Meester Liebel stond aan het venster van zijn bovenkamertje, en was
bezig zich voor een klein spiegeltje, dat tegen het venster hing, te
scheren. Hiermede bezig zijnde, hield hij de volgende alleenspraak: "Als
ik de laatste mode volgde, dan liet ik mijn baard ongehinderd groeien,
totdat hij op mijn borst hing. Brrr! ik herinner mij nog zeer goed hoe
bang ik in mijn jeugd voor de Poolsche Joden was, als zij, op weg naar
de Leipziger mis, onze stad doortrokken. Er waren moeders, die, als haar
kinderen niet gehoorzaam wilden wezen, dreigden: "als je niet zoet zijt,
geef ik je aan een Poolsche Jood!" Nu is het reeds zoover gekomen, dat
zelfs schoolmeesters knevels en lange baarden dragen, en het zal niet
lang meer duren, of zelfs de geestelijken laten hun baarden groeien.
Dat had de intendant Zittman eens moeten beleven! Bij hem durfde men
niet anders verschijnen, dan gekleed in zwarten rok, korte broek met
kuitgespen en zwarte zijden kousen, een driekanten steek op het hoofd,
met een witgepoederde staartpruik en natuurlijk eerbiedig binnenkomende
met den steek in de hand. Nu verschijnt men zelfs bij de hoogst
geplaatste personen in rijgewaad, met hooge laarzen en sporen, en
tooit zich zoo op, dat men geen deftig man van een hansworst kan
onderscheiden..... Wie klopt daar?"
De kamerdeur werd geopend en een paar kinderen traden binnen; een jongen
van acht en een meisje van zeven jaren. De eerste had een blad in de
handen, waarop een koffiekannetje, suikerpot en kopje stonden. Het
schenkblad was met bloemen versierd. Het meisje torschte twee potten
met bloemen: een Basilicum en een roode Balsemine.
"Goeden morgen, meester!" riepen de kinderen tegelijk op vriendelijken
toon, "wij wenschen u geluk."
"Wat beteekent dat?" vroeg de meester verrast, "wat bedoelt gij?"
"Het is immers heden uw geboortedag," antwoordde de knaap.
"De zestigste," viel het meisje in de reden.
"Wij wenschen u geluk," riep de knaap, "en hopen dat gij dezen dag nog
veel gezond en opgeruimd beleven mag."
"Nog veel?" antwoordde Liebel lachende, "men kan zijn geboortedag toch
slechts éénmaal in 't jaar vieren."
"Ik heb dat wel meer in het dagblad gelezen," verontschuldigde zich de
knaap.
"Het is toch niet goed uitgedrukt, het is niet taalkundig," vervolgde
Liebel. "Het is beter als men zegt: dikwerf. Maar dat doet er niet toe!
Kinderen, ik dank u en uwe lieve ouders hartelijk voor de betoonde
liefde en belangstelling. Ik had wezenlijk nog niet om mijn verjaardag
gedacht, die toch belangrijk genoeg is, omdat er weder een tiental jaren
voorbij zijn. Wat ruiken die Basilicums lekker! Hoe is het mogelijk dat
die groene blaadjes zoo'n aangename geur verspreiden kunnen? Er zijn
juist nog twee ledige plaatsjes in mijn bloementuin, die nu door deze
potten kunnen ingenomen worden."
"Wij hebben de planten zelf opgekweekt," sprak de knaap op trotschen
toon.
"Dan hebt gij er goed slag van," antwoordde Liebel, "en nu vind ik het
geschenk nog veel aardiger. Nogmaals hartelijk dank en de groete aan uw
brave ouders."
De kinderen vertrokken.
De meester ging aan tafel zitten en gebruikte zijn eenvoudig ontbijt.
"Die arme menschen," prevelde hij, "zijn gewoonlijk dankbaarder dan de
rijken en voornamen, die zich verbeelden hun plicht gedaan te hebben,
als zij voor het onderwijs, dat hun kinderen genieten, den meester
betaald hebben. Omdat ik de kinderen van mijn huisbaas kosteloos
voorthelp met lezen en schrijven, geven zij mij dagelijks, zonder er
iets voor te rekenen, mijn ontbijt en bewijzen mij allerlei lieve
oplettendheden. Maar komaan, laat ik nu mijn geschenken een plaats
geven." Hij opende het venster, waarvoor reeds op een smal plankje,
drie bloeiende planten stonden. "Welk een heerlijke morgenlucht," riep
Liebel, "wat schijnt die zon heerlijk aan den blauwen hemel; alles
groeit en bloeit, de natuur is prachtig. O, de mensch, die opmerkzaam
is, kan gelukkig zijn. Gevoel ik mij niet even gelukkig als wanneer de
grootste tuin met lanen, bloembedden, rustbanken en tuinbeelden mijn
eigendom waren? Ik heb nergens een cent voor uit te geven, en mij niet
te beklagen over onwillige of luie daglooners. Er wordt alweder geklopt.
Zou er weder iemand zijn om mij geluk te wenschen?--Binnen!"
Het was een agent van politie, die op ruwen toon den meester aansprak:
"Mijnheer, gij hebt daar voor uw venster bloempotten staan, die niet
door een ijzeren hek beschut zijn. Dit is overtreding van de
politieverordening en ze moeten dus verwijderd worden."
"Ziet eens hier, beste vriend," antwoordde Liebel, "ik heb iederen pot
met een sterk touw vastgebonden, waardoor het onmogelijk is dat er een
vallen kan."
"IJzeren stangen, luidt de politiewet," antwoordde de agent, "touw is
breekbaar, en als gij niet zorgt dat de potten met een ijzeren stang
omgeven worden, zijt gij strafbaar en het kost u vijf thaler boete; ik
verleen geen gratie."
"Wat ziet die politie toch scherp," antwoordde Liebel eenigzins
toornig. "Zij bemoeien zich zelfs met mijn dakkamertje, dat vijf
verdiepingen hoog is, maar daarentegen zien zij somwijlen niets van
wat er op de straat voorvalt. Bij voorbeeld, gisteren avond, toen het
duister was, ben ik over een steenen paal gevallen, die voor het huis
van den geheimraad Hänel geplaatst is, en dat is toch ook iets dat door
de politieverordening verboden is."
"Hoort eens," viel de agent hem in de rede, "ik stoor mij niet aan
praatjes; gij hebt recht om een aanklacht in te dienen tegen den steenen
paal van den geheimraad, mogelijk wordt hij dan verwijderd. Als er niet
geklaagd wordt, wordt er ook niet gehandeld."
"Dus, men heeft mijn bloempotten aangeklaagd?" vroeg Liebel, "wie heeft
dat gedaan, vertel mij dat als het u belieft."
"Dat mag ik niet," antwoordde de agent, "gij weet nu waar het op staat;
goeden morgen."
"Arme kinderen van Flora," sprak Liebel, terwijl hij de touwen lossneed
en de planten in de kamer bracht. "Het is nog niet genoeg dat gij in
nauwe potten gesloten zijt, maar nu ontneemt men u ook nog lucht, licht
en zonneschijn. Waar moet ik nu met u henen? Het spijt mij dat ik geen
bloementafel bezit. Mijn vreugde over mijn geboortedag is van korten
duur geweest. Maar laat ik mij niet door wereldsche zaken uit mijn
humeur laten brengen; alle lief heeft zijn leed, zegt de groote dichter.
Ik ben toch nog rijker dan Diogenes."
Dit zeggende liep hij naar het geopende venster en zong:
Reeds zestig jaren zijt gij oud,
En hebt veel storm beleefd;
en, zich zelven moed insprekende, liet hij er op volgen: "De boodschap
van den agent is nog niet eens een storm, het is slechts een rukwindje."
Liebel gaf op twee scholen onderwijs in de latijnsche taal. Toen hij
des middags te twaalf uur uit de scholen huiswaarts keerde, stond de
huisknecht van den rijken bankier hem op te wachten.
"Meester," zeide hij, "mijnheer wenscht u te spreken."
Liebel begaf zich terstond naar den bankier, die in hetzelfde huis
de benedenverdiepingen bewoonde. Het verschil tusschen de rijk
gemeubeleerde vertrekken hier en het dakkamertje boven was groot.
De bankier zat voor een prachtigen mahoniehouten schrijftafel, en stond
niet op toen Liebel binnentrad, maar keerde het hoofd slechts even om,
terwijl hij op onaangenamen toon hem aldus aansprak:
"Mijnheer, ik ben over u zeer ontevreden, gij hebt mij beleedigd; ik zeg
u de huur van uw woning op."
"Lieve hemel!" antwoordde de schoolmeester, "wat heb ik misdaan; ik
heb u in geruimen tijd niet gezien of gesproken; waarmede heb ik u
beleedigd?"
"Toen ik heden morgen in den tuin liep," vervolgde de bankier op
brommenden toon, "hebt gij op spottenden toon mij toegezongen:
"Reeds dertig jaren zijt gij oud,
En hebt nog niets beleefd.""
"Mijnheer!" antwoordde de meester, "ik verzeker u als eerlijk man,"
dit zeggende sloeg hij met de hand op de borst, "dat ik niet dertig,
maar zestig jaren gezongen heb, en daarmede mij zelven bedoelde, omdat
ik heden zestig jaar oud geworden ben, en, zooals ik gezongen heb,
menigen storm beleefd heb. Nu heb ik heden wel geen storm, maar toch
een rukwindje doorleefd, omdat ik een ontmoeting met een politieagent
gehad heb, die mij bedreigd heeft met vijf thaler boete, omdat mijn
bloempotten met touwtjes zijn vastgebonden, terwijl zij door een ijzeren
hek moeten afgesloten worden."
"Welnu, als dat het geval is," zeide de bankier, die nu tevreden gesteld
was, "dan neem ik mijn woord terug, maar raad u aan in het vervolg niet
weer zoo luid voor het open raam te staan zingen. Ik zal onder mijn
rommel nog wel een ijzeren hekje hebben; mijn smid zal dat voor het
venster vastmaken."
"Gij maakt mij gelukkig, mijnheer Meier," sprak de meester, "zoo wordt
op mijn geboortedag mijn liefste wensch vervuld."
"Het is goed," antwoordde de bankier. "Apropos! Ik heb gehoord dat gij
de beide kinderen van den huisbewaarder les geeft in lezen en schrijven;
zoudt gij lust en gelegenheid hebben om nog een kleine scholier onder
uwe bescherming te nemen? Uit medelijden heb ik een ouderloos kind van
een mijner bloedverwanten in huis genomen; het is zoo mismaakt, dat het
de openbare school niet kan bezoeken. Ik verzwijg u niet, dat het kind
zoo eigenzinnig en onhandelbaar is, dat het met de grootste strengheid
behandeld moet worden. Als gij den moed hebt om dat karakter te buigen,
wees dan zoo goed er dagelijks een uur aan te besteden."
"Ik zal trachten aan uw verlangen te voldoen," antwoordde Liebel.
De bankier schelde en gebood den binnentredenden bediende mijnheer de
meester bij de kleine Theodoor te brengen.
Liebel volgde den bediende, die eenige kamers voorbij liep, totdat zij
eindelijk aan een klein vertrek kwamen, dat zeer eenvoudig gemeubeleerd
was, en geen ander uitzicht had dan tegen een kalen muur.
Er was hier geen toegang voor een enkelen zonnestraal, een benauwde
lucht kwam de meester tegen.
Voor een der twee vensters zat een bejaarde vrouw, de oppasseres en
gezelschapsjuffrouw van het kind 't welk aan een tafel zat, die midden
op den vloer stond, met looden soldaatjes te spelen. Het kind kon zes
of zeven jaar oud zijn, zag er bleek en mager uit, had dunne armpjes en
beentjes, daarentegen dikke knokkels en een opgezet lijf.
"Dat is Theodoor," zeide de bediende tot Liebel, "ziet dat gij iets
van hem maken kan, maar gij zult er niet veel eer mede inleggen." Dit
zeggende verliet hij het vertrek.
"Lieve jongen," zoo sprak Liebel den knaap aan, "gij schijnt u te
vervelen, mag ik met u spelen?" Theodoor gaf geen antwoord, maar keek
onverschillig voor zich.
"Kijk mij eens goed aan," vervolgde Liebel, "en geef mij eens een hand,
ik meen het goed met u." Hij boog het hoofd nog lager, verborg de linker
hand onder tafel en wierp met de rechter de soldaten om.
"Mijnheer," zeide de vrouw, die aan het venster zat, "vermoei u toch
niet met dat onhandelbare stijfhoofd. Als hij niet goed wil, zijn geen
tien menschen in staat hem tot reden te brengen."
Liebel wierp een medelijdenden blik op het geestige maar innig kranke
kind. Hij zette een stoel bij de tafel, ging tegenover den knaap
zitten, en begon van eenige speelkaarten, die op tafel lagen, een huis
te bouwen. Hij deed alsof er niemand in de kamer was en sprak tegen zich
zelven.
"Dat is mijn huis," zei Liebel, "nu nog een benedenverdieping,--nu maak
ik er een hek om heen,--nu nog een verdieping er boven op,--nog een.....
o jé!"
Met opzet liet de meester het geheele gebouw instorten, waarbij hij
opmerkte, dat Theodoor eerst nieuwsgierig het spel had gade geslagen en
bij het omvallen zelfs gelachen had.
"Nu zal ik voor den koning een prachtig slot bouwen," vervolgde de
meester. "Zie zoo, daar staat het,--daar moeten nu schildwachten voor
staan."
Theodoor verzette er zich niet tegen, dat Liebel eenige soldaten voor
hem weg nam en die voor het koninklijk slot plaatste.
"De koning komt uit het slot," vervolgde de meester, terwijl hij een
looden generaal voor het kaartenhuis plaatste, "nu moet de wacht voor
hem difileeren." Hij plaatste eenige soldaten in gelederen, de muziek en
de tamboers voorop; met den mond bootste hij het geluid van muziek en
trom na, terwijl hij tegelijk kommandeerde.
Theodoor was oplettender geworden en nu en dan zweefde er een lachje om
zijn lippen. Van tijd tot tijd staakte de meester het spel, en eindelijk
stond hij op, reikte het kind een hand en vroeg: "mag ik nog eens terug
komen?"
Theodoor zweeg, keek den meester aan, greep zijn rechter hand en drukte
die vast in de zijne en bleef zoo eenigen tijd zitten. Liebel bleef een
poosje sprakeloos voor hem staan; eindelijk herhaalde hij zijne vraag,
terwijl zijn hand nog in die van den knaap rustte, "mag ik nog eens
terug komen?"
Theodoor knikte eenigzins met het hoofd, terwijl hij zijn hand uit die
van den meester verwijderde. Liebel vertrok en werd door de vrouw
uitgeleid.
"Gij zijt een duivelskunstenaar," zeide zij, "gij kunt meer dan eten;
als gij den jongen tot spreken krijgt, verricht gij een wonder."
Liebel verliet de woning van den bankier. De goede man liep in gepeins
verzonken over de straat. "Arme jongen," prevelde hij, "men heeft u
altijd verkeerd begrepen; ach, wat hebt gij veel verzorging noodig, en
wat wordt er weinig gedaan tot heil van uw ziel en lichaam. De bankier
is een onhandelbaar man, hij wil altijd zijn eigen zin volgen, met
hem kan ik dus niet over de opvoeding van Theodoor spreken. Ik zal
zelfstandig handelen en zijn toestemming niet vragen. Tot levensdoel
stel ik mij voor, den knaap uit zijn ziekelijken toestand en uit zijn
staat van verdooving te redden; met Gods hulp zal ik mijn doel
bereiken."
Den volgenden dag herhaalde Liebel zijn bezoek en het spel. Ook had
hij drie groote witte dobbelsteenen medegebracht; deze liet hij over de
tafel rollen en telde overluid de oogen. Hij deed dit alles zonder zich
met den knaap te bemoeien. Eindelijk deed Theodoor uit eigen beweging
hetzelfde wat Liebel deed; zijn ijver ontwaakte, hij speelde lustig mede
en lachte somwijlen hartelijk. Eindelijk leerde hij de achttien oogen
van de dobbelsteenen tellen, kreeg lust om nu te tellen hoeveel soldaten
hij bezat, wilde weten hoe de kleedingstukken en de wapenen der soldaten
genoemd werden, enz. Later werden de dobbelsteenen en soldaten vervangen
door een groote verscheidenheid van bont gekleurde boonen, waardoor hij
al spelende de beginselen der rekenkunde leerde. Toen kwam het lezen aan
de beurt. Hiertoe bezigde Liebel eenige groote letters, die op strookjes
bordpapier geplakt waren, en vertelde hem bij iedere letter een klein
sprookje, waardoor hij Theodoor onderhoudend wist bezig te houden. Nadat
de eerste moeielijkheden overwonnen waren, werd Theodoor hoe langer hoe
bevattelijker en Liebel zag zijn moeite rijkelijk beloond.
De bankier bemoeide zich volstrekt niet met hem, en vroeg nooit aan den
meester of Theodoor al of niet leerde.
Op zekeren dag ontmoette Liebel, toen hij het huis van den bankier wilde
verlaten, mevrouw Meier in den gang. Na haar vriendelijk goeden dag
gezegd te hebben, vroeg hij haar wat de reden was dat Theodoor nimmer
van de buitenlucht mocht genieten, daar dit zoo wenschelijk zou zijn
voor het herstel van zijn gezondheid.
Mevrouw scheen met deze vraag verlegen te zijn. Eindelijk antwoordde
zij: "Mijnheer Liebel, ik weet niet of gij met het karakter van mijn
man bekend zijt; zoo niet, dan zal ik beginnen met u te zeggen, dat
hij over eenige zaken vreemde denkbeelden heeft; gij weet, wij zijn
kinderloos, en het blijkt uit deze zaak, dat de bankier volstrekt geen
slag heeft van kinderen op te voeden. Toen wij Theodoor in huis namen,
was hij ziekelijk en nog is hij gebrekkig; hij kon bijna niet loopen, en
daarom heeft mijn man een gezelschapsjuffrouw genomen om Theodoor bezig
te houden, maar heeft haar bepaald verboden het kind buiten de kamer te
laten. Het zou verkeerd zijn, hem het vreemde van deze opvoeding aan het
verstand te brengen; heeft hij eenmaal een plan gevormd, dan moet het
uitgevoerd worden; ik zou u daarom bepaald ontraden ooit over deze zaak
met mijn man te spreken."
Liebel was een te verstandig man, om niet de gegrondheid van deze
bewering in te zien. Nu hij op de hoogte der zaak stond, groette hij
mevrouw en verliet de woning van den dommen rijken bankier.
"Dat arme kind," prevelde Liebel, toen hij op straat was. "Gelukkig dat
ik nimmer over hem tegen den bankier gesproken heb; nu is mij niets
verboden en ik kan dus doen wat ik wil. Ik weet een plekje, waar hij
ongestoord in het groen, in de vrije lucht en in de heldere zonneschijn
zich vrij en onbedwongen kan bewegen. Ik bedoel den hoek grond
achter den moestuin bij de tuinmanswoning, waar nooit iemand van de
huisgenooten komt; niemand bemoeit zich met het kind, maar ik zal wel
zorgen dat hij dagelijks ongemerkt komt waar hij zijn gezondheid kan
herkrijgen. Ik houd mij overtuigd, dat geen der knechts of der meiden
mij verraden zullen."
De bankier zat dagelijks op zijn kantoor, mevrouw had hare huiselijke
bezigheden en dacht niet meer om het onderhoud, dat zij met Liebel had
gehad. Deze ontvouwde zijn plan aan de gezelschapsjuffrouw. "Als gij het
op u durft nemen," zeide zij, "mij is het wel, ik heb er niet op tegen;
ook zie ik zeer goed in, dat, nu gij hem zoover ontwikkeld hebt, de
vrije lucht noodig voor hem is."
Theodoor herleefde, toen hij dagelijks een groot uur in den tuin
doorbracht en naar hartelust in het zand speelde. Het maken van
zandhoopen, het zandkruien en dergelijke bezigheden meer, oefenden een
wonderdadigen invloed op zijn gestel en humeur uit.
Het duurde niet lang of de kinderen van den huisbewaarder voegden zich
bij hem, en gaarne hield hij zich met hen bezig. Terwijl het kind zich
alzoo vermaakte, studeerde Liebel in een boek, waarin vele platen waren.
"Men is nooit te oud om te leeren," zeide hij tot zich zelven, "tot
nu toe heb ik het steekspel als een schadelijke nieuwigheid, als een
halsbrekende kunst beschouwd, ja, het voor een schadelijke zaak gehouden
voor ondeugende jongens, en nu zit ik vlijtig in deze handleiding voor
het steekspel te studeeren, omdat ik het op Theodoor wil toepassen."
Liebel begon natuurlijk zijn oefeningen met de lichtste en eenvoudigste
bewegingen, waaraan Liesbet en Gotthelff, de kinderen van den
huisbewaarder, insgelijks deelnamen.
Het is een algemeene waarheid, dat men die kinderen, welke veel te
kort komen, de meeste liefde en zorg toedraagt. Zoo'n kind gelijkt
veel op het verloren schaap, waarover de herder zoo innig gelukkig was,
en waarover hij meer vreugde betoonde, dan over de negen en negentig
schapen, die hij altijd bij zich had. Zoo'n vreugde beleefde Liebel aan
Theodoor, toen deze dagelijks naar lichaam en ziel krachtiger werd.
Zelfs zijn kromme beenen stonden veel beter dan vroeger.
Er verliepen achttien maanden, waarin de trouwe meester alle zorg aan
zijn leerling besteedde, en met opzet het bijzijn van den bankier
vermeed.
De tweede winter liep reeds ten einde, toen op zekeren avond, in de
maand Februari, meester Liebel in een draagkorf te huis werd gebracht:
hij had een been gebroken.
"Lieve hemel," riep de huisbewaarder Golberg, toen hij zijn vriend zag,
"hoe is u dat overkomen?"
"Het is eensdeels mijn eigen schuld," antwoordde Liebel met zwakke stem,
"en voor het overige de schuld van den steenen paal die voor het huis
van den geheimraad Hänel staat. Ik had oplettender moeten zijn, omdat ik
reeds vroeger over dien paal gestruikeld ben, en had het trottoir moeten
houden. Maar ik liep in gedachten verzonken, en dacht aan onze kleine
Theodoor, voor wie ik een gekleurden bal in den zak heb. Eensklaps
struikel ik over den bewusten paal en val op den grond. Terstond
bemerkte ik dat ik mijn been gebroken had, want ik kon niet opstaan.
Beste Golberg, doe mij het genoegen en roep een heelmeester; in dien
tijd zullen de dragers mij wel naar mijn kamertje willen brengen."
Golberg voldeed aan dit verlangen en zijn vrouw bleef bij den meester.
"Verschrikkelijk," riep zij, "arme man, waarom moest nu juist u zoo'n
ongeluk overkomen!"
"Waarom? Dat weet onze lieve Heer," antwoordde Liebel. "Maar, in ieder
geval, een beenbreuk is een ongeluk. Het zal mij veel pijn veroorzaken;
bijna zes weken het bed moeten houden; in al dien tijd kan ik geen
lessen geven en dientengevolge geen geld verdienen en mogelijk nog met
een stijf been mijn verdere dagen moeten voortleven. Maar ik vertrouw
op God, die meermalen uit het kwade nog iets goeds geboren doet worden;
dat is mijn grootste troost. Als alle menschen bij de ongelukken die
hen treffen maar het vertrouwen op God behielden, dan zouden zij minder
troosteloos zijn. Herinnert gij u nog, vrouw Golberg, den tijd toen de
politieagent mij met boete bedreigde als ik mijn bloempotten niet met
een ijzeren hek afsloot? Ik maakte mij daarover volstrekt niet boos,
maar zong lustig mijn liedje; daarover werd ik bij den bankier geroepen
en gedreigd mijn woning te moeten verlaten. En wat was van dit alles het
gevolg? Ik kreeg voor het raam het vereischte ijzeren hek, bovendien
het misdeelde kind Theodoor tot leerling, die nu mijn grootste geluk
uitmaakt. Welnu, uit deze beenbreuk zal ook wel weêr iets goeds geboren
worden; ik zal mijn lot geduldig dragen, en op mijn ziekbed heb ik tijd
om over gewichtige zaken na te denken."
Blijmoedig en zonder klagen verdroeg Liebel de hevigste pijn bij het
zetten van het been en de daaropvolgende koortsen. Golberg en zijn vrouw
waakten om beurt bij het ziekbed, terwijl hunne kinderen steeds bereid
waren om voor het noodige te zorgen. Het was voor den werkzamen man een
vreeselijke zaak zoo langen tijd, zonder iets uit te voeren op bed te
liggen; zelfs het lezen werd hem in de eerste dagen door den arts
verboden.
Toen Theodoor voor het eerst, zonder dat de bankier er iets van wist,
zijn goede leermeester bezocht, vloden de tranen hem langs de wangen.
Deze deelneming van den wees troffen den meester zeer, zoodat hij, om
den goeden jongen te troosten, begon te schertsen. "Welnu," zeide hij
lachend, "nu zijn wij elkander gelijk. Voortaan zal ik hinken even als
gij, alleen met dat onderscheid, dat uw hinken hoe langer hoe minder en
het mijne met den tijd erger worden zal; het is toch altijd beter dat ik
mijn been gebroken heb, dan dat ik mijn hersens verloren had."
"De geheimraad Hänel laat dikwerf naar uw toestand vragen," zeide op
zekeren dag Gotthelff.
"Hij zal den geneesheer betalen," vervolgde Liesbet.
"De vrouw van den geheimraad," liet Gotthelff er op volgen, "zal, zoodra
de geneesheer het toestaat, voor u versterkende middelen gereed maken."
"De geheimraad heeft het goed met u voor," zeide Liesbet lachende.
"De lastige steenen paal is nu voor de deur weggenomen," hernam
Gotthelff.
"Waarlijk?" riep Liebel op opgeruimden toon. "Daarin ziet gij al weêr,
dat uit het kwade iets goeds geboren wordt. Nu kan er niemand meer op
die plaats struikelen of het moet glad op straat zijn."
Drie weken later was Liebel zoover hersteld, dat hij, ofschoon te bed
liggende, de drie kinderen kon onderwijzen, kleine geschiedenissen
vertellen of met hen spelen. Weder drie weken later kon hij het bed
verlaten en, met behulp van een stok, zijn kamertje op en neder loopen.
Tot zijn groote vreugde kwam hij tot de ontdekking, dat zijn been niet
verzwakt of te kort geworden was, zoodat hij volstrekt niet mank liep.
Met ongeduld verwachtte hij de dagelijksche komst der drie kinderen,
om hen voor den eersten keer loopende tegemoet te komen en hen
deelgenoot te zien van zijn vreugde. Er kwam echter niemand. Er was iets
voorgevallen dat, zoo het zich eerst liet aanzien, noodlottig voor vele
menschen zou afloopen. De bankier Meier had zich naar de tuinmanswoning
begeven, omdat daar in de nabijheid een voorraad brandhout lag, die door
den aanhoudenden winter zeer verminderd was; nu wilde hij zijn voorraad
eens overzien. Terwijl hij hiermede bezig was, vernam hij in zijn
onmiddelijke nabijheid het lachen en tieren van eenige kinderstemmen,
die achter het gebouw speelden. Op het geluid af loopende, zag Meier
twee jongens en een meisje, die zich bezig hielden met sneeuwballen
gooien, en in het vuur van hun spel de komst van den gevreesden huisheer
niet bemerkten. Hij zag spoedig, dat een der knapen en het meisje
kinderen waren van den huisbewaarder; de tweede knaap met roode wangen,
die lustig bezig was zich tegen de twee andere kinderen te verdedigen,
herkende hij niet.
Meier had zijn pleegkind slechts zelden en dan nog altijd in de benauwde
kamer gezien, waar hij wezenloos en stil op een stoel zat; daarom dacht
hij in den beginne een vreemd kind voor zich te zien.
Toen de kinderen eindelijk de tegenwoordigheid van den gevreesden
huisheer bemerkten, staakten zij eensklaps hun spel.
Verschrikt lieten zij de sneeuwballen uit de handen vallen en stonden
onbewegelijk als zoutpilaren. Theodoor liet het hoofd op de borst
zinken; het rood van zijn wangen verdween en werd vervangen door
doodelijk wit, angstig keek hij naar den grond.
"Is het mogelijk!" riep Meier verrast uit, "gij, Theodoor, hier?"
Men kon het den bankier aanzien, dat hij verrast was over de
verandering, die er met den knaap had plaats gehad. Eerst straalde hem
de vreugde uit de oogen, doch op hetzelfde oogenblik beheerschte hem
zijn kwade luim. Hij herinnerde zich de bevelen die hij vroeger gegeven
had, en op den hem eigen onaangenamen toon vervolgde hij: "Gij hier op
dezen natten grond, met kleeren die nat van de sneeuw zijn; wie heeft u
toestemming gegeven om de kamer te verlaten, en zonder mijne toestemming
hier te spelen? Spreek, jongen."
"Ik ben uit eigen beweging hier heen gegaan," sprak Theodoor op
vrijmoedigen toon.
"En waar is vrouw Wimner?" vervolgde Meier.
"Toen zij even de kamer verlaten had, ben ik haar gevolgd."
"Het is niet waar," viel Gotthelff in de rede; "wij hebben Theodoor
afgehaald om hier te turnen, en daarop is dit spelletje gevolgd."
"Te turnen," riep Meier op spottenden toon. "Allerliefst! wat weten
zulke domme kinderen van turnen!"
"Heel veel," antwoordde Liesbet op beslisten toon, "meester Liebel
heeft..."
"Stil!" riep Gotthelff gebiedend.
"Wat is er met den ouden schoolmeester?" vroeg Meier.
"Hij kan ons geen les geven, omdat hij met een gebroken been te bed
ligt," zeide Liesbet, "en daarom..."
"Hebben wij vrije tijd," vervolgde Gotthelff, "en daarom hebben wij met
elkander geturnd."
"Ik zal die zaak ernstig onderzoeken," sprak Meier, "maar wee degeen,
die van dit alles de schuld heeft."
"Wij alleen hebben schuld," riep Gotthelff.
"Dat zullen wij zien,"--hernam Meier. "Marsch, jongen, vooruit naar je
kamer, en wee u, als gij buiten mijn toestemming er weêr uitkomt."
Theodoor gehoorzaamde zonder een woord tegen te spreken. Gotthelff en
Liesbet daarentegen vertelden alles wat er voorgevallen was aan hunne
ouders.
Liebel wachtte nog altijd op de kinderen. Eindelijk ging hij weder
liggen en verdiepte zich in gissingen over het onverwachte wegblijven.
Eindelijk kwam Golberg, die er buitengewoon ernstig uitzag.
"Waarom zijn de kinderen niet gekomen?" vroeg Liebel.
"Ik weet niet of ik u de oorzaak zeggen wil," antwoordde Golberg, "er is
iets onaangenaams voorgevallen, en ik vrees, dat als ik u het vertel,
deze geschiedenis nadeelig op uw herstel zal werken."
"Vooruit er mede," zeide Liebel, "de onzekerheid pijnigt meer dan de
wetenschap."
Golberg vertelde alles wat er voorgevallen was. "De bankier heeft alle
knechts en meiden streng ondervraagd, en de uitslag hiervan is geweest,
dat wij drieën, gij, vrouw Wimner en ik, de hoofdoorzaak van alles zijn.
Vrouw Wimner moet terstond het huis uit; ik met het einde der maand, en
wat mijnheer Meier met u doen zal weet ik niet."
Liebel schrikte geweldig. "Wij hebben," zeide hij, "eerder een belooning
dan straf verdiend, maar we hebben niet gedacht aan het booze humeur
van een tiran. Ik ben de oorzaak van het leed, dat vrouw Wimner en u
aangedaan wordt. Wat nu te doen, om dat kwaad goed te maken?"
"Heb voor mij en de mijnen geen zorg, meester," vervolgde Golberg.
"Reeds lang heb ik plan gehad om iets anders te zoeken en dan voor
de betrekking van huisbewaarder te bedanken. Mijn vrouw en ik zijn
voornemens een kruidenierswinkel op te richten; het noodige geld
daarvoor ontbreekt ons echter. Ik heb al eenige keeren moeite gedaan
om geld te krijgen, maar er is niemand te vinden, die zonder een goed
onderpand geld geven wil. Maar nu de zaken zoo staan, zal er mogelijk
wel een menschenvriend zijn die ons helpen wil. Vrouw Wimner beklaag ik
volstrekt niet; zij mag blijde zijn uit een dienst ontslagen te worden,
die waarlijk niet veel beter dan een gevangenis is. Alleen beklaag ik
Theodoor; op dien kan de wreede bankier zich wreken."
Toen Golberg vertrokken was, raadpleegde Liebel met zichzelven.
"Golberg," zeide hij, "heeft zich als een echte Samaritaan voor mij
gedragen, bij mijn ziekbed gewaakt en mij trouw verpleegd. Het is door
mijn toedoen dat zij hunne betrekking verliezen. Evenzoo vrouw Wimner.
Het is dus niet meer dan plicht dat ik zooveel mogelijk hulp verleen.
Ach, als ik nu maar kon of durfde uit gaan!"
Zes dagen later gaf de heelmeester hiertoe zijn toestemming. Liebel
strompelde het huis uit, nadat hij uit een gesloten lade een klein
voorwerp, dat in papier gewikkeld was, had gehaald en in zijn jaszak
gestoken.
Het werd avond, maar de meester kwam niet te huis. Daarentegen liep
door de stad het praatje, dat de oude meester Liebel door de politie
gearresteerd was, omdat hij bij een der juweliers een gouden snuifdoos,
met brillanten omzet, had te koop aangeboden, en dat dit voorwerp
reeds lang als gestolen bij de politie was aangegeven. Het gerucht was
waarheid. Liebel zat tusschen vier muren, in een somber hok, dat slechts
enkele stralen daglicht toeliet en waarin zich niets dan een stroozak,
om op te leggen, bevond. Hij trok zich zijn lot echter niet aan;
integendeel, hij was vroolijk en tevreden. "Er hebben," prevelde hij,
"vóór mij meer menschen onschuldig gezeten." Hij ging in gedachten na,
hoeveel personen uit de geschiedenis onschuldig gevangen waren geweest,
en eindigde zijn overdenking met het bekende lied:
Wees trouw en eerelijk tot aan uw laatsten dag,
en toen hij aan den volzin kwam:
Dat zingt gij bij de waterkruik, alsof het nektar was,
staakte hij zijn gezang, terwijl hij lachend uitriep: "Daar staat
werkelijk een waterkruik. Kom, ik wil eens proeven of de inhoud naar
wijn smaakt. Ik hoop maar dat men mij tegen den avond wat eten brengt."
Toen Golberg het vreeselijke nieuws vernomen had, vloog hij naar den
geheimraad Hänel, en vroeg of deze de voorspraak zijn wilde voor den
meester. De heer Hänel was hiertoe terstond bereid.
Toen Liebel den volgenden morgen in 't verhoor genomen werd, verklaarde
hij, dat hij, nu ruim vijf-en-twintig jaar geleden, den tegenwoordigen
vorst les gegeven had in de latijnsche en de grieksche taal, en dat
hij toen, tot belooning daarvoor, de gouden doos met brillanten omzet,
waarop het jaartal gegraveerd was, van den vorst ontvangen had. Hij had
de doos nooit gebruikt, omdat hij niet snoof, en haar bewaard, totdat
hij de geldswaarde noodig had, en daar zich dit geval nu voordeed, had
hij besloten de doos te verkoopen.
Toen Liebel dat verhaal gedaan had, werd het verslag daarover den
geheimraad Hänel ter hand gesteld. Deze was een vertrouwde van den
vorst, en deelde hem het gebeurde mede.
"O ja," zeide de vorst, "ik herinner mij nog zeer goed mijn leermeester
in de doode talen. Ik was zeventien jaren oud, toen ik de lessen van
hem kreeg, die mij toegang tot de universiteit gaven. Het was een best
mensch, die meester Liebel; en dat ik hem, bij de vele staatszorgen,
geheel vergeten heb, is zijn eigen schuld, daar hij nooit weder iets
van zich heeft laten hooren. Ik herinner mij ook zeer goed, dat mijn
overleden vader hem een gouden doos ten geschenke gegeven heeft. De
hofjuwelier Schrödel zal daarover wel nadere inlichtingen kunnen geven,
want bij hem werden alle dergelijke geschenken gekocht."
Toen de doos den juwelier werd voorgelegd, bekeek hij haar nauwkeurig,
want hij had de gewoonte om ieder stuk, dat bij hem vervaardigd was, een
geheim teeken te geven--dit vond hij ook op deze doos. Daarna sloeg hij
zijn boek op, waarin vermeld stond den tijd van aflevering, den naam aan
wien zij gezonden was, als ook den prijs wat zij gekost had. Alles sloot
met hetgeen door den meester gezegd was.
"Ik heb," zeide de juwelier, "veel dusdanige doozen aan ons hof
geleverd; dus, als al de eigenaars als dieven worden opgepakt, dan kan
de gevangenis spoedig goed bevolkt zijn."
Liebel was weder naar zijn cel gebracht, doch spoedig vernam hij eenige
naderende voetstappen. De grendels werden van de deur weggeschoven, en,
gelijk met den gevangenbewaarder, stormde de huisbewaarder Golberg met
vrouw en kinderen binnen. Allen drukten en kusten de handen van den
meester.
Golberg riep: "beste mijnheer Liebel, uw onschuld is erkend, de
geheimraad, die mij deze heuchelijke tijding heeft medegedeeld, zal op
het oogenblik hier zijn, om u met eer uit dit ellendige hol te voeren."
"Hoe is het mogelijk," vroeg vrouw Golberg, "dat men u voor een dief
heeft kunnen houden? Het is verschrikkelijk!"
"Och," antwoordde Liebel op zachten toon, "deze nieuwe beproeving zal
ook alweer noodig geweest zijn. Van heden af zal ik ten minste de
vrijheid nog meer waardeeren dan vroeger. Drie zaken heb ik zeer
ontbeerd: de vriendelijke zonnestralen, mijn boeken en uw lekkere
koffie, vrouw Golberg. Dezen morgen werd ik onthaald op een watersoepje.
Die wilde er niet best in; wel zong ik met heldere stem: "Dan zingt gij
bij de waterkruik alsof het nektar was,"--maar ik meende het toch niet.
Dat water heeft mijn maag bedorven."
"Als gij bij ons komt," zeide vrouw Golberg, "dan zal ik u een kop
koffie gereed maken, zooals gij nog nooit gedronken hebt. Een lood
koffie voor twee kopjes en daarbij een lekker broodje uit de koninklijke
bakkerij. Wat zou Theodoor gaarne met ons hier heen gegaan zijn, maar de
arme jongen zit insgelijks gevangen."
"Dat arme kind," zuchtte Liebel, "God zegene hem."
Het binnenkomen van den geheimraad brak het gesprek af.
"Zwaar beproefde man," zoo ving deze aan, "verlaat met mij deze
verschrikkelijke plaats. De vorst wacht u; hij is bereid u een
schitterende voldoening te geven."
"Wie?... ik? ik zou met deze slechte kleêren, die nog naar de gevangenis
ruiken, voor den vorst verschijnen? Neen, dat gaat niet."
"Kom, volg mij," riep de geheimraad, terwijl hij den tegenstrevenden
meester met zich trok, "het rijtuig staat op u te wachten."
Het was een rijk vergulde hof koets, waaromheen zich een nieuwsgierige
volksmenigte geschaard had. Toen de meester, door twee hoflakeien
gevolgd, het rijtuig instapte, zag hij niets dan vroolijke en opgeruimde
gezichten. Toen de vurige paarden het rijtuig in beweging brachten,
hoorde hij achter zich het volk aanheffen: "hoera, hoera! leve meester
Liebel--hoera!"
"Droom of waak ik?" vroeg Liebel, terwijl hij zich op het zachte kussen
heen en weder liet schommelen, "ben ik eensklaps zoo'n belangrijk
persoon geworden?"
De vorst ontving lachende zijn vroegeren leermeester. "Beste Liebel,"
zoo sprak deze hem aan, "ik moet beginnen met u te beknorren, omdat gij
nooit weer zijt komen omkijken naar uw ouden leerling. Waarom zijt gij
nooit bij mij geweest? Waarom hebt gij niet gedongen naar den titel van
professor? Mijn invloed zou u ten dienste gestaan hebben."
"Genadige vorst," antwoordde Liebel, "ik weet dat uwe doorluchtigheid
dagelijks met verzoekschriften overstelpt wordt, en aangezien ik door
het geven van lessen in mijn onderhoud heb kunnen voorzien, zoo vond ik
geen vrijheid het aantal verzoekschriften met nog een te vermeerderen."
"Als alle menschen zoo bescheiden waren," antwoordde de vorst. "Maar
nu, wat wilt gij? Een hoogere betrekking bij het onderwijs, of de
betrekking van bibliothecaris aan de hoogeschool? Of wilt gij liever in
de residentie blijven? In dat geval heb ik ook nog wel een betrekking
voor u. De custos van onze bibliotheek heeft zijn ontslag aangevraagd
en deze post is nog niet begeven. Er is aan verbonden een jaarwedde van
500 thaler en geeft u bovendien nog veel vrije tijd. Wat wilt gij?"
"Ach, uwe doorluchtigheid, welk onverwacht geluk! Ja, de boeken, de
boeken, dat is mijn element. Hoe gelukkig zal ik mij gevoelen als..."
"Goed," zeide de vorst, "bij deze benoem ik u tot mijn
hofbibliothecaris, en tevens ontvangt gij hier ten tweede maal uit mijn
hand de snuifdoos. Gebruik haar minstens nog een vijfentwintigtal
jaren."
De vorst vermaakte zich met den hoogst gelukkigen Liebel. Eindelijk trad
de geheimraad naar hem toe, en voerde hem weder naar het rijtuig, dat
hem naar zijn woning bracht.
"Wat heb ik gehoord," zeide de geheimraad, "snuift gij niet? Ik
daarentegen ben een hartstochtelijk snuiver, wees zoo goed en laat mij
het eerste snuifje uit de koninklijke doos hebben."
Liebel haalde de doos uit den zak, die veel zwaarder was dan vroeger.
Toen hij het deksel oplichtte, glinsterden hem, tot den rand der doos
toe, nieuwe dukaten tegen.
"Dat is sterke snuif," riep de geheimraad op lachenden toon. "Zult gij
die ook zonder te gebruiken laten beschimmelen, zooals gij vroeger de
doos gedaan hebt?"
"Neen," antwoordde Liebel, terwijl tranen van aandoening over zijn
wangen biggelden, "met dat geld zal ik een goede zaak tot stand brengen
en veel nut stichten. Dat geld zal het geluk bevorderen van mijn
vrienden, die mij in den nood trouw ter zijde gestaan hebben. Om hen
te redden had ik deze doos willen verkoopen, die ik van nu af als een
kostbaar kleinood in eere houden zal. Hoe wonderbaar zijn de wegen des
Heeren, die dikwerf uit het slechte het goede doet geboren worden."
Het gebeurde zooals Liebel gezegd had. De kruidenierswinkel van Golberg
was spoedig gereed. Dat Liebel vrouw Wimner tot zijn huishoudster
benoemde, zoodra hij zijn dakkamertje verwisseld had voor eene nette
woning, was een zaak, die, zoo hij zeide, van zelve sprak.
Door deze handelwijze waren alle verdrukte en slecht behandelde personen
gered. Eén echter verkeerde nog in een ongelukkigen toestand. De arme
Theodoor zat nog eenzaam in zijn sombere achterkamer. Dit hinderde den
hofbibliothecaris, en hij rustte niet vóór hij een middel gevonden had,
waardoor ook deze ongelukkige een beter lot deelachtig werd.
Op zekeren dag kwam het Liebel ter ooren, dat de zaken van den bankier
niet in orde waren. De onaangename man had zich in speculatiën gestoken
die verkeerd afgeloopen waren, en het was vrij algemeen bekend, dat hij
daarmede zijn vermogen verspeeld had. Nauwelijks was Liebel met deze
zaak bekend of hij vervoegde zich bij den bankier.
De ontvangst was niet vriendelijk; trouwens, Liebel had zich daarop
voorbereid; hij had nog nooit een vriendelijk woord van mijnheer Meier
ontvangen.
Eerlijk en openhartig kwam Liebel voor zijn zaak uit. Hij verbloemde
niets wat hij van den toestand van den bankier vernomen had en eindigde
met de vraag: "En nu, mijnheer Meier, kom ik met een vriendelijk verzoek
tot u: sta mij den verlaten wees af, ik zal, zoo lang ik leef, voor hem
zorgen, en tevens maken dat hij, indien ik kom te sterven, niet zonder
hulp achterblijft."
Men kon zien, dat de trotsche bankier een inwendigen strijd voerde. Het
aanbod was echter te verleidelijk, en hij wilde ook wel van Theodoor
ontslagen zijn. Op den hem eigen stroeven toon gaf hij zijn toestemming
en deed afstand van den knaap.
Liebel was overgelukkig. Geen minuut wilde hij zijn leerling meer in de
achterkamer laten. Hij verzocht en kreeg toestemming om den knaap
terstond uit zijn gevangenis te bevrijden en met zich te nemen.
Nog nooit had Liebel zoo gelukkig langs de straat geloopen, dan deze
keer, nu hij Theodoor naar zijn woning bracht. Met medelijden zag hij
den knaap aan. "Ach," dacht hij, "wat heeft dat kind veel ontbeerd. Het
zal voortaan mijn levensdoel zijn hem te vergoeden al wat hij tot nu toe
te kort gekomen is."
Veertien jaren waren vervlogen. De bankier was overleden zonder
eenig fortuin na te laten. Theodoor was een jonge krachtige man van
drie-en-twintig jaren geworden. Na den dood van zijn oom werd het huis,
waarin hij eenige jaren in ellendigen toestand geleefd had, door aankoop
zijn eigendom.
Op een schoonen zomermiddag zat in de schaduw der tuinmanswoning, de
plek, waar het spel met de sneeuwballen had plaats gehad, de eerwaarde
leermeester Liebel op de eereplaats aan den maaltijd. Zijn hoofd was
bedekt met een zwart fluweelen mutsje, waaronder zilverwitte haren te
voorschijn kwamen; diepe rimpels lagen hem op het voorhoofd. Vóór hem
op de tafel stonden twee potten met bloemen, de eene was een donkere
Basilicum, de andere een vuurroode Balsamine, geschenken van Gotthelff
en Liesbet. Liebel vierde heden zijn vier-en-zeventigste verjaardag. De
kinderen zaten naast hunne ouders, daarnevens Theodoor Meier en vrouw
Wimner, die af en aan liep om de verschillende gerechten op te brengen.
Bovendien zat er nog aan tafel de echtgenoot van Liesbet, een welvarend
drogist, die, als deelgenoot, met Gotthelff flinke zaken deed. De
welbereide spijzen en de edele wijn werden met gretigheid genuttigd,
terwijl er menige heildronk op het welzijn van den grijsaard, aller
vriend, werd uitgebracht.
Deze wierp een blik op zijn dakvenstertje en zeide met bevende stem:
"Het is heden juist veertien jaren geleden, dat ik daar voor dat
geopende dakvenster stond en zong:
Reeds zestig jaren zijt gij oud, en hebt veel storm beleefd.
Er hebben na dien tijd nog heel wat stormen over mijn hoofd gewaaid,
doch allen zijn door Gods goedheid opgevolgd geworden door zonneschijn
en kalm weder. Hem daarvoor de dank, Hem alleen de eer!"