Uilenspiegel en Lamme stapten op naar Gent en kwamen met de
ochtendschemering omtrent Lokeren.
Frissche, witte dampen zweefden over de weiden.
De beide wandelaars kwamen voorbij eene smidse en Uilenspiegel
schuifelde lijk de leeuwerik, de vogel der vrijheid.
En dadelijk vertoonde zich een man met witte, lange haren, vóór de
deur van de smidse, en terstond bootste hij het dapper gekraai van
den haan na.
Uilenspiegel zeide tot Lamme:
Dat is smid Wasteele, die ploegscharen maakt, het ijzer smeedt als het
warm is om er schoone hekken voor kerkkoren van te verveerdigen, en
zeer dikwijls, 's nachts, wapenen smeedt en slijpt voor de soldaten van
het vrije geweten. Hij is vet noch gezond geworden bij dien dubbelen
arbeid, want hij is bleek als een spook, treurig als een verdoemde,
en zoo mager dat zijne beenderen door zijn vel steken. Hij is nog
niet slapen, zeker heeft hij wederom heel den nacht gewrocht.
--Komt binnen, gij beiden, zeide smid Wasteele, en brengt uwe ezelen
op de meersch, achter het huis.
Toen Uilenspiegel en Lamme dit gedaan hadden, kwamen zij terug in
de smidse en zagen, dat smid Wasteele al de zweerden in den kelder
bracht, die hij binst den nacht geslepen had, en het werk voor zijne
knechts gereedmaakte.
Uilenspiegel met doffe oogen beziende, vroeg hij hem:
--Welk nieuws brengt gij van den Zwijger?
Uilenspiegel antwoordde:
--De Prins is met zijn leger uit de Nederlanden verjaagd, ter oorzake
van de lafheid zijner huurlingen, die roepen: Geld! Geld! als er
te vechten valt. Met zijn trouwe soldaten en zijn broeder, graaf
Lodewijk, trok hij den koning van Navarra en den hugenoten ter hulp;
van daar toog hij naar Duitschland, naar Dillenburg, alwaar vele
vluchtelingen uit de Nederlanden tot hem kwamen. Gij moet wapenen
zenden en het geld dat gij opgehaald hebt, terwijl wij op zee moeten,
om het werk van vrije mannen te verrichten.
--Ik zal doen wat mij geheeten wordt, sprak smid Wasteele; ik heb
wapenen en negenduizend florijnen. Maar zijt gij hier niet gekomen
op ezelen?
--Ja, zeiden zij.
--En hebt gij, onderwege, gene tijding gehad van drie predikanten,
die gedood, uitgeplunderd en in een hol gesmeten werden op de rotsen
van de Maas?
--Ja, antwoordde Uilenspiegel met de grootste vrijmoedigheid, die
drie predikanten waren spionnen van den hertog, die betaald waren
om den prins in het verderf te brengen. Wij getweeën, Lamme en ik,
hebben hun het tijdelijke met het eeuwige doen verwisselen. Hun geld
is in ons bezit en hunne papieren insgelijks. Wij zullen er van nemen
wat ons hoeft voor onze reis, de rest zullen wij aan den prins geven.
En Uilenspiegel deed zijn wambuis open, alsmede dat van Lamme en trok
er papieren en perkamenten uit.
Smid Wasteele las ze en sprak vervolgens:
--Zij behelzen plannen van gevecht en van samenzweering. Ik zal ze den
prins doen behandigen, en er zal hem gezegd worden, dat Uilenspiegel
en Lamme Goedzak, zijn trouwe wandelaars, zijn edel leven gered
hebben. Ik ga uwe ezelen doen verkoopen, opdat men U niet aan uwe
rijdieren zou herkennen.
Uilenspiegel vroeg aan smid Wasteele of de vierschaar der schepenen
van Namen reeds heure serjanten achter hunne hielen had gezonden.
--Ik ga u kond geven van hetgene ik weet, antwoordde Wasteele. Een smid
van Namen, een dappere en overtuigde hervormde, is laatst hier bij
mij geweest, zoogezeid om mij te vragen hem te helpen in het maken
van de hekken, windwijzers en het ander ijzerwerk voor een slot,
dat men omtrent La Plante aan 't bouwen is. De deurwaarder van de
vierschaar der schepenen heeft hem verteld, dat zijne meesters reeds
bijeengekomen waren, en dat de baas eener taveerne alreeds geroepen
was, omdat hij op eenige honderden stappen van de plaats van den
moord woont. Ondervraagd of hij de moordenaars of hen, die hij van den
moord kon verdenken, gezien had, heeft hij geantwoord: "Ik heb boeren
en boerinnen gezien, die op ezelen reden; sommigen bleven op hunne
dieren zitten en vroegen te drinken aan de deur, anderen stegen van
hunne ezelen en kwamen in de gelagkamer, de manslieden dronken bier, de
vrouwen en meidekens mede. Ik zag ook twee dappere mannen, die spraken
van messire van Oranje een kopken kleiner te maken." Terwijl de baas
dit zeide, floot hij, om den steek van een mes in het vleesch van den
hals na te bootsen. "Bij Stalen Wind, zeide hij, zal ik u heimelijk
op de hoogte houden, daar dit in mijne macht is." Hij sprak en werd
losgelaten. Sedert dien tijd hebben de justitieraden ongetwijfeld
brieven gezonden aan de baljuws. De baas zei, dat hij anders niemand
gezien had dan boeren en boerinnen op ezelen; daaruit is te voorzien,
dat men jacht zal maken op allen die men schrijlings op ezelen zal
aantreffen. En de prins heeft u noodig, mijne kinderen.
--Verkoop onze ezelen, zeide Uilenspiegel, en de opbrengst kunt gij
voegen bij den oorlogsschat van den prins.
De dieren werden verkocht.
--Nu moet gij, sprak Wasteele, elk een vrij ambacht hebben, dat tot
geene gilden behoort. Kunt gij vogelkooien en rattenvallen maken?
--Ik heb er vroeger veel gemaakt, zeide Uilenspiegel.
--En gij? vroeg Wasteele aan Lamme.
--Ik, sprak Lamme, ik zal wafelen en oliekoeken verkoopen.
Volgt mij; hier zijn heel gereedgemaakte vogelkooien en rattenvallen,
met gereedschap en koperdraad om ze te herstellen en er anderen te
maken. Dit alles werd mij gebracht door een mijner spionnen Dat is voor
u, Uilenspiegel. Gij, Lamme, krijgt een klein komfoor met blaasbalg;
ik zal u ook deeg, spek en olie geven, om uwe wafelen en oliekoeken
te bakken.
--Hij is in staat alles zelf op te eten, zei Uilenspiegel.
--Wanneer beginnen wij te bakken? vroeg Lamme.
Wasteele antwoordde:
--Gij zult mij eerst een nacht of twee moeten helpen; alleen kan ik
mijn werk niet afkrijgen.
--Ik heb honger, sprak Lamme, is hier niets te eten?
--Er is brood en kaas, antwoordde Wasteele.
--Zonder boter? vroeg Lamme.
--Zonder boter, sprak Wasteele.
--Hebt gij bier of wijn? vroeg Uilenspiegel.
--Ik zelf drink er nooit, antwoordde Wasteele; doch als gij er hebben
wilt, zal ik er halen in den Pelikaan, hier dichtbij.
--Ja, sprak Lamme, en breng meteen wat hesp mee.
--Ik zal doen wat gij vraagt, sprak Wasteele, die Lamme met groote
verachting bekeek.
Toch bracht hij dobbelen klauwaard en hesp. En, van genoegen, at
Lamme voor vijven.
En hij sprak:
--Wanneer beginnen wij te werken?
--Dezen nacht, sprak Wasteele, maar blijft in de smidse en wees niet
bevreesd voor mijne gasten. Het zijn hervormden lijk gij.
--Dat gaat mij, sprak Lamme.
's Nachts, als de slaapklokken geluid hadden en de poorten gesloten
waren, deed Wasteele zich helpen door Uilenspiegel en Lamme, om uit
den kelder zware pakken wapenen naar zijne werkplaats te dragen.
--Hier zijn, sprak hij, twintig bussen, die moeten hersteld, dertig
lanspunten, die moeten geslepen worden, en lood om vijftienhonderd
kogels te gieten; gij gaat mij helpen.
--Met mijn beide handen! antwoordde Uilenspiegel. Waarom heb ik er
geen vier om u behulpzaam te wezen!
--Lamme zal ons helpen, sprak Wasteele.
--Ja, antwoordde Lamme op jammerlijken toon, want hij viel van den
vaak, ter oorzake van het overvloedig eten en drinken.
--Gij zult het lood gieten, sprak Uilenspiegel.
--Ik zal, sprak Lamme.
Lamme smolt zijn lood en goot zijn kogels, doch grimmig bekeek hij smid
Wasteele, die hem dwong op te blijven, terwijl hij zoo'n slaap had.
Hij goot de kogels, maar hij had grooten lust het gesmolten lood over
het hoofd van smid Wasteele te gieten. Doch hij hield zich in. Rond
middernacht werd hij, oververmoeid, door razernij overvallen en,
terwijl smid Wasteele en Uilenspiegel geduldig zweerden, bussen en
lanspunten slepen, hield hij met sissende stem de volgende rede:
--Daar staat gij nu, mager, bleek en schraal, met uw vast vertrouwen
in de prinsen en in de grooten der aarde; door overdreven ijver,
veronachtzaamt gij uw lichaam, uw edel lichaam, dat gij laat vergaan
van ellende en zelfvernedering. Daarom is het niet, dat de goede
God u schiep. Vergeet niet dat onze ziel, die de adem des levens is,
boonen, ossevleesch, bier, wijn, hesp, worsten, pensen, alsmede rust
noodig heeft tot haar bestaan; gij, gij leeft van brood, water en
slapeloosheid!
--Van waar komt u die ongewone woordenvloed? vroeg Uilenspiegel.
--Hij weet niet wat hij zegt, antwoordde Wasteele schokschouderend.
Maar Lamme vervolgde:
--Ik weet het beter dan gij. Ik zeg dat wij zot zijn, ik, gij en
Uilenspiegel insgelijks, onze oogen te bederven voor al die prinsen
en heeren, die zeker zouden lachen met ons, als zij ons, overvallen
door vermoeienis, den nacht zagen doorbrengen met wapenen te slijpen
en kogels te gieten, te hunnen dienste. Terwijl zij wijn uit gouden
bekers drinken en kapoenen in tinnen schotels eten, vragen zij zich
niet af of hunne vijanden met hunne zeisen onze beenen niet afkappen
en ons in den doodenkuil niet werpen. Intusschen zullen zij, die in
den grond noch hervormden, noch calvinisten, noch lutheranen, noch
katholieken zijn, maar aan God noch duivel gelooven, heerlijkheden
koopen en bemachtigen, het goed van monniken, abten en konventen
inslikken. Alles zal voor hen zijn: en vrouwen en maagden en meidekens;
uit hunne gouden bekers zullen zij drinken op hun eeuwig welzijn,
op onze altijddurende onnoozelheid en op de zeven hoofdzonden, die
zij gedurig bedrijven; ja, smid Wasteele, en dàt onder uwen neus,
die mager is van geestdrift. Aanschouw de velden, de weiden, zie naar
de oogsten, de boomgaarden, de ossen, het goud dat opstijgt uit de
aarde; aanschouw de wilde dieren van de bosschen, de vogelen van de
hemelen, de lekkere ortolanen, de heerlijke lijsters, den kop van
het everzwijn, den bout van den reebok: jacht, vischvangst, aarde,
zee, alles, alles is voor hen! En gij, gij leeft van water en brood,
en wij, wij werken ons dood voor hen, zonder slapen, zonder eten,
zonder drinken! En als wij er onder zullen bezweken zijn, zullen
zij onze lijken uit hunnen weg schoppen en tot onze moeders zeggen:
"Maakt er anderen, deze krengen kunnen ons niet meer dienen."
Uilenspiegel lachte goedmoedig zonder iets te zeggen; Lamme blies
van verontweerdiging, doch Wasteele zeide op zachtmoedigen toon:
--Gij spreekt lichtzinnig. Ik leef niet voor hesp, voor bier, noch
voor ortolanen, maar voor de zegepraal van het vrije geweten. Voor de
vrijheid, doet de prins lijk ik. Hij offert zijn goed, zijne rust,
zijn geluk op om de beulen en de dwingelandij uit de Nederlanden
te verdrijven. Doe lijk hij en tracht mager te worden. Het is niet
met den buik dat men de volkeren redt, maar met fieren moed en met
geduldige vermoeienis. En nu,... ga maar slapen, zoo gij vaak hebt.
Maar Lamme wilde niet slapen gaan, want de smid had hem beschaamd.
En gedrieën slepen zij wapenen en smolten zij kogelen tot den dageraad.
En dit drie nachten achtereen.
Toen vertrokken zij naar Gent. Onderwege leurden zij met vogelkooien,
muizenvallen en oliekoeken.
Zoo kwamen zij te Meulestede, welks roode daken men van verre ontwaart,
en daar kwamen zij overeen dat elk op zijn eigen hand zou rond gaan
en dat men 's avonds, vóór de slaapklok, malkander zou vinden in de
afspanning den Zwaan.
Lamme zwierf door de straten van Gent en verkocht gewetensvol zijne
oliekoeken, want hij kreeg zin in zijn bedrijf, maar toch vergat
hij zijne vrouw niet, want hij zocht ze gedurig, noch zijnen buik,
want hij ledigde menigvuldige pinten en at zonder ophouden.
Uilenspiegel had brieven van den prins van Oranje besteld aan Jacob
Scoelap, licentiaat in de medicijnen, aan Lieven Smet, kleermaker,
aan Jan de Wulfslaeger, aan Gillis Coorne, roodverver, en aan Jan de
Roose, ticheldekkker, welke hem het geld ter hand stelden, dat zij
voor den prins opgehaald hadden, en hem zeiden nog eenige dagen te
Gent en in 't ronde te blijven, daar zij hem nog meer zouden geven.
Die mannen werden later aan de Nieuwe Galge uit hoofde van ketterije
gehangen, en hunne lijken werden begraven op het Galgeveld, omtrent
de Brugsche poort.