De bloedige koning kreeg tijding van hunne zegepralen. De dood beloerde
dien beul, wiens lichaam opgevreten werd door de wormen. Door de gangen
van 't kasteel van Valladolid sleepte hij, ziekelijk en terugstootend,
zijn gezwollen voeten en zijn loodzware beenen. Nimmer neurde hij een
liedeken, de wreedaardige beul; als de Oosterkim kleurde, lachte hij
niet, en als de zonne zijn rijk verlichtte als met een glimlach des
Heeren, voelde hij geen de minste vreugd in zijn hert.
Maar Uilenspiegel, Lamme en Nele zongen als lijsters, waagden bestendig
hun leven; God schiep den dag en zij gingen er door, en zij vonden
meer genoegen in het uitdooven van eenen brandstapel, dan de zwarte
koning vreugde smaakte in het verbranden van gansch eene stad.
In dien tijd ook was Willem de Zwijger, Prins van Oranje, gedwongen
messire Lumey, graaf van der Marck, zijnen graad van admiraal te
ontnemen, uit oorzake van de ijselijke wreedheden, die hij bedreef. Hij
benoemde messire Bouwen Ewoutsen Worst in zijne plaats. Hij zag mede
naar middelen uit om den boeren het koren te betalen, dat de Geuzen
hadden genomen; om de gedwongen schattingen terug te geven, die
door dezen gelicht waren; om den Roomschen, gelijk een iegelijk, de
vrije beoefening van hunnen godsdienst te schenken, zonder vervolging
of nadeel.