's Avonds in de schemering komt mijn vriend Adil Effendi. Kent hij dat
badhuis Hamam al Schefah? Ja, zegt Adil Effendi: hij kent dat. Maar 't
is een echt armeluis-badhuis. Wie ons daar in ziet gaan, zal ons niet
achten. Heeft hij wel eens van die legenden gehoord? Maar Adil Effendi
is héél sceptisch geworden, sinds hij werkt in de Engelsche Regeering.
Het gaat de Mohammedaansche jeugd, zooals de Joodsche: een tikje
materialistisch, een tikje ijdel, een tikje genotzuchtig. Daarnaast
heeft de Joodsche jeugd toch meer nationalistisch idealisme voor het
land en de taal. Donkere bronnen. Wie ontsluit ze te juister tijd! Neen,
zegt mijn vriend Adil Effendi, peinzend in de schemering: "ik geloof
nog wel aan Allah, maar niet aan al die andere verhalen. En ik geloof,
dat mijn broer, Subhi Effendi, ook niet meer aan Allah gelooft."
Hij smookt zijn sigaretje tusschen spitse lippen en hij tipt asch met
een fijnen vinger. "Mijn vriend," zegt Adil Effendi, "gij hebt dien
ouden boom wel gekend, voor het huis van mijn broeder Abdoel Salaam? Men
heeft altijd gezegd: wanneer die boom neervalt, dan gaat ook het
Turksche rijk uit elkander. En gij weet met den grooten sneeuwval? Toen
heeft de boom wel geleden. En Abdoel Salaam, die een wijs man is, heeft
hem laten omhakken. Achmad en Aboe Joessoef hebben dat gedaan. Omdat de
boom heel hinderlijk was voor de automobielen van de East Compagnie.
Abdoel Salaam heeft al het hout gekregen en de Compagnie heeft een mooie
baksjis; gegeven aan Achmad en Aboe Joessoef. Heeft Turkije iets te
maken met dien boom? En de Zagjunien met een put?"
En dan zucht ik en ik vrees, dat de juiste tijd voor mijn vriend Adil
Effendi nog niet is gekomen.