XI.

Het was een stikdonkere nacht; de storm loeide in de zwarte, sombere

wolken; Uilenspiegel stond met Nele op het dek van het schip en sprak

tot heur:

--Al onze vuren zijn uitgedoofd. Wij zijn vossen, die des nachts

azen op Spaansch wild, 't is te zeggen op hunne twee en twintig

bodemen, rijke schepen waarop lanteernen flikkeren, welke voor hen

ongelukssterren zijn. En wij, wij zullen ze overvallen.

Nele sprak:

--Deze nacht is een tooveraarsnacht. De hemel is zwart als de monding

der hel, de bliksemschichten flikkeren als de grimlach van Satan, de

verre storm bromt met een dof geloei, de meeuwen vliegen met schelle

kreten voorbij; de zee rolt heure lichtende golven als zilveren

slangen. Thijl, mijn geliefde, kom mee in de wereld der geesten! Neem

het tooverpoeder!

--Zal ik de Zeven zien, liefste?

En zij aten het tooverpoeder.

En Nele sloot Uilenspiegel's oogen, en Uilenspiegel sloot Nele's

oogen. En zij zagen een verschrikkelijk schouwspel.

Hemel, aarde en zee waren vol mannen, vrouwlieden, kinderen, die

wrochten, dobberden, liepen of droomden. De zee slingerde hen, de

aarde droeg hen. En zij krielden als palingen in eene ben.

Op tronen in 't midden van den hemel, zaten zeven mannen en

vrouwen, met een flikkerende ster op het voorhoofd; maar zij waren

zoo onduidelijk, dat Nele en Uilenspiegel alleen hunne sterren

onderscheiden konden.

De zee steeg omhoog tot den hemel en rolde in heur schuim de ontelbare

menigte schepen mede, welker masten en touwen tegen elkander stieten,

braken, verpletterden naar gelang van de onstuimige bewegingen der

golven. Toen verscheen een schip te midden van al de anderen. Zijne

buitenhuid was van vlammend ijzer. Zijne kiel was van staal,

scherp als een mes. Het water schreeuwde, zuchtte als zij het

doorkliefde. Grijnzend zat de Dood op de achterplecht van het schip,

met zijne zeis in eene hand en in de andere een zweep, met dewelke

hij de zeven personages sloeg. Een derzelven was een treurige,

magere, trotsche, stilzwijgende vrouw. In eene hand hield zij een

schepter en, in de andere, een zweerd. Naast haar zat eene vrouw met

vuurroode wangen schrijlings op eene geit; met heur bloote borsten,

heur halfgeopend kleed, heur wulpsche oogen, strekte zij zich ontuchtig

uit naast een oude jodin, die roestige nagelen opraapte, en een dikke,

opgezwollen vrouw, die nederviel telkens dat zij heur rechthielp,

terwijl een magere man beiden razend sloeg. Noch de dikke vrouw,

noch hare roodwangige gezellin sloegen weder. Midden onder hen zat

een monnik worsten te eten. Eene vrouw, die ten gronde lag, kroop als

eene slang tusschen de anderen. Zij beet de oude jodin ter oorzake

van hare nagelen, de opgeblazen vrouw omdat zij te veel genoegen had,

de roodwangige vrouw ter oorzake van den vochtigen glans heurer oogen,

den monnik om zijne worsten, en de magere vrouw ter oorzake van haren

schepter. En allen vochten weldra met elkander.

Toen zij voorbijvoeren, was het gevecht verschrikkelijk op de zee,

in den hemel en op de aarde. Het regende bloed. De schepen werden

geslecht met bijlen, met bussen, met kanonnen. De stukken vlogen in

de lucht, te midden van den rook van het kruit. Op de aarde stieten

de heiren tegen elkander als muren van staal. Steden, dorpen, oogsten

brandden onder kreten en tranen; hooge torens, als kantwerk van steen,

wierpen hunne schaduwen op het midden van 't vuur en vielen neder,

als gevelde eiken, met een vreeselijk gekraak. Eene menigte zwarte

ruiters, dicht bijeengedrongen als benden mieren, met het zweerd in

de hand, de pistool in de vuist, sloegen de mannen, de vrouwlieden

en kinderen. Eenigen kapten bijten in 't ijs en smeten de grijsaards

levend onder de schotsen; anderen sneden de borsten der vrouwen af en

strooiden peper in de gapende wonden; anderen nog hingen de kinderen

in de schoorsteenen op. Zij, die moede van slaan waren, verkrachtten

een meideken of eene vrouw, dronken, dobbelden, en roerden stapels

goudstukken--vrucht van de plundering--met hunne handen, waaraan nog

bloed kleefde.

De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders · 第 170 / 195 题