Uilenspiegel en Lamme kwamen aan het Minnewater, hetwelk de groote
doctoren en wijsneuzige wijsgeeren halsstarrig doen afstammen van
Minrewater of Minderbroederswater.
Zij bleven op den oever staan en zij zagen vrouwen, meidekens en
knapen, arm in arm, met bloemen getooid, die malkander teederlijk in
de oogen bezagen en dicht tegen elkander gedrongen gingen.
Als Uilenspiegel hen zag, dacht hij aan Nele. En bij die weemoedige
herinnering, sprak hij treurig tot Lamme:
--Lamme, laat ons iets drinken.
Maar Lamme hoorde niet wat Uilenspiegel zegde; droefgeestig bezag
hij de verliefde paartjes.
--Weleer gingen wij ook aldus, arm in arm, mijne vrouw en ik, tot
groote afgunst van hen, die in alleenigheid, zonder geliefde levend,
nijdig ons nakeken.
--Kom, sprak Uilenspiegel, de Zeven vinden wij misschien op den bodem
eener pinte.
--Dat is drinkebroerspraat, antwoordde Lamme; de Zeven, dat weet gij
wel, zijn reuzen, die onder 't groot gewelf van Sint-Salvatorskerk
niet kunnen recht staan.
Uilenspiegel dacht treurig aan Nele. Ook dacht hij, dat hij misschien
in eene of andere afspanning een goed maal, een goed onderkomen en
een lieftallige bazinne zou vinden; hij sprak nogmaals:
--Laat ons iets drinken!
Maar Lamme luisterde niet en sprak, naar Onze-Lieve-Vrouwetoren
kijkend:
--Heilige Maria, patronesse der geoorloofde minne, verleen mij de
gunst, heur blanken boesem weder te zien,
--Kom mede, sprak Uilenspiegel, heur blanke boezem troont in de eene
of andere taveerne.
--Hoe durft gij dat zeggen? sprak Lamme.
--Wel zeker, sprak Uilenspiegel, ze moet ergens weerdinne zijn.
--Dronkemansuitvluchten, sprak Lamme.
Uilenspiegel vervolgde:
--Wellicht bewaart zij voor de arme zwervers een schotel gestoofd
ossevleesch, niet te vet, niet te droog, malsch lijk rozeblaadjes,
zwemmend tusschen menigvuldige kruidnagelen, notemuskaat,
hanekammetjes, kalfszwezerikken en andere hemelsche lekkernijen.
--Deugniet! sprak Lamme, gij wilt mij zeker doen sterven. Weet gij dan
niet, dat wij sedert twee dagen van droog brood en klein bier leven?
--Dat is praat van een gulzigaard, antwoordde Uilenspiegel. Gij
schreeuwt van honger; kom eten en drinken. Ik heb een halven gulden
en zal de kosten van 't gelag betalen.
Lamme lachte. Zij gingen hunne kar halen en, aldus door de stad
rijdend, zochten zij naar de beste afspanning. Doch zij trokken er
vele voorbij, als zij de zure gezichten van den baas of de bazinne
zagen, weinig aantrekkelijk uithangsbord voor een gezellige keuken.
Zij kwamen op de Zaterdagsmarkt en gingen het gasthof, de Blauwe
Lanteern binnen. Daar zag de weerd er vriendelijker uit.
Zij deden uitspannen en den ezel op stal zetten, in gezelschap van
een maatje haver. Zij lieten zich een keurig avondmaal opdienen,
aten hunne bekomst, sliepen als dassen en stonden 's morgens op,
om nog te eten. Lamme schitterde van genoegen en sprak:
--In mijne maag hoor ik een hemelsche muziek.
Als 't oogenblik van betalen gekomen was, ging de weerd bij Lamme en
sprak hij:
--'t Is tien oortjes.
--Hij heeft ze, zei Lamme, naar Uilenspiegel wijzend, die antwoordde:
--Ik heb ze niet.
--En de halve gulden?
--Ik heb er geen, sprak Uilenspiegel.
--'t Is gemakkelijk gezegd, sprak de baas; dan zal ik u uw wambuis
en hemd uittrekken.
Lamme, dien de drank moedig maakte, stond recht en riep uit:
--En als ik wil eten en drinken, ja, eten en drinken voor zeven en
twintig gulden en nog meer, zal ik het doen! Of meent gij, dat er
geen rooden duit in dezen buik steekt? Bij God! tot hiertoe werd hij
uitsluitend met ortolanen gevoed. Dergelijken buik zult gij nooit onder
uw vettigen gordelriem dragen. Bij mij ligt het vet drie duim dik op
den buik, terwijl gij het op den kraag van uw wambuis moet zoeken.
De weerd was buiten zich zelven van woede. Hakkelaar van nature,
wilde hij rap spreken; doch hoe meer hij zich haastte, hoe meer hij
moest niezen als een hond, die uit 't water komt. Middelerwijl wipte
Uilenspiegel bollekens brood naar zijn aangezicht. En Lamme, meer en
meer opgewonden, vervolgde:
--Ja, ik bezit genoeg voor uw drie magere hennen, uw vier schurftige
kiekens en dien grooten dwazerik van een pauw, die met zijn morsigen
steert het neerhof ginds ronddwijlt. En als uwe huid niet verrimpeld
was als die van een ouden haan, als uw beenderen niet vaneen vielen in
uwe borstkas, dan had ik nog genoeg om u ook op te eten, u, en uwen
snotterigen knecht, en uw halfblinde meid, en uwen kok, die gelukkig
mag zijn als hij 't schurft niet heeft, daar zijne armen te kort zijn
om zich ordentelijk te krabben.
--Bezie mij, vervolgde hij, bezie mij dien vogel eens, die, voor een
halven gulden, ons wambuis en ons hemde wil uitdoen! Daarom moet men
schaamtevrij zijn; heel zijne plunje is geen drie duiten weerd.
Maar de baas blies door zijnen neus van woede.
En Uilenspiegel wipte maar altoos bollekens brood naar zijn aangezicht.
Lamme, dapper als een leeuw, vervolgde:
--Hoeveel, magere tronie, hoeveel meent gij wel wat een ezel weerd
is, een ezel met een fijnen mond, met lange ooren, een breede borst,
met spieren als ijzer zoo sterk? Achttien gulden voor 't minst, is
't niet, armoedige baas? Hoeveel verroeste nagelen hebt gij wel,
om zulk schoon beest te betalen?
De baas blies nog meer door zijnen neus, doch dorst zich niet roeren.
Lamme sprak:
--Hoeveel meent gij, dat een schoone esschen kar geldt, die heel in
't blauw is geverfd en tegen zon en regen bespannen met eene huif
van Kortrijksch lijnwaad? Vier en twintig gulden voor 't minst,
niet waar? Vier en twintig gulden en achttien gulden, hoeveel maakt
dat? Antwoord, armzalige rekenmeester. En, daar het marktdag is en er
boeren in uwe ellendige afspanning zijn, ga ik ze dadelijk verkoopen.
Hetgene geschiedde, want allen kende Lamme. En inderdaad, voor ezel
en kar kreeg hij vier en veertig gulden en tien oortjes. Toen deed
hij het goud rinkelen onder den neus van den weerd, en sprak hij:
--Hewel, baas is hier geld genoeg om nog iets te peuzelen?
--Ja, sprak de baas.
En stille zegde hij:
--Als gij ooit uw vel verkoopt, geef ik er een oortje voor: 't zal
een amulet tegen overdadigheid wezen.
Doch een hupsch en lieftallig wijfje, dat in het donker binnenhof
stond, was verscheidene reizen voor 't venster naar Lamme komen zien,
en telkens dat hij heur schoon gezichtje kon bemerken, trok ze zich
schielijk achteruit.
's Avonds, als hij, zonder licht, waggelend de trap opklom, voelde
hij eene vrouw, die hem omarmde, hem kuste op zijne kaken, zijnen
mond, tot zelfs op zijn neus; zijn gezicht was nat van hare tranen,
na hetwelk zij hem liet voortgaan.
Lamme ging naar zijn bedde en sliep als een os, en 's anderen daags
trok hij met Uilenspiegel naar Gent.