Maar Lamme kwam zweetend en blazend terug.
Laas! sprak hij, ik ben onder een slecht gesternte geboren. Nadat
ik mij het hert afgeloopen had achter die vrouw, zag ik, dat het de
mijne niet was en reeds bedaagd; ze moest diep in de veertig zijn,
en aan heure kap zag ik, dat ze nooit getrouwd geweest was. Ze vroeg
mij bits wat ik met mijn dikken buik in heure klaveren kwam doen?
Ik zoek mijne vrouw, die mij liet zitten, antwoordde ik zachtjes,
en daar ik u nam voor haar, liep ik naar u toe.
Op die rede zegde de oude jongedochter, dat ik kon terugkeeren waar ik
van daan kwam; dat, als mijne vrouw mij liet zitten, het wel besteed
was, want dat al de mannen truwanten, dieven en ketteren zijn, die
alle meisjes willen verleiden en dat, als ik niet dadelijk opkraamde,
ze mij door heuren hond zou doen opvreten.
En niet zonder schroom pakte ik mijne biezen, want een groote hond
lag aan heure voeten te brommen. Als ik van heur land was, zette
ik mij neer op den wegel en at ik uw stuk hesp, om op mijn effen
te komen. Plotseling hoorde ik een geritsel achter mij en, als ik
mij omkeerde, zag ik den grooten hond van de oude jongedochter;
doch nu bromde hij niet meer, integendeel, hij kwispelsteertte en
zag mij begeerig aan, om de hesp. Ik smeet hem eenige stukskens toe,
maar zijne meesteresse kwam bij en riep:
--Pak hem! pak hem! manneken!
En ik op den loop, en de groote hond achter mij; hij beet mij in mijn
been. Maar terwijl ik schreeuwde van pijn, gaf ik hem met mijnen stok
eenen slag op zijne voorpooten, dat er ten minste één van gebroken
is. Hij viel en jammerde in zijne hondentaal: "Genade", die ik hem
verleende. Ondertusschen smeet zijne meesteresse kluiten aarde naar
mij, bij gebreke aan steenen, en ik weer op den loop!
Laas! is het niet wreed en onrechtveerdig voor eene vrouw, zich op
een onschuldigen jongen als ik te wreken, omdat zij niet schoon genoeg
is om aan eenen man te geraken?
En treurig stapte ik naar het kaberdoesken, dat gij mij gewezen
hadt, om met bruinbier mijnen schrik af te drinken. Maar ik was
nogmaals bedrogen, want als ik binnenkwam, zag ik man en vrouw
bezig met vechten. Ik vroeg, dat zij zouden uitscheiden om mij eenen
pot bruinbier te tappen, al was 't maar eene pinte of zeven; maar
de vrouw, een echte stokvisch, antwoordde mij woedend, dat als ik
niet dadelijk wegkwam, zij mij in kennis zou brengen met den blok,
waarmede zij op den kop van heuren man trommelde. En nu ben ik hier,
vriend, zweetend en af van vermoeidheid; hebt gij niets te eten?
--'t Doet, zei Uilenspiegel.
En Lamme slaakte eenen zucht van verlichting.