Te Stokhem lieten zij hunne ezelen op stal, en begaven zij zich te
voet naar Antwerpen, welke stede zij bij 't vallen van den avond
binnentrokken.
En Uilenspiegel zeide tot Lamme:
--Hier is de groote stad, de gansche wereld stapelt hier hare
rijkdommen: goud, zilver, specerijen, goudleder, kostelijke tapijten,
lakens, fluweelen, tieretijnen, wollen en zijden stoffen; boonen,
erwten, granen, vleesch en meel, gezouten huiden; wijn van Leuven, van
Namen, van Luxemburg, van Luik, landwijn van Brussel en van Aarschot,
wijn van Buley, uit den wijngaard omtrent de poort van La Plante,
te Namen, Rijnwijn, heerlijke Spaansche- en Portugeesche wijnen;
druivenolie van Aarschot, die zij Landolium heeten; Bourgondische,
Malvezij- en vele andere wijnen. En de kaaien staan vol koopwaren.
... Die rijkdommen der aarde en der menschelijke bedrijvigheid trekken
naar dit oord de schoonste meidekens van de wereld.
--Ik geloof, dat gij weer aan 't droomen zijt, sprak Lamme.
Uilenspiegel antwoordde:
--Onder haar zal ik de Zeven vinden. Er werd mij gezegd:
In den dood en in het bloed,
In de puinen en de tranen,
Vind de Zeven.
... Wie dan veroorzaakt meer verderf dan de meisjes van plezier? Is
het niet bij heur dat de arme, waanzinnige mannen hunne schoone,
klinkende en blinkende karolussen verteren? Laten zij niet bij heur,
juweelen, ringen en kettingen; keeren zij niet uitgeschud huiswaarts,
zonder wambuis en soms zonder hemde, terwijl de deernen smeren en teren
met het geld, dat zij hun ontfutseld hebben? Waar is het roode, heldere
bloed, dat in hunne aderen vloeide? Het is preisap geworden. En vechten
de mannen niet tegen elkander met messen, met daggen, met zweerden, tot
den dood, om heure gunst te verkrijgen? De bleeke en bloedende lijken,
die men wegbrengt, zijn lijken van arme, waanzinnige verliefden. Als
de vader knort en gestreng blijft zitten, als zijn witte haren er
witter en stijver uitzien, als uit zijne droge oogen, die branden van
verdriet over het verderf van zijn kind, geene tranen meer vloeien;
als de moeder, stilzwijgend en bleek als de dood, weent alsof voor
haar de wereld nog slechts wee en ramp moest baren, wie dan is de
schuld van dat verdriet, van die tranen? De lustige meidekens beminnen
niemand dan zich zelven en het geld, en heel de denkende, werkende,
zwoegende wereld houden zij aan heure rokken gebonden. Ja, Lamme,
dáár zijn de Zeven, en wij zullen bij de meidekens gaan. Wellicht
vinden wij daar uwe vrouw: zóó vangen wij twee vliegen in één slag.
--Ik wil wel, sprak Lamme.
Toen was men in de hooimaand, in het midden van den zomer, als de zon
de bladeren der kastanjeboomen roostert, de vogeltjes in het loover
kweelen en de insecten van genoegen gonzen, omdat het gras zoo warm is.
Lamme doolde met gebogen hoofde naast Uilenspiegel door de straten
van Antwerpen; hij sleepte zijn lichaam voort, alsof het zwaar als
een huis was.
--Lamme, sprak Uilenspiegel, gij ziet er wederom zoo weemoedig uit;
weet gij dan niet dat niets slechter kan zijn voor uw vel? Als gij
volherdt in uw zwarte gedachten, zult gij het verliezen met stukken
en brokken. En dan zal het aangenaam zijn te moeten hooren, als men
van u zal spreken: de schurftige Lamme.
--Ik heb honger, sprak Lamme.
--Kom eten, zei Uilenspiegel.
En samen gingen zij naar de Oude Trappen, waar zij soezels aten en
dobbele kuite dronken, totdat zij hunne bekomst hadden.
En Lamme weende niet meer.
En Uilenspiegel sprak:
--Gezegend zij het goed bier, dat de ziel verkwikt als een dartele
zonnestraal. Gij lacht dat uw buik er van schokt. Zoo zie ik u geerne,
met uwe darmen, die dansen van vreugde.
--Mijn vriend, antwoordde Lamme, zij zouden nog meer dansen, zoo ik
het geluk had mijne vrouw weder te vinden.
--Wij zullen ze zoeken, zei Uilenspiegel.
En zoo kwamen zij in de wijk van het Scheld.
--Kijk, zeide Uilenspiegel tot Lamme, kijk naar dit huisje, dat
heel van hout is gemaakt, met schoone, gebeitelde vensteren, waar
kleine ruitjes in steken; kijk naar die gele gordijntjes en die roode
lanteerne. Daar, mijn vriend, achter vier tonnen bruinbier, uitzet,
dobbele kuite en Spaanschen wijn, troont een schoone bazinne van over
de vijftig. Elk jaar, dat de Heer heur vergunt, krijgt zij een nieuwe
laag vet. Op eene der tonnen flikkert eene vetkeers en aan de balken
der zoldering hangt eene lanteerne. Het is daar donker en klaar:
donker voor de liefde en klaar voor 't gelag.
--Maar, sprak Lamme, 't is een klooster van duivelsche nonnen, en
uwe bazinne is de abdis.
--Ja, sprak Uilenspiegel, zij is het, die, in naam van den heer
Beëlzebub, vijftien liederlijke meidekens leidt op den weg van den
ontucht, en de meidekens vinden eten en schuilplaats bij heur, doch
mogen er niet vernachten.
--Kent gij dat huis? vroeg Lamme.
--Neen.
--Hoe kunt gij er dan van spreken?
--Ik ga er uwe vrouw zoeken. Kom mede met mij.
--Neen, sprak Lamme, ik heb mij bepeinsd en ga daar niet binnen.
--Zoudt gij uwen vriend alleen blootgesteld laten aan de ondernemingen
van die dienaressen van Astarte?
--Hij moet er maar niet heen gaan, antwoordde Lamme.
--Als hij er nu moet gaan om de Zeven en meteen uwe vrouw te
zoeken? hernam Uilenspiegel.
--Ik ging liever slapen, sprak Lamme.
--Kom maar mee, zeide Uilenspiegel.
En hij opende de deur en duwde Lamme vóór zich binnen.
--Zie, sprak hij, daar is de bazinne achter heure tonnen, tusschen twee
keersen: de zaal is groot, met heure zwart geworden eiken zoldering
van bewalmde kepers en planken. Rondom, langsheen de muren, staan
stoelen en hinkende tafelen, dewelke bedekt zijn met glazen, pinten,
bekers, kroezen, kruiken, flesschen, bottels en ander drinkgerief. In
't midden der zaal staan nog tafelen en stoelen, waarop huiken, dat
zijn vrouwenkappen, gulden gordelriemen, fluweelen steltschoenen,
doedelzakken, pijpen en schalmeien liggen. In den hoek is eene ladder,
die naar boven leidt. Een kale bultenaar speelt op eene klavecimbel,
die op glazen pooten staat, om 't geluid van het speeltuig te
vermeerderen. Dans, dikzak. Vijftien schoone meiden zitten op tafelen
of schrijlings op stoelen, in allerlei houding: gebogen, op de zijde
geleund of achterover, of met het hoofd in de hand, naarvolgens
heure grillen; ze zijn gekleed in het wit, in het rood, in allerhande
kleuren, en laten heure bloote armen zien en ook een deel van heuren
boezem. Er zijn er van alle soorten; ze zijn uitgekozen! Van de eenen,
laat het weifelend licht der keersen, dat heure blonde lokken komt
streelen, hare blauwe oogen in het duister, zoodat men er enkel het
vochtige vuur in ziet flikkeren. Anderen zien naar de zoldering en
neuren, op de maat van den vedel, een droeve Duitsche ballade. Anderen
nog, ronde, bruine, dikke, drinken met volle bekers Spaanschen wijn en
toonen heure ronde, tot de schouderen ontbloote armen, en schaamteloos
roepen en tieren de eenen na den anderen en allen te zamen. Hoor wat
ze zeggen: Het is onze mesdag! Heden willen wij niets verdienen! Heden
willen wij geen geld: wij vragen slechts liefde!
Toen Lamme zoovele blonde en bruine, frissche en verslenste vrouwen
te gelijk zag, werd hij beschaamd; hij sloeg zijn oogen neder en riep:
--Uilenspiegel, waar zijt gij?
--Hij heeft dit tranendal verlaten, mijn vriend, sprak een dikke
deerne, die hem bij den arm vatte.
--Dit tranendal verlaten? vroeg Lamme.
--Ja, zeide zij, driehonderd jaar geleden, in gezelschap van Jacobus
de Coster van Maerlandt.
--Laat mij los, sprak Lamme, en nijp mij niet meer.
En op droeven toon ging hij voort:
--Uilenspiegel, mijn vriend, waar zijt gij? Kom uwen gezel toch
ter hulp.
Maar de vrouwen sarden hem meer en meer.
--Ik ga dadelijk heen, als gij mij niet gerust laat.
--Gij zult niet vertrekken, zeiden zij.
--Uilenspiegel, ging Lamme jammerend voort, waar zijt gij dan toch?
En zich tot de plaagzieke meiden wendend, ging hij voort:
--Juffer, als 't u belieft, trek mij zoo bij mijn haar niet; het is
geene pruik, ik mag het u verzekeren. Hulp! Hulp! Vindt gij mijne ooren
niet rood genoeg, dat gij ze nijpt en er het bloed in doet stijgen? En
die andere, die mij gedurig knippen voor den neus geeft! Gij doet mij
zeer. Laas! wat wrijft gij nu in mijn aangezicht? Een spiegel! Ik
zie zwart als een ovengat. Als gij niet uitscheidt, maak ik mij
kwaad; gij moest beschaamd zijn een armen, weerloozen man aldus te
mishandelen! Laat mij los! Als gij mij eene uur bij mijne hooze, bij
mijn wambuis, rechts, links, langs alle kanten zult gesleurd hebben,
zult gij er vetter om zijn? Ja, ge moogt er zeker van wezen, ik ga
mij kwaad maken.
--Hij gaat zich kwaad maken, zeiden zij spottend; hij gaat zich kwaad
maken, zou men niet zeggen! Lach liever, en zing ons een liedeken
van zoete minne.
--Ik zal een liedeken zingen van slagen, als gij wilt. Maar nog eens,
laat mij los.
--Wie van ons ziet gij 't liefst?
--Niemand; noch u, noch eene van de anderen. Ik ga mijne klacht doen
bij den magistraat, en hij zal u doen geeselen.
--Hallo, spraken zij, doen geeselen? En zoo wij u vóór de geeseling
eens vastnamen en kusten?
--Mij? sprak Lamme.
--Ja, u! antwoordden allen.
En al de vrouwen, schoone en leelijke, frissche en verslenste, bruine
en blonde, vlogen naar Lamme.
Zij smeten zijne toque, zijn opperste kleed omhoog, streelden hem,
kusten hem, zoenden hem uit al heure kracht, daar waar zij konden,
op zijne kaken, op zijnen neus, op zijne maag, in zijnen hals.
De bazinne schaterlachte tusschen heure vetkeersen.
--Hulp! schreeuwde Lamme, hulp! Uilenspiegel, verlos mij van dat
ongedierte. Laat me los, ik wil van uwe kussen niet weten; ik ben
getrouwd, drommels!, en bewaar al mijne kussen voor mijne vrouw.
--Getrouwd, spraken zij, maar daar heeft uwe vrouw veel te veel aan,
aan een man zoo vollijvig als gij. Geef ons wat van uw vet. Een trouwe
vrouw, dat is van doen, doch een trouwe man is een kapoen. God hoede u:
gij moet eene keus doen, of wij geeselen u, op onze beurt.
--Ik zal het niet doen, sprak Lamme.
--Kies eene uit, spraken zij.
--Neen, sprak hij.
--Wilt gij mij? vroeg een schoone blonde; bezie mij, ik ben zachtzinnig
van aard, en ik min hem, die mij mint.
--Laat mij los, sprak Lamme.
--Wilt gij mij? sprak een bekoorlijke meid, met gitzwarte lokken en
een bruine tint, en die overigens door de engelen gemaakt scheen.
--Peperkoek lust ik niet, sprak Lamme.
--En mij, zult gij mij niet nemen? vroeg een echte reuzin, met een
voorhoofd, dat schier teenemaal bedekt was met heur haar, met dikke
wenkbrauwen, die samen kwamen, met groote, flikkerende oogen, met
dikke, bloedroode lippen, en ook een rood aangezicht, een rooden hals
en roode schouderen.
--Van gloeiende steenen heb ik schrik, antwoordde Lamme.
--Neem mij, sprak een zestienjarig meideken, met een gezichtje zoo
scherp als dat van een eekhorentje.
--Ik houd niet van notenkrakers, antwoordde Lamme.
--We zullen hem moeten geeselen, zeiden zij. Waarmede? Met schoone
zweepen van droog leder. En dapper geklitskletst! Het hardste vel is
niet bestand tegen lederen roeden. Neemt tien zweepen van karrelieden
en ezeldrijvers, die zijn de beste,
--Hulp! hulp! Uilenspiegel! kreet Lamme.
Doch Uilenspiegel antwoordde niet.
--Gij hebt geen hert, zuchtte Lamme, terwijl hij zijnen vriend
overal zocht.
De zweepen werden aangebracht. Twee van de meidekens begonnen Lamme's
wambuis uit te trekken.
--Eilaas! mijn arm vet, dat ik met zooveel moeite vergaarde, gaan
ze mij ongetwijfeld ontnemen met heur striemende zweepen. Maar,
meedoogenlooze wijvekens, mijn vet kan u tot niets dienen, gij kunt
er niet eens sausen van maken.
Zij antwoordden:
--Wij zullen er keersen van gieten. 't Is toch al iets, klaar te zien,
zonder dat het een oortje moet kosten! Zij, die voortaan zal beweren
dat de keersen uit zweepen voortkomen, zal door een iegelijk aanzien
worden voor een zottinne. Doch wij zullen voor heur aantrekken tot
den dood, en wij zullen meer dan ééne weddenschap winnen. Steekt de
roeden even in den azijn. Doet zijn wambuis uit. Negen uren slaat het
op Sint-Jacobs. Als gij met den laatsten slag geene keus gedaan hebt,
gaan wij er op los!
Sidderend jammerde Lamme:
Hebt genade en medelijden met mij; ik heb mijne arme vrouwe trouw
gezworen en ik zal mijn eed gestand doen, hoewel ze heel slecht deed,
mij te verlaten. Uilenspiegel, help mij, verlos mij, mijn vriend!
Doch Uilenspiegel was te hooren noch te zien.
Lamme zeide tot de deernen:
--Aanschouwt mij, ik lig aan uwe voeten. Ootmoediger kan mijne
houding niet wezen. Bediedt dit niet genoeg dat ik, als heiligen,
uwe bekoorlijkheden vereer? Gelukzalig hij, die niet getrouwd is en
uwe koozerijen mag genieten! Ik twijfel er niet aan, dat gij hemelsche
genoegens doet smaken, maar slaat mij niet, als 't u belieft.
Doch de bazinne, tusschen heure twee keersen gezeten, sprak eensklaps
met donderende en dreigende stemme:
--Vrouwen en meidekens, bij alle duivelen uit de helle zweer ik dat,
bijaldien gij, door lachen en koozerijen, dien man niet dadelijk
tot u krijgt, ik de nachtwacht ga halen en u allen in zijne plaats
doe geeselen. Gij verdient geenszins den naam van dienaressen van de
godin der liefde, zoo gij met uwen mond, uwe handen, uwe vurige oogen
niet bij machte zijt de mannen te verleiden. En om uwe onnoozelheid
wordt gij zonder mededoogen gegeeseld!
Op die rede, begonnen de vrouwen en meidekens te beven en blonk
Lamme's gezicht van vreugde.
--Nu, vrouwtjes, sprak hij schertsend, welke mare brengt gij mede van
het land der striemende zweepen? Ik zal der bazinne de moeite sparen
en zelf om de wacht gaan. Deze zal haren plicht doen en ik wil met
pleizier een handeken toesteken. Alle baten helpen.
Doch een aanvallig meideken van een vijftiental jaren viel op hare
knieën vóór Lamme.
--Heer, sprak zij, gij ziet mij hier wel nederig en gelaten vóór uwe
voeten; doch als gij niemand onzer wilt kiezen, moet ik om uwent wille
gegeeseld worden; is dat rechtveerdig? En de bazinne daar, zal mij in
een leelijken, donkeren kelder steken, onder de Schelde, waar het water
van de muren zijpelt en waar ik slechts roggebrood te eten zal krijgen.
--Zou zij werkelijk om mijnent wille gegeeseld worden, mevrouw de
bazinne? vroeg Lamme onthutst.
De bazinne bevestigde:
--Tot bloedens toe gegeeseld.
Lamme aanschouwde toen het meideken en sprak:
--Gij zijt lief, gij zeit frisch, uw blanke schouderen komen als
rozeblaadjes uit op uw kleed; ik wil niet dat die donzige huid,
onder dewelke zulk jeugdig bloed vloeit, lijde onder de slagen der
zweep; dat die heldere, flikkerende oogen weenen ter oorzake van de
smerte der slagen; dat de wakke killigheid des gevangs dat goddelijk
lichaam doe beven. Dienvolgens heb ik liever u te verkiezen, dan te
weten dat gij om mijnent wille geslagen wordt.
Het meideken leidde hem mede. En zoo zondigde hij, gelijk hij deed
heel zijn leven, uit goedhertigheid.