Den volgenden dag, werd het vonnis aan Nele, Uilenspiegel en Soetkin
bekend gemaakt.
Zij vroegen den rechters om in het gevang te mogen gaan, hetwelk hun
toegestaan werd, behalve aan Nele.
Als zij binnenkwamen, zagen zij Klaas met een keten aan den muur
geklonken. Een klein houtvuur smeulde in den heerd, ter oorzake van de
wakheid. Want bij wet en recht is het in Vlaanderen voorgeschreven,
goed te zijn voor hen die moeten sterven, en hun brood, vleesch of
kaas, alsmede wijn te geven. Maar de schrokkige cipiers overtreden
dikwijls de wet, en talrijk zijn zij, die het grootste en beste deel
van het eten der arme gevangenen achterhouden.
Weenend vloog Klaas om den hals van Uilenspiegel en Soetkin, maar
hij was de eerste die ophield met weenen, want hij wilde sterk zijn,
als man en als hoofd van het huis.
Soetkin snikte en Uilenspiegel sprak:
--Kon ik die ijzers breken.
Soetkin snikte en sprak:
--Ik zal bij koning Philippus gaan, hij zal genade verleenen.
Klaas antwoordde:
--De koning erft van de martelaren.
Dan voegde hij er bij:
--Lieve vrouw en kind! treurig en smertvol ga ik deze wereld
verlaten. Zoo ik eenigen schrik koester voor het lijden mijns
lichaams, ben ik mede bedroefd als ik er aan denk dat, als ik dood
ben, gij beiden arm en ellendig zult zijn, want de koning zal u uwe
have ontnemen.
Uilenspiegel antwoordde met stille stemme:
--Gisteren heb ik met Nele alles gered.
--Dat doet mij genoegen, antwoordde Klaas; de aanbrenger zal niet
lachen op mijn lijk.
--Hij sterve, de judas, sprak Soetkin met haatvollen blik.
Maar Klaas dacht aan de karolussen en sprak:
--Dat was slim van u, Thijlken, mijn lieveling; Soetkin, mijn arme
Soetkin, zal dus in haren ouden dag geen honger hoeven te lijden.
En Klaas omhelsde heur, drukte heur tegen zijne borst, en zij snikte
nog harder, bij de gedachte dat zij weldra heuren braven beschermer
zou kwijt zijn.
Klaas bezag Uilenspiegel en sprak:
--Mijn zoon, dikwijls deedt gij kwaad, door langs de wegen te
slenteren als de rabauwen; dat moogt gij nimmermeer doen, mijn kind,
noch uw moeder alleen laten, want gij, als man, moet heur beschermer
en verdediger zijn.
--Dat zal ik, vader, sprak Uilenspiegel.
--O mijn arme man! zei Soetkin hem kussend. Welke misdaad bedreven wij
dan? Wij leefden getweeën gelukkig in eere en in deugd; wij beminden
elkander, dat weet gij, Heere God, die ons ziet! Wij stonden vroeg
op om te werken en 's avonds aten wij, U dankend, het zuur gewonnen
brood van den dag. Ik ga naar den koning; ik zal hem verscheuren met
mijne nagelen. Heere God, wij hebben niets misdaan!
Maar de cipier kwam binnen en zei dat ze moesten vertrekken.
Soetkin vroeg om te blijven. Klaas voelde heur arm gezicht branden
tegen het zijne, en de tranen van Soetkin maakten zijne wangen nat,
en heel heur lichaam trilde en huiverde in zijne armen. Hij vroeg om
heur bij hem te laten.
De cipier zei nog dat ze moesten henengaan en trok Soetkin uit de
armen van Klaas.
Klaas sprak tot Uilenspiegel:
--Waak over haar.
Uilenspiegel beloofde het hem. En de zoon de moeder ondersteunend,
togen Uilenspiegel en Soetkin henen.