Te Gent ging Uilenspiegel dikwijls bij Jacob Scoelap, bij Livinus
Smet en bij Jan de Wulfslaeger, die hem kond gaven van den voor-
of tegenspoed van den edelen Zwijger.
En als Uilenspiegel naar Destelbergen terugkwam, vroeg Lamme hem
telkens:
--Welk nieuws brengt gij mede? Goed of slecht?
--Laas! zeide Uilenspiegel, de Zwijger, zijn broeder Lodewijk, de
andere hoofdlieden en de Franschen hadden besloten vooruit te rukken
in Frankrijk, om zich met den prins van Condé aan te sluiten. Op die
wijze waren zij er wellicht in geslaagd het arm Belgisch vaderland
en het vrije geweten te redden. God liet dit niet toe, de Duitsche
ruiters en landsknechten weigerden verder te gaan, en zeiden dat hun
eed sprak van tegen den hertog van Alva te vechten, doch niet tegen
Frankrijk. Hij heeft hun gesmeekt hun plicht te doen, doch tevergeefs;
de Zwijger was gedwongen hen langs Champagne en Lotharingen te brengen
naar Straatsburg, van waar zij naar Duitschland terugkeerden. Alles
mislukt door dit plotseling en halsstarrig vertrek: de koning van
Frankrijk weigert, niettegenstaande zijn verdrag met den prins, het
geld te storten, dat hij hem beloofd had; de koningin van Engeland
had er hem willen zenden om de stad en het land van Kales weder in
bezit te krijgen; heure brieven werden onderschept door den hertog
van Lotharingen, die er een afwijzend antwoord op zond.
... Aldus zien wij dat schoon leger, al onze hoop op redding,
verzwinden als spoken bij den zonsopgang; maar God is met ons, en als
de aarde ons ontsnapt, zullen wij te water voortwerken. Leve de Geus!