XXXI.

Te Gent ging Uilenspiegel dikwijls bij Jacob Scoelap, bij Livinus

Smet en bij Jan de Wulfslaeger, die hem kond gaven van den voor-

of tegenspoed van den edelen Zwijger.

En als Uilenspiegel naar Destelbergen terugkwam, vroeg Lamme hem

telkens:

--Welk nieuws brengt gij mede? Goed of slecht?

--Laas! zeide Uilenspiegel, de Zwijger, zijn broeder Lodewijk, de

andere hoofdlieden en de Franschen hadden besloten vooruit te rukken

in Frankrijk, om zich met den prins van Condé aan te sluiten. Op die

wijze waren zij er wellicht in geslaagd het arm Belgisch vaderland

en het vrije geweten te redden. God liet dit niet toe, de Duitsche

ruiters en landsknechten weigerden verder te gaan, en zeiden dat hun

eed sprak van tegen den hertog van Alva te vechten, doch niet tegen

Frankrijk. Hij heeft hun gesmeekt hun plicht te doen, doch tevergeefs;

de Zwijger was gedwongen hen langs Champagne en Lotharingen te brengen

naar Straatsburg, van waar zij naar Duitschland terugkeerden. Alles

mislukt door dit plotseling en halsstarrig vertrek: de koning van

Frankrijk weigert, niettegenstaande zijn verdrag met den prins, het

geld te storten, dat hij hem beloofd had; de koningin van Engeland

had er hem willen zenden om de stad en het land van Kales weder in

bezit te krijgen; heure brieven werden onderschept door den hertog

van Lotharingen, die er een afwijzend antwoord op zond.

... Aldus zien wij dat schoon leger, al onze hoop op redding,

verzwinden als spoken bij den zonsopgang; maar God is met ons, en als

de aarde ons ontsnapt, zullen wij te water voortwerken. Leve de Geus!

De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders · 第 145 / 195 题