De Millioenen-schat op/den Zeebodem {Illustratie}

Kijk 's, dit is nu een van die verhalen, prachtig beginnend, maar

omdat ik het jullie vertellen moet, zooals de geschiedenis inderdaad

is gebeurd, heel nuchter afloopend, helaas! Ik ben namelijk aan het

zoeken geweest naar een goud-schat, begraven ginds aan de westkust

van het eiland Terschelling.

Ha! ik wist uit oude boeken, hoe voor een waarde van millioenen

guldens in een oud wrak, een Engelsch oorlogsfregat uit het laatst

der achttiende eeuw, dat omstreeks 1800 schipbreuk leed in het

gezicht van dit eilandje, achter gelaten moest zijn. Ik wist

eveneens uit overlevering, hoe telkens gretig daarnaar gezocht was

in vroegere jaren; hoe men allerlei pogingen in het werk gesteld

had, door te dringen tot den bodem der hier zoo roerige en

veranderlijke zee; hoe men met onvoldoende hulpmiddelen had gezocht

onder het zee-oppervlak. Maar steeds was de diep onder het zand

begraven schat onvindbaar gebleven. De overblijfsels van het

indertijd, meer dan een eeuw geleden op onze kust jammerlijk

verongelukte schip had men wel kunnen terugvinden; ook de ligplaats

van het steeds dieper in het kustzand wegzinkende wrak had men met

vrij groote juistheid kunnen vaststellen. Doch onder de

verschillende wrakstukken van het vergane schip, "Lutine" geheeten,

vond men nimmer het gezochte goud.

En toch, voor een bedrag van ongeveer twaalf millioen aan gouden en

zilveren staven moest daar nog steeds onaangeroerd voor Terschelling

liggen!

Begrijpen jullie niet, hoe dit op mijn verbeeldingskracht werkte?

Het was niet eens de begeerte naar den schat zèlf, welke me daarheen

dreef. Doch het avontuur, de goud-expeditie, het zoeken en vinden op

zich zelf, oefenden zulk een magnetischen invloed, dat ik het

eindelijk niet meer kon uithouden.

Ik wist, hoe ginds op de reede van Terschelling weer opnieuw

ernstige pogingen in het werk werden gesteld om, dank zij de

nieuwste technische hulpmiddelen van reusachtige, door machines

gedreven zuigbuizen, tot diep op den zeebodem doordringende, het in

den loop der tientallen jaren steeds meer verzande wrak vrij te

maken, en dan door met uitnemende toestellen voorziene duikers een

onderzoek te laten instellen naar de juiste ligging van het op den

zeebodem rustende wrak, en aldus de juiste plaats vast te stellen,

vanwaar men den millioenenschat in veiligheid zou kunnen brengen.

Eindelijk!... wie weet! zouden de duikers er wellicht in slagen, de

meer dan honderd jaren in de diepte bewaarde gouden en zilveren

staven naar boven te dragen!

Van die aangrijpende, uitvoerige geschiedenis van het Engelsche

oorlogsfregat uit de achttiende eeuw -- o! een prachtig, maar

droevig verhaal op zich zelf! -- was er één herinnering, welke me op

dit oogenblik het meeste belang inboezemde. Ik wist, dat er een oude

aanteekening bestond, vermeldende de juiste ligging van het

scheepswrak, zijn diepte onder het zee-oppervlak, ook precies de

inrichting van het uit elkaar gevallen schip.

Met een vriend, die dit waardevolle papiertje in zijn bezit had,

maakte ik de vrij omslachtige reis naar het noorden, over Friesland

gaande, per Harlingsche scheepsgelegenheid naar het eilandje

Terschelling overstekende.

We werden daarginds gewacht door eenige ingewijden in de

schatzoekerij, die evenzeer als wij, popelden om nu eindelijk uit de

laatste overblijfsels van de "Lutine" den even geheimzinnigen als

kostbaren schat aan zijn onverbiddelijke schat-bewaarster, de zee,

te ontrukken.

Hoe wij daarginds te werk gingen, wil ik jullie hier in mijn

waarachtig verhaal vertellen. Maar bereidt je er meteen op voor, dat

de zee slimmer, machtiger, ongenaakbaarder bleek dan we gemeend

hadden dat zij was, en dat zij ons nauwelijks een tipje van den

sluier liet opheffen. Want de millioenenschat, de gouden en zilveren

staven, de op den zeebodem rustende staven, bleven ook voor ons even

onbereikbaar als voor al die andere goudzoekers vóór ons...

Toch geen reden voor mijn lezers, hoop ik, om mijn verhaal van het

"Lutine"-goud niet aan te hooren, of er de popeling niet van mee te

leven!

Ik sprak daar even over de, uit vroegere eeuwen bewaard gebleven,

aanteekening over de ligging van dit wrak voor de kust van ons

Waddeneiland.

Het oude schetskaartje van het wrak van de "Lutine" stond geteekend

op een stukje perkament, verfrommeld en in zijn naden gescheurd, en

niet veel grooter dan een hand. De buitenomtrek van het fregat was

met een gestippelde lijn aangegeven, de gebroken verschansing was

aangeduid met eenige streepjes; 'n kanon scheen met twee strepen

geschetst; met haaltjes en krasjes waren de plekken aangegeven, waar

zich de ballastbrooden en de roestlagen bevonden; twee gekruiste

ankers gaven de plaats van de voorplecht aan.

Het was over dit merkwaardig stukje perkament, den sleutel

wellicht, die ons den millioenenschat zou ontsluiten, dat het

Terschellingsche onderhoud liep.

Wij waren daartoe bijeen gekomen in de woning van een oud-kapitein

van de groote vaart, die daar wat aardig op het eilandje woont in

een van de huisjes van het geklinkerde hoofdstraatje.

Zijn vrouw, een geboren Terschellingsche, die ook van varen weet uit

den diensttijd van haar man, had zelve ons de deur geopend, toen ik

me in reeds vroeg avond-duister op het stoepje aanmeldde.

"Nu moet je je maar niet verbazen, wanneer je den heelen avond over

niets anders dan over millioenen hoort spreken!" had men mij van

tevoren opgehitst. O! ik had zulk een opwekking niet noodig: ik

verlangde genoeg naar al de geheimzinnigheden, die het verdronken

goud omgaven!

"De andere heeren zijn er al," fluisterde de vrouw van den

kapitein-in-ruste.

Er was overigens niets geheimzinnigs aan deze dame; evenmin aan de

kraaknette achterkamer, waar het lamplicht gedempt scheen over de

tafel, waarom-heen behalve de gemoedelijke gastheer, nog drie

andere bezoekers gezeten waren.

Ik lette onder het wederzijdsche kennismaken met nieuwsgierigheid op

dit drietal.

Zij waren gekleed in nette uniformen, blauw laken met vergulde

knoopen; een droeg de vier kapiteinsstrepen over den mouw, op zijn

borst had hij gehecht een smal lint, in vele kleuren, doch geen

orde-teekenen of medailles hingen daaraan.

Hij werd voorgesteld als de bevelvoerder van het vreemde

bergingsschip de "Lyons".

{Illustratie}

Ik had hem reeds op zijn schip in de haven gezien; als een stevige

veertiger had ik hem geschat, verzorgd zeeman met prettig gelaat,

volstrekt niet zoo'n gewild onbehouwen zeemans-uiterlijk; zelfs

waren ietwat verzorgd de einden van zijn snor tot twee punten

gedraaid, die ver naar links en rechts uitpriemden.

Nu, van dichter-bij, zag ik zijn hoekigen neus en de fijne sterke

kin; terwijl hij voorover leunde, zijn armen over de tafel gevouwen,

het hoofd wat schuin boven zijn schouders vooruit gestoken, scheen

hij me een prachtigen kerel, ondernemend type, een durf-al; maar

tegelijk trof me zijn bedachtzame schranderheid, als hij het hoofd

ophief en daarbij den jongensachtig-leuken kijk uit zijn

licht-blauwe oogen.

Hij sprak een duidelijk, helder Engelsch; later bleek, hoe hij in

zijn varensleven over alle zeeën van den aardbol had gezworven,

zoodat hij zich ook wel in andere talen klaar en verstaanbaar wist

uit te drukken.

De twee anderen, die ik eerst had aangezien voor den eerste en

tweede officier van de "Lyons", werden nu ook voorgesteld; ze

stonden wat stijf op, niet makkelijk in hun uniformpakken, en bij

het hand-uitsteken drukte ik twee stevige eeltige handen.

{Illustratie}

De eene vertoonde boven zijn correcte uniform een ruw gezicht,

weinig verbrand maar verweerd; blonde knevel onder een zwaren neus;

hij staarde wat quasi-achteloos voor zich uit, scheen zich niet op

zijn plaats te voelen. Maar de ander, met z'n bol donker,

glad-geschoren gelaat, glinsterde van Iersche oolijkheid; hij had,

zooals hij daar naast zijn kameraad zat, schijnbaar iets overgenomen

van diens onverschilligheid; maar hij bleek bij-de-pinken, want

telkens als zijn kapitein hem in het gesprek mengde, had hij

dadelijk en precies zijn antwoord klaar.

{Illustratie}

Ze bleken twee bekende duikers te zijn.

En nu gingen de vragen en antwoorden over hun duikersarbeid.

Dit gesprek?...

Ik zou er "Twintig Duizend Mijlen onder Zee" van Jules Verne of "De

Roode Flibustier" van Falkland nog eens op na moeten lezen, om aan

me zelf te controlearen, of die boeken-fantasie van een sterker

bekoring was dan deze werkelijkheid!

Intusschen leek het, of dit alles de gemoedelijkste zaak ter wereld

was.

We dronken een wijn-grogje en rookten een sigaartje, alsof het

gesprek over een gezellig kletspraatje liep.

En toch spraken wij over een millioenen-schat van goud en zilver,

begraven op den bodem der zee van het Terschellingsche strand.

Daarover hadden deze duikers gewandeld, met hun handen hadden ze het

goud bijna aangeraakt'

De kapitein vertelde, alsof het iets heel gewoons gold:

"De duikers hebben nu al twee groote kanonnen bovengebracht;

vervolgens de twee ankers van de voorplecht, wegende ongeveer 4000

kilo; en dan hebben ze de plek gevonden, waar de ballastbrooden

midscheeps liggen; en ook de moeilijk te naderen plek daarachter. Is

't zoo niet, Palmer?"

"Een roestlaag is 't, sir," antwoordde de eerste duiker.

"Een laag saâm-geroeste kogels, sir," vulde de tweede duiker aan.

De kapitein vertelde, hoe de zuigbuis van zijn schip inmiddels al

een kuil had gezogen van 36 voet diepte, zoodat het wrak, dat op 48

voet diepte op een kleibank rustte, nu bijna geheel vrij van zand

was. Telkens wanneer de groote buis omlaag werd gelaten boven het

wrak, zoog ze verschillende voorwerpen van het wrak omhoog:

spijkers, bouten, knoopen, kogels! -- "Maar ook al een handje vol

piasters!" zei de kapitein en zijn blauwe oogen lachten; hij

knip-oogde naar ons.

Tegelijk stond onze gastheer op en ging naar de donkere voorkamer,

vanwaar hij terug kwam met twee witte zakjes. Terwijl hij ze op de

tafel plaatste, rinkelde het zachtjes. Nadat hij de touwtjes had

losgemaakt, schudde hij beide zakjes leeg en hield een hand vol

munten onder het lamplicht.

Het waren groote, zware zilverstukken, zwart en verweerd; één was er

echter bij, pronkend blank met een glans zelfs van nieuwheid; om den

beeltenaar stonden duidelijk de letters te lezen:

"_Hispan; et. Ind. Rex_."

Het waren Spaansche munten; heele, halve en kwart-piasters.

"Die eene heeft u zeker opgepoetst voor deze gelegenheid?" vroeg ik.

"Wel nee!" riep de oud-kapitein, ... "dat is juist het wonderlijke!

... Het eene oogenblik komt er een bonk roest boven, waaruit je met

geweld de munten moet loshakken; ze zijn dan zoo zwart en vuil, dat

je haast niet kunt uitmaken wat voor geldstuk het is. En een

oogenblik later zuigt de buis een gave munt op, zooals deze, zoo,

dat je zou zweren, dat-ie nog geen halven dag onder water gelegen

heeft"

Toen de kapitein van de "Lyons":

"Een van de kanonnen, die de duikers vonden, hebben we

geladen-en-wel boven water gehaald! De heele boel zat onder een laag

roest; maar de laad-proppen, de kogel, zelfs het kruit, hebben we

achter-een-volgens uit den loop gehaald... Ik wil niet beweren, dat

we het kanon nog hadden kunnen afschieten, maar 't kruit was na meer

dan een eeuw behoorlijk droog gebleven!"

Er scheen geen bepaalde plek te zijn, waar de geldstukken indertijd

gezonken waren. En dit kwam volkomen uit met een mededeeling van

omstreeks 1800; want toen men in die gouddagen de vaatjes met

geldstukken trachtte op te visschen, had men dit zóó begeerig en

onhandig gedaan, dat sommige vaten lossprongen en al hun geldswaarde

weer omlaag stortte, zoodat de munten daar overal verspreid liggen

op den zeebodem in de buurt van het wrak.

Trouwens, wat bekommerde men zich toentertijd om zoo'n handvol

Spaansche matten?

Maar ook nu waren het geen Spaansche munten, waarnaar gezocht werd!

Men zocht immers naar de gouden en zilveren staven!

En gebogen, over het oude perkamenten kaartje, werd nu vastgesteld,

dat de verborgen schat zich bevinden moest onder de dikke laag

vastgeroeste kogels.

"Die kogels!" piekerde de kapitein, "die hinderen me meer dan me

lief is!"

Zoo kwamen we te beraadslagen over de kogels, die daar nog beneden

lagen.

Lang en ernstig praatten zij daarover. De duikers werden telkens in

het gesprek betrokken, om inlichtingen te geven. Dan was het

opvallend, hoe precies zij wisten te rapporteeren wàt zij daar op

hun geheimzinnige, duistere tochten onder water gezien hadden.

Juist, zoo was 't immers geweest! De constabel- of ammunitie-kamer

van de "Lutine" had zich boven de schatkamer in de piek van het

schip bevonden. En als men van een bepaalde plaats van het wrak de

oude kogels omhoog bracht, kon dit dus ook niet anders dan dezelfde

plek zijn, waar de gouden en zilveren staven nog altijd lagen.

Toen stelde de kapitein de vraag, waarop het aankwam; lakoniek

antwoordden de duikers er op.

"Die roestlaag, waarvan dus sprake is, en welke de vorige zoekers

steeds onaangeroerd lieten, hebben jullie die ooit gevonden?"

"Yes, sir."

De kapitein schoof het verweerde schetskaartje naar hen toe:

"Wijs me eens waar die roestlaag ligt?" vroeg hij.

"Ziet u deze plek?... Dààr hebben wij hoofdzakelijk gezocht."

"Dit beteekent dus, dat de roestlaag, die men tot dusver

onaangeroerd heeft gelaten, zich op de plek bevindt, waar de

overblijfselen van de vroegere schatkamer liggen."

"Dus die roestlaag?"

"Is een laag kogels en kruit en roest, die een eeuw lang als deksel

boven den verborgen schat dienst heeft gedaan!"

"Hoe groot is die laag?", vroeg de kapitein. Zijn oogen glinsterden

bij een plotseling bedenksel.

"Twaalf meter lang en tien meter breed, sir!", antwoordde de eene

duiker, de Ier, die tot dusver slechts met één oor scheen te

luisteren, maar toch, zonder zich een oogenblik te bedenken, wist te

antwoorden, hoe het er uit zag daar beneden bij het wrak, dat hij

scheen te kennen als het binnenste van zijn zak.

"En de dikte?"

"Een meter, sir!"

"Hoeveel schat je het gewicht?"

"Honderd ton, sir," schatte de andere duiker, omdat zijn makker

ditmaal even langer nadacht.

"Ik zou eerder zeggen: iets minder dan twee honderd ton, sir."

"We hebben 't!", zei kapitein Gardiner. "Ik wil er wat om verwedden,

dat de roestlaag, die op dit kaartje bij het achterschip staat

aangeduid, en die onze duikers telkens hebben betreden, de plaats

moet zijn, waar we de zilveren en gouden staven van de 'Lutine'

zullen vinden."

Hij zei dit niet opgewonden; maar langs zijn hoekigen neus boorden

zijn twee lichte oogen; de sterke kin stak vooruit, alsof hij zoo

toe wilde springen op den geheimzinnigen schat.

Ik dacht: als er ooit een kerel is, die het goud van den nukkigen

zeebodem kan afhalen, dan moest hij het zijn!

"Morgenochtend vroeg, bij het eerst tij stoomt de "Lyons" er heen

-- en morgen brengen we de eerste staven boven!" mompelde de

kapitein. Dit was ons wachtwoord; en zoo keerden we dien nacht naar

het dorps-hotelletje terug.

De Engelsche kapitein en z'n twee duikers stapten naar het haventje,

waar hun schip aan den steiger lag, de vuren aan, de smook

kringelend uit de pijp, dadelijk klaar om zee te kiezen.

{Illustratie}

Onze gastheer sloot zorgvuldig de deur achter ons; vanwege zijn

Spaansche matten, denk ik. En mijn reisvriend en ik kuierden naar

ons hotelletje terug. Hij stak zijn arm door den mijne en kwam

vertrouwelijk los.

"Mag ik je een raad geven?", zei hij gemoedelijk. "Je hebt nu den

heelen avond hooren spreken over goud en millioenen -- over

millioenen en goud! En nu verwacht je stellig, morgen eindelijk den

grooten schat te zullen zien?"

Twijfelde hij dan zelf?

"Maar de kapitein en z'n duikers.......", wilde ik opmerken.

"Zulke menschen zijn onbetaalbaar," antwoordde hij. "Met zijn schip

ligt hij nu al een jaar bij Terschelling en bij elk geschikt weer

stoomt hij naar buiten, naar de plek waar diep onder water het wrak

ligt. Bij èlke nieuwe poging is de kapitein overtuigd, dat hij

eindelijk zal slagen, het lang gezochte goud te vinden."

"Zoekt hij dan naar iets dat niet bestaat?"

"O! 't is mijn overtuiging, dat het goud zich nòg in het wrak van de

"Lutine" bevindt. En ik ben er even zeker van, dat den een of

anderen dag de pogingen zullen slagen. Zoodat de heele schat, die

daar op den zeebodem ligt, te voorschijn gebracht zal worden.

Maar..."

Hij brak zijn zin af. Ik vulde hem dus aan:

"Je rekent dus zelf niet vast op het resultaat van morgen?"

Hij gaf geen direct antwoord.

"We moesten nu maar gaan slapen... De kapitein is een man van z'n

woord: eer hij uitstoomt, laat hij ons halen. En het zal zijn schuld

niet zijn, als het morgen nog altijd de groote dag niet is!"

Maar slapen deed ik slecht in het primitieve Terschellingsche

slaapkamertje, waar de houten wanden kraken, als de wind maar even

over het duin zucht, en waar de sitsen gordijnen slecht sluiten voor

de vensters.

Zoo kwam 't, dat de vuurtoren, die den naam draagt van "Brandaris",

me met z'n lange statige lichtbundels, die als vier flitsende spaken

van een onzichtbaar wiel door den hoogen donkeren nacht

rondwentelen, me wakker hield, omdat zijn licht zich telkens door

dien kier boorde. Dan dacht ik aan deze lichtpijlen, in hun

onafgebroken rondzwaai langs heel den wijden horizon cirkelend, van

den avond tot den morgen, en hoe ze telkens ook even moesten

strijken langs de verre plek op zee, naar het westen, waar omlaag

het "Lutine"-wrak lag.

's Morgens vroeg -- 't grauwde nog van nanacht -- werd er al aan de

deur getikt van onze slaapkamer.

{Illustratie}

'n Scheepsmaatje bracht de boodschap: "Over 'n half uur stoomt het

schip naar buiten."

Binnen 't half uur waren we aan boord.

"U hadt niet behoeven te ontbijten; we gaan eerst stevig

breakfasten, omdat we toch buiten de haven moeten wachten."

Met overleg en knippend z'n ooghoeken als een timmerman, die

waterpas moet meten, scharrelde intusschen de loods de stoomboot het

haventje uit.

't Is er wat krap, met niet veel water in de Terschellingsche haven.

"Nog wat lieboord!" zooals de lui hier zeggen... "Zoo!... En nou

maar zwaaien met 't 't tij, en laat maar vallen je anker, tot we ons

kistje met dynamiet aan boord hebben."

Wij zaten achter een stevig Engelsch ontbijt in de messroom, met den

kapitein en z'n vrouw, den eersten officier en den eersten machinist

en nog een jong Engelschman in politiek, die me werd voorgesteld als

een fotograaf van een Engelsch dagblad, die hier aan boord vertoefde

met de opdracht van zijn blad, net zoo lang op Terschelling te

blijven tot hij de eerste goudstaaf van de "Lutine" voor zijn blad

gefotografeerd zou hebben.

Zou 't vandaag zijn?

Maar het loodsje op de brug, nadat hij z'n pruim voor een sigaartje

had verwisseld, trok zijn beweeglijke mondhoeken neer en tegen het

optimisme van den kapitein in, beweerde-ie, dat de wind te vast zat

in 't Noorden; dan had je buiten altijd veel last van water en

beweging.

Langs het duin kwamen een paar mannetjes geloopen. De één droeg een

klein kistje op den rug: dit moest zwaar zijn, want het gewicht

drukte hem voorover en hij liep met voorzichtige zware stappen.

'n Roeibootje was al uit de davids neergelaten, roeide op het strand

toe; nu kon je door den kijker zien, hoe 't kistje zorgzaam in de

sloep werd gezet. Daarop roeide het bootje met regelmatig riemgeplas

naar ons schip.

"Dat is dertig pond, die ze achter uit 't duin zijn wezen opgraven."

"Wat?"

"Dynamiet."

De kapitein krabbelde in het kaartenhuis op de brug al weer vlug een

schets, zooals hij zich de roestlaag op het wrak voorstelde, en hoe

hij die met zes dynamietpatronen deel voor deel aan stukken, zou

laten springen.

"Wat zeg je van den wind?" vroeg ik het loodsje, dat rookte als een

schoorsteen en meteen pruimde op het lurkje van z'n sigaar.

Buiten de kust deinden de golven in rumoerige gelederen aan.

"Als de wind naar het Oosten loopt!", zei de kapitein met zijn

sjeuig optimisme, "dan kunnen meteen de duikers omlaag."

"D'r zit vuil aan de lucht," bromde het loodsje.

De duikers zaten op het voorschip hun duikerspakken in orde te

brengen.

{Illustratie}

Als hoofdlooze lijken hingen de leege caoutchouckleeren te drogen.

De koperen helmen werden in een van de kamertjes van het tweede dek

bewaard; daar lagen ook de trossen en luchtbuizen, de gewichten en

zware schoenen, die ze noodig hadden voor hun toilet. Want het is

heel uitvoerig, zooals een duiker in de kleeren wordt gestoken. In

zijn baaien ondergoed is hij gekleed, wanneer hij zijn beenen in de

twee gummi-broekspijpen steekt, die van onderen in den vorm van een

schoen afgesloten zijn; met moeite wringen ze hem het open borststuk

over het bovenlichaam; zijn handen moet hij inzeepen om ze door de

nauwe mouwen te doen glijden; dan wordt hem een soort koperen harnas

over borst en schouders geschroefd, en daarover past de zware helm

met twee glazen kijkgaten ter weerszijden, en een rond voorruitje,

dat tot het laatste oogenblik wordt opengelaten.

Dan hangen ze hem nog stukken lood op borst en rug, en de zware

schoenen worden hem aangegespt; in den gordel steekt het lange mes

in de koperen schede; de trossen touw windt hij om het middel.

Zoo toegerust kan een duiker zich boven water bijna niet bewegen

door al het gewicht, dat hij moet torsen; log, moeilijk, traag,

werkt hij zich zelf over de verschansing heen, plonst voet voor voet

het trapje af, tot hij onder water verdwijnt.

Er is al een zwaar gewicht uitgeworpen met een touw er aan, en

daarlangs laat hij zich omlaag zakken, tot hij op den zeebodem is

aangekomen.

Intusschen zendt de machinale luchtpomp hem geregeld lucht toe. En

nauwlettend houdt een matroos bij de verschansing de wacht, met de

lange luchtslang en het seintouw in de hand, om op elk teeken, dat

de duiker van beneden zendt, onmiddellijk bedacht te zijn.

Zou er straks gedoken worden?

't Weer verslechterde!

We waren nu buitengaats. De zee wipte ons schip telkens op een

golfkop omhoog, liet het schip dan weer met een plons omlaag

glijden. Overal kwamen uit het Noorden de brekende golven aangerold;

de witte koppen ravotten holder-bolder aan.

"'t Is wel geen zwaar weer," zei het loodsje, "maar windstil is toch

anders."

{Illustratie}

Toen dobberde daar midden in de wilde zee een tonnetje op-en-neer.

En iets verder danste, telkens als het deinende water viel, een

puntstok omhoog; en daar opzij danste nog een boei:

Vòòr op de plecht rammelde het anker; de stoomlier stond dreunend te

zuigeren bij het anker-vieren.

"Hier is 't!"

We dobberden boven de plek, waar het "Lutine"-wrak gezonken lag.

Er was niets te zien. Niets scheen in deze wijde oneindigheid van

zee te zijn, teneinde eenig houvast te geven aan de verbeelding.

Alleen de boeien dansten onrustig op-en-neer. Bij elk dal, dat zich

vormde tusschen twee waterbergen, kwam de dobberende stok boven

water.

Anders was hier niets te zien.

O! hoe scheen die roerige zee nu heerlijk brutaal met ons te

spotten, en hoe veilig verborg en bewaarde ze haar schat!

Slechts één kleine plek scheen zich in den rumoerigen warrel der

golven vlak te strijken, een oppervlak van nog geen tien meter in

het vierkant, zoodat de kapitein er mijn aandacht op moest vestigen.

Daaromheen joegen de golven voor den wind uit en stootten op de

zandbank; overal wringelde hun wilde beweging door het water. Hier,

op deze plek, was de diepe kuil in het zand gezogen en daarboven

braken dus de eindelooze golven niet tot schuim.

Dit was alles...

De zee rondom verhief zich allengs tot driftiger beweging.

"Zal er gedoken worden?"

Eèn van de Engelsche duikers was door den kapitein op de brug

geroepen; die had even naar de lucht gekeken en naar het woelige

water; toen had hij van "neen" geschud.

"Haal maar op je anker!" commandeerde het loodsje. En terwijl hij

een nieuwe pruim nam, stuurde hij het schip naar de haven terug.

"Straks loopt de wind naar het Oosten," mompelde de kapitein.

"De wind zit vast", zei de ander. "En àls-ie verandert, kruipt-ie

naar 't Westen."

's Avonds gierde de wind nog uit het Noorden.

Zoodat het er heel druk en knus was in het hotelletje, waar de

eerste officier van het schip en de fotograaf van het Engelsche blad

met toewijding tegen de biljartballen stootten; waar de notabelen

skat speelden; waar wij onzen troost zochten bij het klik-klak van

eindelooze spelletjes domino.

Tusschen dit verzetje door werd een algemeen gesprek gevoerd. Dat

liep altijd maar weer over den verborgen schat in zee.

"'t Zal 'n verlies zijn voor Terschelling als ze die millioenen

ophalen!"

Dadelijk 'n ander.

"Ophalen?... Geen cent zit d'r meer in dat wrak!"

En weer 'n ander:

"Ik geef d'r grif 'n voorschot op!"

Terwijl buiten 'n regenbui over de duinen striemt en over het dorpje

kletst, zwaait de onaandoenlijke "Brandaris" zijn vier verre

lichtstrepen over de zee, welks horizon hij in onmetelijken kring

rondcirkelt.

Zoo gaan we vroeg naar bed.

En daar is dan weer het krakende hout van de beschotten. En ook is

er nog de kier in het gordijn.

En ik dommel in, terwijl ik droom hoe we den volgenden dag meer

geluk zullen hebben.

Doch den volgenden dag gaat het duikerschip in het geheel niet uit.

"Straks zal de wind wel naar het Oosten schieten", voorspelt de

kapitein.

Maar het loodsje loopt langs den wal; zijn handen diep in de zakken

van zijn stijve broekspijpen; hij kent den wind en 't water en 't

tij al zoo lang.

{Illustratie}

"Da's voorloopig mis met de "Lutine"."

En den daarop-volgenden dag is de wind nog nukkiger.

Weer 'n dag later schijnt hij te willen ruimen. Maar dan krimpt hij

hoe langer hoe meer. Tot hij pal noord-west blaast. 'n Holle zee. En

wit van schuim raast het boven de buitengronden.

Zoo moeten we dan den eenen dag na den anderen werkeloos wachten.

Maar uit den zwarten rand van de gele pijp van het duikerschip in de

haven rafelt de rook, omdat de machines dag en nacht stoom-op

houden.

Zoodra bedaart de wind, en ligt de zee wat vlakker, of 't gaat

immers naar buiten!

Dan wringt het loodsje de boot de haven weer uit, en 't gaat weer

den Spathoek om, den Stortemelker voorbij, de buitengronden over,

tot waar de boeien dobberen boven de vreemd-stille plek in zee...

Maar zóó lang heb ik niet gewacht.

Ik heb jullie toch vantevoren gezegd, dat mijn verhaal spannend

begon, maar nuchter eindigt?

We moesten eindelijk de terugreis wel aanvaarden. Tot verbazing van

den kapitein. Had hij al niet bijna een jaar zijn geduld geoefend?

Had hij niet telkens gewacht op het gunstige weer, en dan gevischt!

En als de wind om was, had hij dan weer niet geduldig gewacht, tot

morgen en overmorgen.

't Goud lag daar immers te wachten!

Wachtte het al niet honderd jaren?

Men had nu, dank zij het oude perkamenten kaartje, de plek ontdekt,

waar de schat verborgen lag, beneden de roestlaag, tot één

geweldigen vloer verhard.

Was er niet alle zekerheid, dat de gouden en zilveren staven

daaronder lagen?

Eèn lading dynamiet, en dit dekschild zou aan splinters slaan.

En daaronder zou dan immers de schat bloot liggen, slechts voor het

oprapen, de millioenen van de "Lutine", bestemd voor den gelukkigen

volhardenden zoeker!

De kapitein liet ons gaan. Wanneer we dan niet langer konden blijven

wachten op Terschelling, zou hij ons een telegram nazenden naar

Amsterdam, zoodra hij de eerste goudstaaf zou gevonden hebben...

Ik reisde met mijn vriend den langen weg terug, weer naar Harlingen,

per trein naar Leeuwarden, en zoo op huis aan.

Voelden wij ons als teleurgestelde schatzoekers?

Neen! Mijn reisgenoot allerminst!

Dit was niet z'n eerste tocht geweest naar Terschelling, en hij zou

er nog wel meermalen moeten heen reizen. Uit zijn brieventasch vol

documenten zou hij wellicht weer andere stukken opdiepen, geel van

ouderdom, maar telkens belangrijk, om de nieuwe verwachting, die ze

zouden wekken.

En ik?... Ik was evenmin teleurgesteld.

Ik wacht slechts op het beloofde telegram.

Maar ik wacht nog steeds.

Ik ben overtuigd, dat het komen zal.

En dan?... Dan zal ik voor jullie het slothoofdstuk schrijven over

het "Lutine"-wrak, en zooals de zee met halsstarrigheid haar schat

bewaakt heeft, doch hoe zij dien ten laatste toch heeft moeten

afstaan aan de menschen.

Dàn zal ik me kunnen voorstellen, hoe op het kleine ver-affe

Terschelling de kantige, geweldige "Brandaris" zich als een vlammend

uitroepteeken omhoog zal heffen ter eere van den schat, die het meer

dan een eeuw aan zijn kust belichtte.

Hoelang zal dit nog duren?

Hoelang nog, eer ik voor jullie het jongensboek met het volledige

verhaal van de "Lutine" mag schrijven?

VERHAAL van/een ZEILTOCHT dat zoo vroolijk begint en zo droevig

eindigt {Illustratie}

Ik stond met Hendrik op de plecht van onze zeilboot. Hendrik was de

schipper, de patentste, de meest bevaren, de wel-bespraaktste

schipper, die jullie je kunt voorstellen. Het schip dreef lui en log

met het langzame tij af. We hadden niets anders te doen, dan den

wacht houden bij het ankerspil. Slechts van tijd tot tijd moesten we

de armen uit de mouwen steken om den spilbout aan te vatten. Maar

den meesten tijd hadden we er het luieren toe te doen. De boot dreef

immers van zelf! En dan kortte Hendrik zich en mij den tijd met z'n

schippers-verhalen. Daarbij verschoof hij regelmatig z'n

tabaks-pruimpje van de linker- naar de rechterwang.

Zoo raakte hij dan, met bei' z'n armen leunend over den spilbout,

aan het babbelen. Hij begon met zijn onafscheidelijk, half

grinnekend, half ernstig stopwoordje van "Kcha! kcha!" dat hij

steeds gebruikte, als hij met een van zijn schippers-verhalen begon.

"Kcha! kcha!... Hendrik kan van alles!... daarveur is 't-ie z'n

leven lang schipper 'eweest. En zoo'n zeilbootje bouwen, dat leeren

wijlui waterschippers zoo met 't waaien mee!"

Hij ving zijn verhaal aan. Dat waren altijd van die kneuterige

verhalen, waarnaar ik telkens weer genoegelijk stond te luisteren.

Ik leunde naast hem, ook met beide handen gesteund tegen den tweeden

spilstok. En je zit daar maar wat best tot luisteren op zoo'n

bolder.

Hij begon te vertellen.

"Laat me je nou vertelle van m'n notarisbootje. Ik heb d'r net an

verdiend wat ik d'r an verdiene wou, en "dank je nog wel, Hendrik!"

zei de ouwe notaris toen ik 'm 'n hand reikte om 'm met z'n karkas

in z'n eige bootje te helpen, want eigelijk was 't bootje voor z'n

zoon, die door Onze Lieve Heer met 'n bochel was geschape."

"Wat was dat wel voor 'n scheepje?" vroeg ik; want ik stelde

hoegenaamd geen belang in een, mij onbekenden, notaris, maar wel in

het bootje, door Hendrik op stapel gezet.

"Dat was nou 'n niet te groote sloep, m'neer," begon Hendrik

peinzend, en hij scheen zich nog iets anders dan z'n schepping te

herinneren, "ik had d'r 'n mastje bijgemaakt met touwwerk en zeil,

en groen in de verf met 'n knap wit biesje langs de boorden.

{Illustratie}

'n Bootje, meneer, om alles mee te ondernemen; om mee te roeien,

want de riemen had ik er bij gemaakt; om in te visschen, want 'n

aardig kaartje met gaatjes als een zeef had 'k er midden-in

geprutst; om mee te zeilen, want de zwaardjes hingen 'm links en

rechts langs z'n ribbekes. Nee, 'n kiel had ik 'm niet 'egeven, want

de notaris wou juist 't bootje hebben, om te visschen, zonder nou

altijd met z'n bottines aan de waterkant te staan. En vandaar de

boot, dat ziet m'neer zoo.

{Illustratie}

"Notaris!" zeit Hendrik, "je zult je bootje hebben, eer de rematiek

je langs je beenen sluipt." Meteen Hendrik aan 't prakkiseeren.

Eerst was daar de vrouw en ... 't hout. De vrouw doet altijd wat

opstandig as ik daar met zoo'n warm plannetje thuis lei. -- "Wat zit

je weer op 'n houtje te knabbelen, Hendrik?" oproerde ze. Maar ik

zei niks anders dan: "Hou jij d'r je gezicht nou 's buiten. Hendrik

prakkiseert hoe ie 't zal flikken." Toen hadden we drie weken

ondeugend weer in de kajuit, want ze wou weten, waartoe ik al die

planken 't vlieringtrappie opsjouwde. Maar Hendrik had 'n handbalk

over 't luik geleid, en as ze d'r van benee' 'an kwam rommelen,

hield Hendrik z'n eige sjakes."

't Schippertje glunderde bij de herinnering; hij verschoof z'n

pruimpje, en omdat de schuit nog recht op den stroom verder

treuzelde, had hij niet beter te doen dan doorpraten.

"Drie weken heb ik 'ezeid, is 't niet m'eneer? Nou dan! 't Benne d'r

nog geen zeuventien daagjes 'eweest, of ie stond al droog in de

groene verf en glimmend in de vernis as 'n penantkast in de

poelitoer. Ik sla 't luik met 'n spijker dicht, want m'n wijf lei

maar te zaniken van de rommel die Hendrik op zolder had 'emaakt.

Maar ik schuif zoo op m'n toffels naar 't "Witte Paard," en ik roep:

"Kcha! kcha! jonges, wie drinkt d'r eerst 'n glaasje bier voor de

notaris z'n cente, en steekt dan 'n handje uit om Hendrik te

helpen?" Zoo krijg ik wel 'n half dozijn van die kaajschippers mee.

-- "Wat is d'r loos, Hendrik?" vragen ze me buiten! Maar ik zeg

alleenig maar: "Hebben jullie ooit een schip op zolder 'ezien,

jonges?"

{Illustratie}

-- "Wat wil die nou!" stoeien ze. Tot ik ze 'n dubbele lijn in d'r

handen gaf. -- "Nou strak houwe, manne, en zachtjes aan, dat jullie

me moeders schoorsteen niet mee omlaag halen." M'n wijf stond met 'n

gezicht as 'n vuile lucht an 't vlieringtrappie te sjagrijnen.

"Skiet nou op", lach ik inwendig, "as je wat zien wilt wat je nooit

'ezien heb, wijf, steek je temet je hoofd tusschen je

kozijnblommetjes, want daar zweeft d'r 'n boot omlaag." Ik tippel

naar boven, sla 'n takel uit, wikkel 'n tros om de boot, en steek

m'n pet door 't zolderraam. "Kenne we al halen, Hendrik?" roepen m'n

mannen van benee. "Ho!" schreeuw ik kwaad terug, want ik had

vergeten de maat te nemen van 't venstergat. En m'n boot kon d'r

niet door. "'n Momentje, jonges! en hou 't lijntje maar zoolang

strak!" Want ik was toch zoo kwaad van binnen, dat m'n wijf nog zou

triomfeeren. En ik neem m'n gereedschap en ik hak zoo 't heele

venster met sponning en al an splinters, en 'n paar ouwe pannen

kieper ik net op den neus van m'n toffel, en wat spanten van 't dak

zaag ik door. 't Was maar 'n arm huur-huizie, mot u redeneere,

m'neer, en dat dak zat er toch maar zoowat bovenop 'ekleefd. Later

heb ik 't al weer eigenhandig bijgepriemd. Maar ik schreeuw: "Nou,

jonges, laat 'm zweven!" En meteen halen ze 't lijntje door de takel

en schiet me de boot de ruimte in!"

't Schippertje kletste van de pret 'n hand op z'n knie. Hij mikte 'n

langen bruinen straal over 't ankerspil en grinnikte z'n plezier uit

met z'n gekke: "Kcha! kcha!", hetgeen krek op 'n spottenden

eksterroep leek.

{Illustratie}

"En je vrouw, Hendrik!"

"Eerst wille we 't anker wat halen, m'neer", raadde Hendrik. En

onder het inplanten van den spilbout in het vierkante gat van 't

spilblok, grinnikte hij, glunderend van binnenpret: "M'n vrouw,

m'neer? Die heeft Hendrik in geen vier dagen thuis 'ezien, want we

benne 't bootje met 'n paardje wezen rije naar m'neer de notaris...

Dat vertel ik je temet. Eerst je anker vieren, m'neer. Hup! twee!

.... hup! twee!"

Het zware anker was met rinkelend geweld omlaag gedreund; daarna

hadden Hendrik en ik uit alle macht onze beide spilbouten in het

blok gestoken, om den roestigen ketting rond het blok te winden,

wijl de schuit weer op stroom was komen drijven.

Hendrik, daarna de houding aannemende van een, op zijn wapen

rustenden hellebardier, bekauwde z'n porteriekje, en vroeg waaraan

hij was toegekomen.

"Je zou dat nieuwe bootje voor den notaris immers naar 'm toe

rijden, was je aan 't vertellen?"

" Juustement, m'neer, dat nieuwe bootje, dat ik voor dat

bochelzoontje van de notaris had 'emaakt, zou ik d'r heen rijje,

want vare was te ver, en ook vanwege 't vernis, want zóó'n glimming

heb u nou nooit of nergens 'ezien als om die schuit straalde!"

Hij droogde zich het dampende voorhoofd, want Hendrik had tot

gewoonte, zich bij elke werkzaamheid van pure opgewondenheid in het

zweet te zwoegen.

"Toen de boot dan in de lucht hong, as 'n vlieger an z'n touw, krijg

ik de ingeving. M'n wijf stond d'r tramontanen te zamelen achter de

horretjes, maar ik schreeuwde omlaag naar de schippers: "Leg effe

jullie lijntje om die boom, dan ben ik zoo beneej'." En mèt stond ik

bij ze omlaag. "As ik nou 'n kar met peerd had, dan zouen jullie pas

lachen!" zei de gek. Want ze stingen al maar vroolijkheidjes te

maken naar die zweefboot, alsof die zoo van 'n karmisspul was. Eén

laat de lijn los en roept naar me: "Je zel je kar hewwe, Hendrik!"

De andere jonges goggelen naar me: "Wat let ons, of we late je lijn

skiete, en je bootje left an schilvers asse we met z'n alle niet

magge mee rije!" -- "Houw jullie de lijn stijf, en al de manne magge

mee in de boot óp de kar!" zeg ik eerlijk terug; want 't waren

zoowat goeiïge hajebaje, die wel erris 'n verzetje mochte. Daar

steekt m'n vrouw d'r hoofd uit tusschen de reseda's: "Jij gaat niet

mee, Hendrik!" gilt ze. Maar meteen late de jonges de lijn door de

takel vieren, en skiet me die boot bijna twee vaam omlaag. En zij

d'r hoofd weer 'eborgen achter d'r horretjes. Rijdt me al peerd en

wagen veer; die drieste makker op de bok. En wij met z'n alle de

boot op de wagen 'epast en vast'esjord en Hendrik kommendeeren as in

'n oorlogssloep: "An de rieme! en met Gods zegen, -- drieéje!"

Zoo rijje we ons steegje uit, en koope 'n graantje in 't "Witte

Hert," en rijje fijn de straat door, en koope 'n graantje op de

hoek, waar 't ruite-wapen uithangt, en rijje de heele stad door, en

legge overal aan, en koope overal effe 'n klein glaasje van 't een

of ander, want de notaris had 'ezeid dat-ie zelf de transport-kosten

wou dragen. Nou, we zitte daar in die boot, net asse matrozen, maar

de riemen hieuw ik weg 'eborgen, want d'r zou geen spatje aan 't

spul bederven, eer Hendrik de boot had afgeleverd. We rijje 'n lange

weg, en we rijje perjuu nog wel een eindje om ook, en as 't zoo pas

geeft, roept Hendrik naar die drieste koetsier voorop: "Hou' nou 's

je peerd in, man, want we raken buuten asem van 't roeien!" En daar

sting dan altijd wel, as Hendrik liet strijken, 'n gelegenheid voor

'n dorstig varensman."

{Illustratie}

Hendrik's glimmende kop was nu een en al gegrinnik van

herinneringspret; den spilbout had hij laten zakken, achter zich, en

langzaam daarmee bewegende, wees hij: "Zoo stond Hendrik achter in

de boot, as 'n stuurman an z'n roer, en die manne op de roeibankjes,

en dat alles boven op de kar; op 't nokkie zat de koetsier, met 'n

merakelschebrom in. Maar we kwamen d'r. En 't was nog knap vroeg,

met nog geen streepie licht an 't duuster. Toen kommedeert Hendrik:

"Vast, manne! nou 'ezwegen, of jullie verbeurt je handgeld!" En stil

as nonnetjes rijdt me de kar de tuin van de notaris binnen, net voor

de slaapkamer van de jongeheer met z'n bult, want voor die was 't

presentje bestemd. Zoo benne we daar zitten blijven, tot 't boven

wat begon te klare; de rieme buiten boord, 't zeiltje 'eheschen, 't

fokkie voor an de mast, en allemaal zwijgen as moffe uit 't

beeldespul.

{Illustratie}

Wordt eerst de notaris wakker, wrijft zich zijn oogen uit, zet zich

z'n fok op, en schuift me van verbouwereerdheid 't raam open... "Wat

is dàt nou!" -- "Je bootje, m'neer de notaris!" salueer ik en al

m'n manne make groot-saluut, as de jongeneer van Hendriks stem

wakker wor' en in z'n slaaphempie voor de ramen komt dansen. "M'n

komplement!" zeit de notaris, "'t lijkent me 'n knap stuk werk, maar

hoe prakkiseer je 't, Hendrik, om zonder water te raken die boot

hier 'n m'n tuin te rijje?" -- "We rijjen 'm ook nog voor je te

water, notaris, maar eerst wou ik je op je nuchtere maag laten

genieten van de vernis!" En ik schreeuw naar m'n koetsier, die te

slaapknikken zit: "Vor-uit, drieste, naar de waterkant; en jullie

zette me de boot te water, zonder dat d'r 'n krasje an mankeert!"...

Die notaris, wat 'n man van ervaring was, neemt Hendrik ampart

en zeit tegen me: "Die mannen die je 'eholpen hebben, Hendrik, late

die 'n glazie bier gaan drinken op je gezondheid en op mijn

rekening." -- "Dat hebbe ze al 'edaan, m'neer de notaris," tik ik an

m'n petrand; "we bennen zoo al 'n dag an 't manevreeren met uwé's

bootje, en 't kan nog knap 'n dag extra worre eer we weer bij moeder

thuis legge, want zoolang as ik nou al vaar, en toch ben ik al als

klein kind op 'n skuit 'eboren, heb ik nog nooit of ooit 'n schip

over de weg zien rije. Of wat jij, m'neer de notaris?"

Hier moest Hendrik weer den ketting vieren, want ons drijvend schip

was dwarsstroom gegleden, en juist moest het met wetenschap om een

der uitstekende strekdammen geloodst worden.

Waarvan Hendrik zich met rusteloos gepruim en met vele pareltjes op

z'n rooden kop verdienstelijk kweet. Slechts had hij nog den tijd,

me het eind van z'n verhaal aan te kondigen:

"Met lachen waren we begonnen, maar met huilen benne we geëindigd.

As ik je dat straks vertel, m'neer, moet je naar Hendrik luisteren.

Maar zou je nou niet eerst dat ankertje voor me willen tillen, want

met je tweeën werk je as met m'ziek, zooas de kapelmeester blieft te

zeggen. En uit die eigenste boot van Hendrik is dat bocheltje van de

notaris nog geen week daarna komme te verdrinke!... Haal toch door

je spil, m'neer, hup twee! ... hup twee!"

't Was avond geworden; onze schuit lag stil op de rivier, en stevig

voor anker, -- waarvoor Hendrik trouwelijk gezorgd had. De

ankerketting stond strak. Met geluidlooze sidderingen wrong zich het

immer stroomende water langs de schakels, zoog de boorden van het

schip langs, teekende grillige figuren over de rivier. We keken

ernaar, zwijgend uitrustend na ons eindeloos gestoei met de rivier,

die onze drijvende schuit maar geen oogenblik met rust had willen

laten. Later raakte Hendrik toch weer aan den praat, -- hetgeen hij

niet kon en wou laten, noch onder het werk aan roer of spilblok;

noch onder het poozend kringetjes-spuwen bij avond-stemming genieten

op de rappe rivier.

"Je liet je verhaal liggen, Hendrik, nadat je dat bootje had

afgeleverd aan den notaris."

"'t Is niet eens 'n verhààl!" piekerde nu Hendrik, na den arbeid

rustig gezeten, en ook voor het eerst dien dag de handen in zijn

diepe schippers-broek-zakken gedompeld. "As 't nou nog 'n verhaal

'eweest was! Maar de warentigheid is nooit lang zoo aardig niet.

Nou, luister dan 's zelf, m'neer, hoe 't met Hendrik z'n bootje

'egaan is."

"Met de schippers-kameraden an den rol gebleven? tot je met de kous

op den kop bij moeder-de-vrouw weer thuis kwam?"

"Kcha! kcha! is dat nou 'n verhaal, om zoolang daarna nog na te

vertellen?" dee Hendrik. Er klonk iets van minachting bij mijn

waardeering van z'n schippers-bedrijf uit zijn woorden. "Dàt kome

wel meer veur! Zaturdaags poets je dat wel weer in 't reine, asse de

vrouwtjes 'n handvol met blanke daalders in d'r boezelaar ziene

leggen. Zoo benne ze allemaal, m'neer, mot je nog van Hendrik

leere?"

Het schippertje bleef peinzend voor zich uit staren. Toen in-eens

kwam het slot van zijn schippersverhaal over de eigen-gemaakte boot.

"Zoo is 't d'r toen verder mee gegaan, m'neer," haastte hij zich

blijkbaar. "Ik lag nog geen week thuis, of d'r was al 'n

pampier-schrijven van de notaris; de schoolmeester heeft 't me net

zoo veur 'elezen, en of Hendrik de volgende week zoo vrindelijk wou

wezen, om bij m'neer de notaris te komme, want dat dan die jong z'n

jaardag vierde, met z'n ronde ruggetje, en dat die kwajonge as eenig

verlangen 'n zeilpartijtje begeerde. Nou, die notaris was me ook

geen schippersvak 'ewend, dat had ik van wel vroeger 'emerkt; die

'ebruikte z'n bootje alleenig maar tot visscherswerk. Maar Hendrik

had 'm toch 'n bootje 'ebouwd, dat juustement rank 'enog op 't water

lei', om zonder al te veel jan-klaasen 'n aardig gangetje te zeilen.

{Illustratie}

"Daar begeef ik me niet an!" zeit me die notaris, "ieder z'n werk,

ik de aktes, en Hendrik de takelage." -- "Je kan 't bestelle zooas

je maar wil, notaris," zeit de gek, en ik wijs dat bocheltje 't

plaatsje vooran, waar die geen goed of kwaad kon uithalen. Maar wij

zijn nog niet buuten, of dat jong wor' ongedurig, en temet mot

Hendrik op z'n zeilwerk lette, want daar kwam 'n windslag van wat

ben je me. "Ga je nou zitte, jongeneer!" Mot m'neer hooren, net as

Hendrik 't nademaal nog altoos in z'n ooren hoort roepen: "'n Bult

drijft, Hendrik!" En zoo is die over boord 'eslagen, en as Hendrik

'm wil grijpe is die al heelemaal weg, zoo snel as Hendrik nog nooit

of ooit 'n wolk voor de zon heeft zien verskiete. Ik smak m'n roer

om; ik zeil de plek over. Drie keer, vier keer. Zijn 't er honderd

keeren 'eweest? Weet Hendrik ook niet meer. Maar toen Hendrik thuis

kwam met 't bootje, was 't voorplaasie leeg. -- "Je bocheltje is

verzope, notaris," zeit Hendrik. En meer niet, want ik heef' nog

nooit zoo'n prop in m'n spraak 'ehad."

Hendrik zweeg, vervaarlijk kauwend op z'n tabakspruim. Ik zweeg mee.

Wat viel er te spreken? Toen spoog Hendrik recht naar een van die

malle speelsche water-kolkjes ter weerszij van den ankerketting, en

beëindigde aldus z'n verhaal:

"Die notaris was 'n ijzelijk man, m'neer. Ik heb 'm later niet weer

'ezien. Hendrik wou 'm niet meer zien. -- "Neem nou je gereedskap,"

zeit ie, "en hak me die boot an zulke gruzelementjes, dat geen

mensch zal zien, dat 't ooit 'n skuit kan zijn 'eweest."

{Illustratie}

Ik probeer nog wat te zeggen, van de zonde en van de jammer, omdat

't toch 'n goed stuk werk was wat ik 'm geleverd had as boot. Maar

ie was ijzelijk van stilte. -- "Neem nou je gereedskap, Hendrik,"

zeit ie, "en geen spaan of splinter wat an m'n scheepje

herinnert!..." En zoo gong 't dan met dat bootje, meneer."

Later bedacht Hendrik onrustig, dat hij 't verhaal toch niet

volledig verteld had:

"Heel 'n week heeft Hendrik d'r an gewerkt, om 't ding ongedaan te

maken. Je breekt 'n skuit wel eerder af, dan dat je 'm opbouwt. Maar

om 'n gaaf scheepje tot splinters te vernielen kost ook z'n tijd.

"Niks meer van over, Hendrik?" vraagt die stille man. -- "Niks,

notaris!" -- "Hoeveel ben ik je schuldig, Hendrik?" vraagt die

notaris. -- "Niks!" zeit Hendrik, en ik keek 'm van terzij an, om 'm

goed te laten weten, dat ie met die larie geen tweede keer bij mijn

aan boord most komme. -- "Je mist 'n week loon, Hendrik," probeert

die waarachtig nog. -- "En jij mist méér dan een week, notaris,"

schreeuw ik. Want ik kon die ijzelijke man niet langer daar zoo zien

staan kijken naar 't stapeltje brandhout, dat er van 't bootje over

was.

"Hendrik is toen maar weg 'eloope. Weet je wat ik onder m'n arm

hieuw, m'neer? 'n Splinter van 't voorpleggie, waar die jong op

'ezeten had, met z'n bultje tegen de mast 'eleund. As de notaris 't

'ezien had, was die nog in staat 'eweest, 't me af te nemen. Zoo nam

ik 't mee naar huis. "Laat maar," zeit Hendrik tegen de vrouw, toen

ze me vroeg wat ik haar mee bracht van m'n zeiltocht. Had die me nog

maar uit 'elachen om dat leste spaandertje van Hendrik's

eigen-geprutste boot."

Bij dezelfde uitgevers verscheen:

AVIATOR

DOOR

JAN FEITH

PRIJS IN PRACHTBAND f +2.50+.

Dit werk is ongetwijfeld een der meest boeiende en spannende boeken,

welke van dezen, zoo bekenden schrijver zijn verschenen.

Op treffende wijze, geeft hij hierin een romantisch beeld, van het

spannende, emotievolle bestaan der vlieghelden.

+Bij elken Boekhandelaar+

+verkrijgbaar.+

[Transcriber's notes

Het papieren boek accentueert sommige woorden met uitgebreidere

letterafstand ("expanded letter-spacing"). In de 'platte-tekst'-

versie wordt dit met underscores aangegeven:

_gespatieerde tekst_ -> g e s p a t i e e r d e t e k s t

Bladzijdenummers zijn in de 'platte-tekst'-versie weggelaten.

In de HTML-versie zijn ze wel zichtbaar, maar virtueel, wat het

voordeel heeft dat u kunt zoeken op tekst-fragmenten zonder dat de

bladzijde-nummers het zoeken hinderen. Dit werkt alleen als de

bladzijdenummers in de tekst staan (maar niet in de kantlijn).

Bladzijdenummers staan aan het begin van een bladzijde. Dus waar

bijvoorbeeld [p.2] staat, begint bladzijde 2.

Als u de weergave van de bladzijde-nummers wilt aanpassen, kijk

dan met een tekstverwerker in het <style> blok naar de CSS-

klassen [.pagenum] (voor bladzijde-nummers) en [.hyphen] voor

afbreekstreepjes

Voor de hand liggende interpunctie fouten zijn gecorrigeerd maar

worden hier verder niet genoemd.

Dit boek bevat een aantal zetfouten.

De volgende zetfouten zijn gecorrigeerd:

[niet-zelf-richtende reddingboot] ->

[niet-zelfrichtende reddingboot]

[een algemeen gegemopper,] -> [een algemeen gemopper,]

[bediening der toestelllen] -> [bediening der toestellen]

[oostersche mogendheid] -> [Oostersche mogendheid]

Zie het vergelijkbare [Aziatische] in de tekst.

[plooiig over] -> [plooiïg over]

Zie ook vergelijkbare woorden: [goeiïg] en [lawaaiïg] in tekst.

[mesroom] -> [messroom]

Enkele fouten die waarschijnlijk van de schrijver afkomstig zijn

en niet van de zetter, zijn niet gecorrigeerd. Voor de

volledigheid worden ze hier wel genoemd:

Bij een aantal hoofdstuktitels is er verschil in schrijfwijze

tussen inhoudsopgave en het daadwerkelijke hoofdstuk. Dit wordt

veroorzaakt doordat de hoofdstuktitel in een illustratie is

verwerkt:

[In den Onderzeeër] /

[In een Onderzeeër]

[Hollandsche Scheepsspreekwoorden] /

[Scheepsspreekwoorden]

[Met de Koningin aan boord van een onzer Oorlogsschepen] /

[Met de Koningin aan boord van een onzer Oorlogschepen]

[Een overlevende van Shimonoseki] /

[Een overlevende van/de Shimonoseki]

[Van oude Uithangborden] /

[Op oude Uithangborden]

[De Millioenen van de Lutine] /

[De Millioenen-schat op/den Zeebodem]

[oorlogsschip] / [oorlogschip]

Eerstgenoemde spelling komt 5x voor, laatstgenoemde 12x. Het

woord is een samenvoeging van de woorden "oorlog" en "schip"

waar tegenwoordig een "s" wordt toegevoegd. Omdat vergelijkbare

woorden in dit boek ook op twee wijzen geschreven worden, is

hierop geen correctie toegepast.

[een weddingschap]

Alhoewel dit op een foutief gebruik van het Engelse woord

"wedding" lijkt, is dit de Vlaamse schrijfwijze voor

[een weddenschap]

[Zuider-Zee] / [Zuider-Zee-vaarder] / [Zuider-zee] / [Zuiderzee-

haventje] / [Zuiderzee-visschersman]

Door elkaar gebruikte hoofd- en kleine letter "z" in "zee",

evenals soms een koppelteken tussen "Zuider" en "zee" en soms

niet.

[Spaansche matten]

Men zou kunnen denken dat hier "Spaansche munten" moet staan.

Het is echter correct, en was de Nederlandse bijnaam voor

zilvermunten van 8 real.

]

In de Hollandsche Branding · 第 16 / 16 题