Badend in tranen, kwam 't meideken zeggen tot Lamme en tot
Uilenspiegel:
--Te Meulestede laat Spelle, voor geld, moordenaars en coquinen
ontsnappen. En onschuldigen doet hij ter dood brengen. Mijn broeder
Michielken is onder hen. Laas! laat mij het U zeggen: gij zijt
mannen, gij zult hem wreken. Een eerlooze, ontuchtige vuilbaard,
Pieter de Roose, bevlekker van kinderen en verleider van meidekens,
is de oorzaak van al het kwaad. Laas! mijn arme broeder Michielken
en Pieter de Roose zaten op een avond, doch niet aan dezelfde tafel,
in de taveerne den Valk, alwaar Pieter de Roose door een iegelijk
geschuwd werd als de pest.
... Mijn broeder, die met hem in dezelfde zaal niet wilde vertoeven,
schold hem uit voor vuilbaard en beval hem onmiddellijk zijne biezen
te pakken.
... Pieter de Roose antwoordde:
--De broeder van een publieke loddege zou minder van zijnen neus
moeten maken,
... Hij loog, want ik ben geen publieke loddege; ik geef mij alleen
aan hen, die ik minne.
... Toen smeet Michielken hem zijn pint klauwaard naar den kop, hem
toeroepende dat hij er om loog, lijk een smerige vuilbaard die hij was;
daarbij bedreigde hij hem met eene aftelling naar de eerste goesting,
als hij niet dadelijk opkraamde.
... De andere wilde nog antwoorden, doch Michielken deed als hij
gezegd had: hij sloeg tweemaal met de vuist op zijn aangezicht en
trok hem bij den snoet op de straat, alwaar hij hem, zonder deernis,
gansch bebloed en gekneusd op een mesthoop smeet.
... Als Pieter de Roose, die in alleenigheid niet kon leven, genezen
was, ging hij in het Vagevier, eene taveerne, die heuren naam niet
gestolen heeft; zóó treurig en somber is zij, dat zij maar bezocht
wordt door arme lieden en bedelaars. Daar ook werd hij alleen gelaten,
geschuwd, zelfs door de armzalige menschen. En niemand richtte het
woord tot hem, behalve eenige boeren, die hem niet kenden, en eenige
truwanten en diepers of weggeloopen soldaten. Herhaalde malen zelfs
werd hij er geslagen, want hij is twistziek van aard.
... Toen provoost Spelle met zijne beide hangmannen te Meulestede
kwam, volgde Pieter de Roose hem overal op als een hond; op dezes
kosten propte Spelle zich vol met wijn, met vleesch en smaakte alle
genoegens, die voor geld te koop zijn. Zoo werd Pieter de Roose hun
vriend en metgezel en deed hij alles wat zijn slecht karakter hem
ingaf om degenen te folteren, die hij verfoeide, en dat waren al de
inwoners van Meulestede, doch mijn armen broeder het meest.
... Eerst en vooral begon hij met Michielken. Valsche getuigen,
rabauwen, die gretig naar guldens waren, verklaarden dat Michielken een
heretiek was, dat hij vuile reden gehouden had over Onze-Lieve-Vrouwe,
en meermalen den naam van God en de santen en santinnen gelasterd
had in de taveerne den Valk, en dat hij daarenboven voor 't minst
driehonderd florijnen in eene kist liggen had.
... Alhoewel de getuigen geenszins van goed en zedelijk gedrag
waren, werd Michielken gevangengenomen. Daar Spelle en zijne knechten
verklaard hadden, dat de bewijzen voldoende waren om den beschuldigde
op de pijnbank te leggen, werd Michielken bij de armen gehangen aan
eene katrol, die in de zoldering vastgemaakt was, nadat men aan elken
zijner voeten een gewicht van vijftig pond had gebonden.
... Hij loochende het stuk en zei dat, zoo er te Meulestede een
truwant, een rabauw, een godslasteraar en een vuilbaard liep, het
wel Pieter de Roose was, maar hij niet.
... Doch Spelle wilde niets hooren, en beval den beulsknechten
Michielken op te trekken tot aan de zoldering en hem vervolgens in eens
te laten nedervallen, met de gewichten aan zijne voeten. Dat deden zij,
en wel zoo wreedelijk, dat de huid en de spieren van den ongelukkige
vaneenscheurden en dat de voeten nog nauwelijks aan de beenen hingen.
... Michielken volhardde in zijne verklaring, dat hij onschuldig was;
Spelle deed hem opnieuw folteren en liet hem verstaan dat hij hem
vrijelijk zou laten henengaan, zoo hij hem honderd gulden wilde ter
hand stellen.
... Michielken zei, dat hij nog liever alle tormenten verduurde.
... Toen die van Meulestede de gevangenneming vernomen hadden, wilden
zij bij hoopen voor Michielken komen getuigen.
... Michielken is geen ketter, zeiden eenstemmig al de goede burgers
van de gemeente, want hij ging alle Zondagen naar de misse en
naderde alle hoogdagen de heilige tafel; zij getuigden verder, dat
hij over Onze-Lieve-Vrouwe nooit eenig andere rede gehouden had dan
heure hulp in te roepen in moeilijke aangelegenheden; dat hij nooit
kwaad gesproken had van eenige vrouw op aarde, en hij dienvolgens
het nog minder hadde gedurfd van de hemelsche moeder Gods. Wat de
godslasteringen betreft, die de valsche getuigen, naar hun zeggen,
in de taveerne den Valk hadden hooren uitbraken, dat was gelogen van
't begin tot het einde, zeiden de getuigen.
... Toen werd Michielken losgelaten, en de valsche getuigen
gestraft. En Spelle deed Pieter de Roose voor zijne vierschaar
verschijnen, doch liet hem weder los, zonder een onderzoek te doen
of hem op de pijnbank te leggen, mits honderd gulden aanstonds betaald.
... Pieter de Roose vluchtte uit Meulestede, uit vreeze dat het
hem nog blijvende geld opnieuw de aandacht van Spelle zou wekken,
terwijl Michielken, mijn arme broeder, stierf van den kanker, die
zich aan zijne voeten gezet had.
... Hij, die mij niet meer bezien wilde, deed mij toch roepen om mij
te zeggen goed te letten op het vuur, dat brandt in mijn lichaam,
en dat mij zeker naar de helle zou leiden. En ik kon slechts weenen,
want het vuur brandt in mijn lichaam, en het is mijne schuld niet.
... En in mijne armen gaf hij den geest.
--Ha! zeide zij, hij, die op Spelle den dood van mijn zoeten en
beminden broeder zou wreken, zou voor eeuwig mijn meester zijn, en
'k zou hem gehoorzamen als een gewillige hond.
Terwijl zij sprak, klopte de assche van Klaas op Uilenspiegel's borst.
En hij besloot Spelle, den moordenaar, te doen hangen.
Boelkin, zoo was de naam van het meideken, keerde gerust terug naar
heur huis te Meulestede, zonder de wraak van Pieter de Roose te
vreezen, want een koerier, die voor zaken naar Destelbergen gekomen
was, verwittigde heur dat de parochiepaap en de poorters verklaard
hadden, dat zij Spelle vóór den hertog zouden doen verschijnen,
bijaldien hij de hand dorst leggen op de zuster van Michielken.
Uilenspiegel, die het meideken vergezelschapt had naar Meulestede,
kwam in de benedenkamer van het huis van Michielken, en zag daar het
konterfeitsel van een meester-pasteibakker.
Hij veronderstelde dat dit het portret van den armen doode was.
En Boelkin zeide:
--Dat is mijn rampzalige broeder.
Uilenspiegel nam het konterfeitsel en sprak:
--Spelle wordt gehangen!
--Hoe zult ge dat doen? vroeg zij.
--Moest gij het weten, antwoordde hij, dan zoudt gij geenerlei genoegen
meer smaken als gij het ziet.
Boelkin schudde het hoofd en zei met jammerende stemme:
--Gij hebt geen vertrouwen in mij.
--Hoe zoo? sprak Uilenspiegel. Is het integendeel geen groot bewijs
van vertrouwen als ik u zeg: "Spelle wordt gehangen?" Met dat woord
alleen kunt gij mij doen hangen vóór hem.
--Inderdaad, antwoordde zij.
--Dus, hernam Uilenspiegel, haal mij wat goede klei, een dobbele
pint bruinbier, klaar water en eenige sneden ossevleesch. Alles moet
afzonderlijk zijn.
... Het vleesch is voor mij, het bruinbier voor het vleesch, het
water voor de klei en de klei voor het konterfeitsel.
Uilenspiegel at en dronk, terwijl hij de klei kneedde; soms at hij
er wel een brokje van, doch daar sloeg hij geen acht op, want heel
aandachtig beschouwde hij het konterfeitsel van Boelkin's broeder.
Toen de klei gekneed was, maakte hij daarvan een masker, met een neus,
eenen mond, oogen en ooren, dat zulke groote gelijkenis had met de
trekken van den doode, dat Boelkin er oprecht over verwonderd was.
Daarna legde hij het masker in den oven te drogen. Toen het droog
was, beschilderde hij het met de kleur van de lijken, met verwilderde
oogen en een pijnlijk en getrokken gelaat, als dat van een zieltogende.
Toen was het meideken niet meer verwonderd, doch ze bekeek het masker,
zonder er van de oogen te kunnen slaan; ze werd bleek, ontstelde,
bedekte heur gezicht met de handen, en huiverend sprak zij:
--Hij is het, mijn arm Michielken!
Met klei maakte Uilenspiegel ook twee bloedige voeten.
Boelkin, die van heur eersten schrik bekomen was, zei op plechtigen
toon:
--Gezegend is hij, die den moordenaar zal vermoorden.
Uilenspiegel nam het masker en de voeten en sprak:
--Nu moet ik iemand hebben, die mij wil helpen.
Boelkin antwoordde:
--Ga naar de Blauwe Gans, bij Joost Lansaem van Ieperen, dewelke deze
taveerne houdt. Hij was de beste kameraad, de trouwste vriend van
mijn ongelukkigen broeder. Zeg hem, dat het Boelkin is, die u zendt.
Uilenspiegel deed zooals zij hem heette.
Na zijn dagelijksch werk voor den dood, ging provoost Spelle 's
avonds in de Valk warmen dobbelen klauwaard drinken, die gekookt was
met kaneel en met Madeira-suiker. Uit vreeze van gehangen te worden,
dorst men hem, in de afspanning, niets weigeren.
Pieter de Roose, die weer moed gevat had, was naar Meulestede
teruggekeerd. Overal volgde hij Spelle en zijne beulsknechten, om
door hen beschermd te worden.
En Spelle trakteerde hem soms. En samen dronken zij blijde met het
geld der onschuldige slachtofferen.
Maar de taveerne de Valk werd niet meer bezocht zooals in de schoone
dagen dat het dorpje in vrede leefde, den Heer rechtzinnig diende en
nog niet gekweld werd op het stuk van religie. Nu, echter, was het
als in rouw gehuld; dat zag men aan zijn menigvuldige ledige huizen,
aan zijn eenzame straten, waar enkel eenige magere honden rondzwierven,
die in de mesthoopen wroetten, om hun eten te zoeken.
In Meulestede was er geene plaats meer dan voor de twee booswichten. De
verschrikte inwoners zagen hen heel den dag overmoedig rondloopen,
de huizen der aanstaande slachtofferen teekenen, de doodenlijsten
opmaken. En als zij 's avonds, onder 't zingen van vuile
liedekens, van den Valk terugkeerden, werden ze gevolgd door twee
beulsknechten, dronken als zij, en van top tot teen gewapend om hen
te vergezelschappen.
Uilenspiegel ging in de Blauwe Gans, bij Joost Lansaem, die achter
zijnen toog stond.
Uilenspiegel trok een fleschje brandewijn uit zijnen zak en zei tot
den baas:
--Boelkin heeft zoo twee tonnen te verkoopen.
--Kom binnen in de keuken, zei de baas.
Hij sloot de keukendeur achter zich en bezag Uilenspiegel vlak in
de oogen.
--Gij zijt geen koopman in brandewijn, sprak hij, wat beteekent uw
knipoogen? Wie zijt gij?
Uilenspiegel antwoordde:
--Ik ben de zoon van Klaas, die te Damme verbrand werd; de assche van
den doode klopt op mijne borst: ik wil Spelle den moordenaar dooden.
--Is 't Boelkin, die u zendt? vroeg de weerd.
--Boelkin zendt mij bij u, antwoordde Uilenspiegel. Ik zal Spelle
dooden en gij zult mij helpen.
--Ik wil, zegde de baas. Wat moet ik doen?
Uilenspiegel antwoordde:
--Ga bij den parochiepaap, die, als een goede herder, de vijand van
Spelle is. Verzamel uwe vrienden en kom morgen, na de slaapklok,
met hen op de Evergemsche baan, voorbij het huis van Spelle, tusschen
den Valk en het huis van dien snoodaard. Gij moet allen in de schaduw
blijven en moogt geen witte kleeren aanhebben. Op klokslag tien zult
gij Spelle uit de herberg zien komen, terwijl van den anderen kant
een wagen zal komen aanrijden.
... Dezen avond moogt gij uwe vrienden niet verwittigen; zij
slapen te dicht bij de ooren hunner vrouw. Eerst morgen zult gij ze
opzoeken. Komt, luistert goed, en weest alles indachtig.
--Wij zullen alles onthouden, sprak Joost.
En, met zijnen beker in de hand, sprak hij:
--Ik drink op de koorde van Spelle!
--Op zijne koorde! sprak Uilenspiegel.
Daarop keerde hij met den baas terug in de gelagkamer, waar eenige
Gentsche oude-kleerkoopers zaten te drinken. Zij kwamen van de
Zaterdagsmerkt, te Brugge, alwaar zij, tegen goeden prijs, zilver-
en goudlakensche wambuizen en opperste kleederen verschacherd hadden,
dewelke zij voor eenige oortjes gekocht hadden van edelen, die ten
onder gegaan waren door de weelde der Spanjaards te willen evenaren.
En zij gastreerden luidruchtig op de groote winsten, die zij behaald
hadden.
Uilenspiegel en Joost Lansaem gingen in eenen hoek zitten en, onder
't drinken, kwamen zij overeen, zonder gehoord te worden, dat Joost
bij den parochiepaap zou gaan, die kwaad was op Spelle, den moordenaar
van zoovele onschuldige slachtofferen.
Daarna zou hij de vrienden gaan vinden.
's Anderen daags kwamen de vrienden van Michielken, die verwittigd
waren, bijeen bij Joost Lansaem in de Blauwe Gans, alwaar zij, als naar
gewoonte en om hunne inzichten te verbergen, pinten op pinten dronken.
Bij de slaapklok gingen zij henen en begaven zich, langs verschillende
wegen, naar de Evergemsche baan.
Zij waren zeventien in getal.
Op slag van tien uren kwam Spelle uit den Valk, gevolgd door zijne
twee beulsknechten en door Pieter de Roose.
Lansaem en zijne gezellen waren verscholen in de schuur van Samson
Boone, een vriend van Michielken.
Spelle kon hen niet zien.
De vrienden van Michielken hoorden hem zwijmelend voorbijgaan, alsook
Pieter de Roose en de beide beulsknechten.
Met een zware tong, stamelde Spelle hikkend en snikkend:
--Provoosten! provoosten! die hebben hier op Gods aarde goed leven;
komaan, truwanten, die van mijn overschot leeft, ondersteunt mij toch
een beetje!
Maar, op den steenweg, van den kant van den kouter, hoorde men op
eens het gebalk van een ezel en 't geklap eener zweep.
--Dat moet een weerspannige ezel zijn, zij Spelle, want hij wil niet
vooruit, niettegenstaande het vriendelijk verzoek van de zweep.
Plotseling hoorde men een groot wielengeknars en eenen wagen, die
onstuimig over den steenweg stormde.
--Houdt hem tegen! riep Spelle.
Toen de wagen dicht bij hen was, sprongen Spelle en zijne twee
beulsknechten naar den kop van den ezel.
--In dien wagen steekt niets, hij is teenemaal ledig, sprak een van
de beulsknechten.
--Lomperik, zei Spelle, sedert wanneer rijden de wagens 's nachts
heel alleen op de baan? In dien wagen is iemand, die zich verbergt;
spoedt u, steekt de lanteernen aan en heft ze omhoog, ik zal kijken.
De lanteernen werden aangestoken en Spelle klom op den wagen met
zijne lanteerne in de hand; maar nauwelijks had hij gekeken, of hij
slaakte een grooten schreeuw en viel achterover, gillend:
--Michielken! Michielken! Jezus, ontferm u mijner!
In een hoek van den wagen stond een man, die in 't wit gekleed was,
lijk de pasteibakkers, en die, in de beide handen, bloedige voeten
vasthield.
Toen Pieter de Roose den man zag, die nu door het licht der lanteernen
beschenen was, riep hij als waanzinnig:
--Michielken! Michielken!
En de twee beulsknechten klappertandden en fluisterden:
--Michielken! Heer, ontferm u onzer!
Op het gerucht kwamen de zeventien vrienden bij, om het schouwspel
te zien, en allen verschrikten toen zij, bij het zilveren licht van
de maan, de treffende gelijkenis zagen van Michielken, den armen doode.
En de gedaante zwaaide steeds met de bloedige voeten.
Het was zijn zelfde vol en rond gezicht, doch verbleekt door den
dood, en grimmig, sneeuwwit keek het dreigend toe, en aan de kin
waren reeds de wormen aan 't knagen.
Het spook, dat altijd met de bloedige voeten zwaaide, zei met holle
stem tot Spelle, die op den rug lag te zuchten:
--Spelle! provoost Spelle, word wakker!
Maar Spelle verroerde zich niet.
--Spelle, sprak het spook opnieuw, provoost Spelle, word wakker,
of ik sleep u in den gapenden mond van de helle.
Spelle sukkelde recht en riep jammerlijk, met de haren te berge
van schrik:
--Michielken! Michielken! heb medelijden!
De poorters waren nader gekomen, doch Spelle zag niets anders dan de
lichtjes hunner lanteernen, die hij voor oogen van duivelen nam. Zoo,
ten minste, bekende hij later.
--Spelle, vervolgde de schim van Michielken, zijt gij tot sterven
bereid?
--Tot sterven, neen, antwoordde de provoost, neen, messire Michielken,
daar ben ik niet toe bereid, want ik wil vóór God niet verschijnen,
beladen met zoo menigvuldige zonden.
--Herkent gij mij? vroeg het spook.
--God weze mij genadig, zuchtte Spelle; ja, ik herken u; gij zijt
het spook van Michielken, den pasteibakker, die onschuldig stierf
in zijn bed, ten gevolge van de pijnen der foltering; en de twee
bloedige voeten zijn die, aan ieder derwelke ik een gewicht van
vijftig pond deed hangen. Ha! Michielken, ontferm u mijner, schenk
mij vergiffenis; die Pieter de Roose heeft mij in bekoring gebracht;
hij bood mij vijftig gulden, en ik heb ze aanveerd, om uwen naam in
het doodenboek te schrijven.
--Wilt gij biechten? vroeg het spook.
--Ja, messire, zeker wil ik biechten, alles bekennen en penitentie
doen. Maar verweerdig u toch die duivelen te doen weggaan, die daar
staan, bereid om mij te verslinden. Ik zal alles bekennen. Verwijder
die oogen van vuur! Ik heb hetzelfde gedaan te Doornijk, met vijf
onschuldige poorters, en ook te Brugge, met vier andere. Ik weet hunne
namen niet meer, maar ik zal ze opzoeken en ze u zeggen, als gij wilt;
elders nog heb ik insgelijks gezondigd, heer, en door mijn toedoen
zijn negen en zestig onschuldige martelaren ten grave gedaald.
... Michielken, de koning moest geld hebben. Men had het mij laten
weten, doch ik ook moest er hebben; het is te Gent, in den kelder,
onder de vloersteenen, bij de oude Gravels, mijn echte moeder. Ik
heb alles, alles gezegd; genade en ontferming! Doe de duivelen
weggaan. Heere God! Heilige Maagd Maria, wees mijn voorspreekster;
verwijder de vuren der helle! Ik zal alles verkoopen, alles aan de
arme geven en mijn leven lang boetveerdigheid plegen.
Uilenspiegel, ziende dat de menigte der toegeloopen poorters bereid
was om hem ter zijde te staan, sprong van den wagen naar de keel van
Spelle en wilde hem verworgen.
Maar de pastoor kwam bij.
--Laat hem leven, sprak hij, het is beter dat hij door beulshanden
sterve dan door die van een spook.
--Wat wilt gij er mee doen? vroeg Uilenspiegel.
--Hem vóór den hertog beschuldigen en naar verdienste doen hangen,
antwoordde de parochiepaap. Maar wie zijt gij? vroeg hij.
--Ik ben, antwoordde Uilenspiegel, het masker van Michielken en een
arme Vlaamsche vos, die terug naar zijn hol trekt, uit vreeze voor
de Spaansche jagers.
Intusschen nam Pieter de Roose in aller ijl de vlucht.
En Spelle werd gevonnist en gehangen, en zijne goederen
verbeurdverklaard.
En de koning erfde.