IV.

En ze reden samen voort. De ezel, met hangende ooren, trok traagzaam

de kar.

--Lamme, sprak Uilenspiegel, wij zijn gevieren: de ezel, die op goed

geluk naar distelen zoekt; gij, dikzak, die uwe wederhelft achternazit;

zij, de teedere en zoete geliefde, die iemand vindt, harer onweerdig,

't is te zeggen mij, den vierde.

Nu, kinderen, moed! de bladeren worden geel, en de hemel zal helderder

worden; weldra zal, in de najaarsnevelen, de zonne ondergaan, en de

winter zal verschijnen, als het beeld van den dood, om allen, die

onder onze voeten liggen, met een sneeuwen lijkwade te dekken. En

ik zal optrekken voor de redding van Vlaanderenland. Arme dooden:

Soetkin stierf van smerte; Klaas door den viere: eik van goedheid en

eiloof van liefde; ik, uw zoon, ik lijd grootelijks en zal u wreken,

assche, die ik zoo liefheb, die klopt op mijne borst.

Lamme sprak:

--Gij moogt ze niet beweenen, die voor de gerechtigheid stierven.

Maar Uilenspiegel bleef nadenken; eensklaps zegde hij:

--Nele, het uur van scheiden is gekomen en 't zal voor lang zijn;

wie weet, of ik uw lief gelaat ooit wederzie.

Nele bezag hem met heure oogen, die glinsterden als sterren, en sprak:

--Stap van den wagen en kom met mij in het bosch, alwaar gij lekker

eten zult vinden; want ik ken de kruiden en kan de vogelkens bijroepen.

--Meisje, sprak Lamme, 't is slecht van uwentwege, Uilenspiegel te

willen ophouden, die naar de Zeven moet zoeken en mijne vrouw helpen

terugvinden.

--Nog niet! sprak Nele, en zij weende: doch lachte, te midden heurer

tranen, Uilenspiegel liefderijk toe.

Dit ziende antwoordde deze:

--Uw vrouw zult gij wel intijds terugvinden, als gij lust naar nieuwe

smert zult gevoelen.

--Thijl, sprak Lamme, gaat ge mij, voor dat meisje, in mijne kar alleen

laten? Gij antwoordt niet en denkt aan het woud, waar de Zeven niet

zijn, en mijne vrouw evenmin. Help ze liever zoeken op dezen steenweg,

waar de kar zoo gemakkelijk rijdt.

--Lamme, sprak Uilenspiegel, er ligt een volle weitasch in de kar,

gij zult dus niet sterven van honger, als gij van hier naar Koolkerke

gaat, alwaar ik bij U kom. Gij moet er alleen zijn, want daar zult

gij vernemen naar welke windstreek gij u richten moet, om uwe vrouw te

vinden. Luister. Gij rijdt stapvoets naar Koolkerke, op drie uren van

hier. Op den toren draait een windhaan met alle winden mee op zijn

roestige hengsels. Dat geknars wijst aan de arme mannen, die hunne

liefste verloren, den weg, langs welken zij haar zullen terugvinden.

Maar vooreerst moet men met een hazelaarstaksken, zeven reizen, op elk

muurvlak slaan. Als de hengsels knarsen, terwijl de wind uit 't noorden

blaast, is 't die kant dien gij nemen moet, doch met omzichtigheid,

want Noordenwind is oorlogswind; blaast hij uit 't Zuiden, ga dan

maar blijgemoed: 't is minnewind; uit het Oosten, loop dan gezwind:

't is licht en en vroolijkheid; uit het Westen, ga traagzaam, want

die wind brengt regen en tranen. Ga, Lamme, en wacht mij te Koolkerke.

--Ik zal, zei Lamme.

En hij reed voort met de kar.

Terwijl Lamme naar Koolkerke reed, joeg de sterke, zoele wind de grijze

wolkjes als een kudde schapen door het luchtruim. Uilenspiegel en Nele

waren alleen in het woud. Uilenspiegel had honger en Nele zocht naar

heerlijke vruchten, doch vond niets anders dan eikels, en de kussen,

die heur vriend heur in overvloed gaf.

Uilenspiegel had strikken gespannen en floot om de vogels bij

te roepen, ten einde diegenen te braden, die zich zouden laten

vangen. Een nachtegaal kwam omtrent Nele op de bladeren zitten; zij

ving hem niet, om hem te laten voortzingen; toen kwam een grasmusch,

en zij had er medelijden mee, omdat zij zoo lief en zoo hupsch was;

vervolgens kwam een leeuwerik, maar Nele zei hem, dat hij beter zou

doen hoog in de lucht te vliegen en de Natuur te bezingen, dan dom

weg te komen dartelen boven de doodelijke punt van een braadspit.

En 't was de waarheid, want inmiddels had Uilenspiegel een vuur

aangestoken en een braadspit gesneden, dat op niets anders wachtte

dan op lichtzinnige slachtofferen.

Maar de vogelen kwamen niet meer bij, tenzij eenige kwaadaardige raven,

die hoog boven hunne hoofden krasten.

En zoo kwam het, dat Uilenspiegel niemendal te eten had.

Doch Nele moest vertrekken en bij Katelijne terugkeeren. En weenend

ging zij haren weg op, en Uilenspiegel keek heur droef achterna.

Maar ze kwam terug en viel hem om den hals.

--Ik ga henen, sprak zij.

Zij ging, doch opnieuw keerde ze terug, zeggende:

--Ik ga henen.

En zoo wel twintig reizen en nog meer.

Eindelijk vertrok zij, en Uilenspiegel bleef alleen. Toen ging hij

ook henen om Lamme weder te vinden.

Als hij bij hem was, zat Lamme aan den voet van den toren, met

een grooten pot bruinbier tusschen zijne beenen, weemoedg op een

hazelaarstakje te bijten.

--Uilenspiegel, sprak hij, ik geloof, dat ge mij maar weggezonden

hebt, om met 't meideken alleen te blijven; ik heb met den hazelaar

zeven reizen op elk vlak van den toren geslagen, en hoewel de wind

blaast als een duivel, toch hebben de hengsels niet geknarst.

--Men zal ze zeker gesmeerd hebben, antwoordde Uilenspiegel. Vervolgens

togen ze henen naar het hertogdom Brabant.

De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders · 第 97 / 195 题