een voltooide grafzerk, met zinnebeelden
van den koophandel versierd, voor hem stond.
"Meester Labenwolf," zoo begon Balzer, na eerst vriendelijk gegroet te
hebben. "Ik kom bij u een monumentaal stuk bestellen."
"Hebt gij geld?" vroeg de kunstenaar op niet zeer vriendelijken toon.
"Kent gij mij niet?" vroeg Balzer. "Ik ben Ganzenvriend."
"Al waart gij onze burgemeester in eigen persoon," schreeuwde de
kunstenaar, "dan deed ik nog niets voor u zonder eerst geld te zien.
Hebt gij den rijken koopman Siebold gekend? Die bestelde mij, eenige
jaren geleden, dit gedenkteeken; het moest dienen om op het graf van
zijn vader te prijken. Toen het stuk gereed en goed uitgevoerd was, was
de rijke Siebold bankroet, en daar staat nu de gedenkzuil renteloos. Als
gij wilt kunt gij haar voor den halven prijs koopen."
"Ik dank u," antwoordde Balzer hoofdschuddend. "Ik geloof gaarne, dat
het een kunststuk is, maar ik moet geen gedenkstuk hebben voor een
begraafplaats, ik wil iets hebben dat vrij en frank op de markt van
Neurenberg prijken kan. Het moet tot nut zijn voor menschen en dieren.
Maakt uw berekening en ik zal u vooruit betalen."
De beide mannen spraken geruimen tijd met elkander, en nadat zij het
over den koop eens geworden waren, voegde Balzer zich weder bij de
zijnen, dien hij echter niets van zijn plan mededeelde.
Er verliepen twee jaren. In dien tijd had Balzer gezorgd, dat de jonge
Siebold als klerk op een der eerste kantoren te Neurenberg geplaatst
was.
Het was weder jaarmarkt en Balzer ging met vrouw en kinderen naar
Neurenberg. Hij stalde in de eerste herberg binnen de poort en ging met
de zijnen te voet de stad in. Spoedig waren zij op de markt bij de Lieve
Vrouwenkerk. Hier stonden een menigte menschen belangstellend te kijken
en met elkander te praten. Wat was het, dat daar boven al die hoofden
zoo prachtig blonk? Balzer en de zijnen naderden den volksdrom.
"Dat heeft Ganzenvriend laten maken. Ja, het is Ganzenvriend," hoorde
men hier en daar roepen.
Met moeite drong Balzer met de zijnen door de menigte. Toen men hem
echter herkende, gingen eenige lieden ter zijde om hem vrijen doortocht
te verleenen. Marianne en de kinderen begrepen niets van alles wat zij
rondom zich zagen. Eindelijk stonden zij voor het meesterstuk.
"Hoe vindt gij dit, Marianne?" vroeg Balzer, terwijl hij haar wees naar
een prachtige fontein, die heldere waterstralen om zich heen wierp. Het
was een meesterstuk van beeldhouwwerk; boven de fontein stond een jongen
met twee ganzen onder de armen. Zoo kwam het, dat iedereen begreep dat
Ganzenvriend de gever zijn moest van dit kunststuk.
Diep geroerd sprak Ganzenvriend tot zijn, vrouw en kinderen: "Hier
op deze plaats stond ik eens met twee ganzen onder de armen, het was
alles wat ik bezat; hier op deze plaats leerde ik vrouw Wimner kennen,
die met Gods hulp den grondsteen gelegd heeft, waarop mijn geluk werd
voortgebouwd. Uit erkentelijkheid voor al het goede, dat mij in deze
stad is te beurt gevallen, heb ik haar dit blijvend gedenkteeken willen
stichten. God zij gedankt voor zijn rijke weldaden."
"Leve Ganzenvriend!" klonk het uit duizend monden.
Sedert zijn er driehonderd jaren verloopen. De tijd heeft alle daar
aanwezenden naar het graf gevoerd. Hunne graven zijn reeds vervallen,
met slijk en modder overdekt en onkenbaar geworden. Maar nog staat de
fontein met den ganzenjongen op haar oude plaats; onvermoeid draagt hij
zijne ganzen onder de armen, en stralen de heldere waterstroomen, die
menschen en dieren verkwikken, over de markt. Er zijn op het gedenkstuk
geen lofspreuken of zelfverheffende woorden gebeiteld; dat heeft
Balthasar nimmer willen hebben.
De levensgeschiedenis van Ganzenvriend gaat over van geslacht tot
geslacht, en nog wordt hij door de ouders den kinderen voorgespiegeld
als een toonbeeld van vlijt en spaarzaamheid.