Daar zocht hij zijne vrouw in al de kaberdoeskens, danszalen en
taveernen. 's Avonds vond hij Uilenspiegel terug in den Zingenden
Zwaan. Uilenspiegel ging overal rond om het volk tot opstand te wekken,
tegen de beulen van den vaderlandschen bodem.
Op de Vrijdagsmarkt, omtrent de Dulle Griet, ging Uilenspiegel plat
op zijn buik ten gronde liggen.
Een kooldrager kwam voorbij en sprak:
--Wat doet gij daar?
--Ik maak mijnen neus nat om te zien van waar de wind komt, antwoordde
Uilenspiegel.
Een timmerman kwam.
--Neemt gij den grond voor een bedde? vroeg hij.
--Er zijn er, die hem weldra voor een deken zullen nemen antwoordde
Uilenspiegel.
Een monnik bleef staan.
--Wat doet dat kalf daar? vroeg hij.
--Het kalf vraagt plat op zijn buik uwen zegen, mijn vader, antwoordde
Uilenspiegel.
De monnik gaf hem dien en toog henen.
Toen legde Uilenspiegel zijn oor tegen den grond; een boer kwam
voorbij.
--Hoort gij daar iets? vroeg hij.
--Ja, sprak Uilenspiegel, ik hoor het hout groeien, hetwelk zal dienen
om de arme ketteren te verbranden.
--Hoort gij niets anders? vroeg een stadsserjant.
--Ik hoor, sprak Uilenspiegel, de Spaansche soldaten aandraven; als
gij iets hebt, dat dierbaar is, begraaf het dan, want weldra zijn de
steden niet meer veilig tegen de roovers.
--Hij is zot, zei de serjant.
--Hij is zot, herhaalden de poorters.