Eens, in de Oogstmaand, op een zwaren en warmen dag, was Lamme
droefgeestig. Zijn blijde trom zweeg en sliep stil, de stokken
staken weemoedig uit de opening zijner tassche. Uilenspiegel en
Nele, glimlachend van blijde minne, koesterden zich in de zonne; de
matrozen op kijkuit in de marsen, floten of zongen, en tuurden naar
de wijde zee, om te weten of zij geene prooi aan den gezichteinder
zagen. Treslong ondervroeg hen, en steeds antwoordden zij: Niets!
En Lamme, bleek en afgemat, zuchtte jammerlijk. En Nele zei hem:
--Hoe komt het, Lamme, dat gij zoo treurig gestemd zijt?
En Uilenspiegel zei hem:
--Gij wordt mager, mijn jongen.
--ja, zeide Lamme, ik ben treurig en mager. Mijn hert verliest zijne
vroolijkheid, en mijn goede tronie heure frischheid. Ja, lacht maar met
mij, gijlie, die, na duizenden gevaren, elkander terugvondt. Spot maar
met den armen Lamme, die, getrouwd zijnde, leeft als een weduwnaar,
terwijl deze hier--zeide hij, naar Nele wijzend--heuren man moest
ontrukken aan de kussen der koorde, welke toch zijne laatste
minnaresse zal wezen. Zij deed wel, God zij geloofd; maar dat ze
niet lache met mij. Ja, Nele, mijne vriendin, gij moet met den armen
Lamme niet spotten. Mijne vrouw lacht voor tien, laas! gijlie vrouwen
zijt ongevoelig voor eens andermans leed. Ja, mijn hert is treurig,
het is getroffen door het zweerd der verlatenheid; en niets zal het
kunnen versterken, dan zij.
--Of een lekkere stoverije, zeide Uilenspiegel.
--Ja, zeide Lamme, waar is het vleesch hier op dit treurig schip? Op
de bodems des konings hebben zij viermaal vleesch in de week--als er
geene vasten in valt--en driemaal visch. Wat aangaat de visch, ik mag
verdoemd zijn als die bloedlooze vezelen iets anders doen dan nutteloos
mijn arm bloed ontsteken, dat binnenkort in water zal vergaan. De
Spanjolen hebben bier, kaas, soep en goede dranken. Ja, om hunne
magen te streelen, hebben zij alles: beschuit, peperkoek, bier, boter,
gerookt vleesch; ja alles: gedroogde visch, kaas, mosterdzaad, zout,
boonen, erwten, gort, azijn, olie, vet, hout en kolen. Ons komt men
verbieden het beestiaal te nemen van wie hoegenaamd, 't zij poorter,
abt of edelman. Wij eten haring en drinken kort bier. Laas! niets heb
ik nog: noch liefde der vrouw, noch goeden wijn, noch dobbel bruinbier,
noch lekkere spijzen. Waar is hier onze vreugde?
--Ik ga het u zeggen, Lamme, antwoordde Uilenspiegel. Oog om oog, tand
om tand: te Parijs hebben ze, in den Bartholomeusnacht, tienduizend
vrije herten gedood in de stad alleen; de koning zelf schoot naar zijn
volk! Ontwaak, Vlaming, grijp naar de bijl, zonder genade! Dáár ligt
onze vreugde. Tref de vijanden, 't zij Roomschen of Spanjaards, overal
waar gij ze vindt. Denk thans niet aan uwen buik. De slachtofferen,
doode en levende, allen ondereen, werden gebracht naar den stroom
en met gansche karrevrachten in 't water gestort. Hoort gij, Lamme,
dooden en levenden, allen ondereen? Negen dagen lang was de Seine rood
van het bloed, en de raven vielen bij zwermen op de stad neder. Te
La Charité, te Rouaan, Toulouse, Lyon, Bordeaux, Bourges, Meaux was
de slachting afgrijselijk. Ziet gij die benden volgekropte honden
liggen omtrent de lijken? Hunne tanden zijn moede. De vlucht van de
raven is log, zoodanig is heure maag overlast met het vleesch van de
slachtofferen. Hoort gij, Lamme, de stemme der zielen, die dorsten
naar wraak? Ontwaak, Vlaming. Gij spreekt van uwe vrouw. Ik geloof
niet dat ze ontrouw is, maar enkel waanzinnig, en zij bemint u nog
steeds, arme vriend: zij bevond zich niet te midden dier hofdamen,
dier wulpsche vampieren, welke, den nacht zelven der slachting, met
heur fijne handjes de lijken ontblootten. En zij lachten van genot,
die adellijke hoeren! Verheug u, mijn vriend, niettegenstaande uwe
visch en uw kort bier. Is de nasmaak van haring wat flauw, flauwer nog
is de reuk van die laagheid! Zij, die gemoord hebben, gastreeren nu;
en met hunne handen, waar nog bloed aan kleeft, ziet men ze vette
ganzen voorsnijden, om de vleugels, de billen en de stuit te bieden
aan schoone freules van Parijs. Zoo even tastten die jonkvrouwen naar
ander vleesch, naar koud vleesch!
--Ik zal nimmermeer klagen, zeide Lamme rechtstaande: haring is zalm,
kort bier is malvezij voor vrije herten! Vive le Geus!
En Uilenspiegel sprak:
Leve de Geus! Niet weenen broeders.
In puinen en bloed
Bloeit de roos der vrijheid.
Is God met ons, wie tegen?
Zegeviert de hyena,
Dra komt de leeuw.
Met één klauwslag werpt hij haar, gescheurd, ten gronde.
Oog voor oog, tand voor tand. Leve de Geus.
En de Geuzen op de schepen zongen:
De hertog bescheert ons het eigenst lot.
Oog voor oog, tand voor tand,
Wond voor wond. Leve de Geus!