LXXII.

Den volgenden dag riep de burgstorm de rechters ter vierschare.

Als zij op de vier banken rond den boom der justitie zaten,

onderhoorden zij nogmaals Klaas en vroegen hem of hij zijne dolingen

wilde herroepen.

Klaas hief de handen ten hemel en sprak:

--Christus, mijn Heer, ziet mij van omhoog. Ik bekeek de zonne toen

mijn Thijl ter wereld kwam. Waar is hij nu, de zwerver? Soetkin,

mijn goede, mijn zoete vrouwe, zult gij kloekmoedig zijn in 't ongeluk?

Toen bezag hij den lindeboom en vloekte hij hem:

--Storm en droogte! dat de boomen van den grond onzer vaderen liever

verschroeien dan te gedogen, dat men in hunne schaduw het vrije

geweten ten dood verwijst! Waar zijt gij, mijn jongen? Ik was hard

jegens u Mijne Heeren, ontfermt U mijner, en oordeelt mij gelijk Onze

Goedertieren Heere zou doen.

En allen die hem aanhoorden, moesten weenen, behalve de rechters en

Judocus Grijpstuiver.

Toen vroeg hij of er voor hem geenerlei vergiffenis was, zeggende:

--Ik heb altijd veel gewrocht en weinig gewonnen; ik was goed jegens

den arme en gedienstig voor elkeen. Ik heb de Roomsche Kerke verlaten

om te gehoorzamen aan den geest Gods, die tot mij sprak. Ik smeek om

geen andere gratie dan de verandering van de straffe des vuurs in die

van eeuwigdurende verbanning uit Vlaanderenland, op verbeurte mijns

levens, straffe die voorwaar streng genoeg is.

Allen riepen:

--Genade, heeren! erbarming!

Maar Judocus Grijpstuiver riep niet mede.

De baljuw gaf de toehoorders teeken te zwijgen en zegde dat het door

de plakkaten strengelijk verboden was, genade voor ketteren te vragen,

maar dat, zoo Klaas zijne doling wilde afzweren, hij zou gehangen

worden in stee van verbrand.

En het volk sprak:

--Gehangen of verbrand, 't is toch de dood!

En de vrouwen weenden en de mannen morden.

--Ik zweer niets af, sprak Klaas. Doet met mijn lijf wat uwer genade

zal believen.

Titelman, de deken van Ronse, riep toen uit:

--Het is ondraaglijk zulk een kettergespuis tot zijne rechters het

hoofd te zien verheffen; het lichaam tot assche verbranden is een

kortstondige pijne; men moet de ziele redden en de ketteren, door

middel van de torture, dwingen hunne dolingen af te gaan, opdat zij

aan 't volk het gevaarlijk schouwspel niet geven van ketteren, die

in onboetveerdigheid sterven.

Op die rede weenden de vrouwen nog meer en zeiden de mannen:

--Hij heeft het stuk bekend: 't is dus de straffe, maar niet de

torture.

De rechtbank besliste dat, mits de tortuur niet voorgeschreven was

door de ordonnantiën, Klaas die niet moest verduren. Nogmaals tot

afzweren vermaand, antwoordde hij:

--Ik kan niet.

Krachtens de plakkaten, werd hij plichtig verklaard aan simonie,

wegens het verkoopen van aflaten, aan ketterije en aan het herbergen

van ketters en als dusdanig werd hij veroordeeld om "geëxecuteerd

te worden met den viere, zoo dat er de dood naar volge", vóór de pui

van het schepenhuis.

Zijn lichaam zou twee dagen aan den staak blijven hangen om tot

voorbeeld te dienen en daarna gevoerd worden ter plaatse patibulaire,

zooals zij het galgeveld heetten.

De rechtbank kende den aanbrenger Judocus Grijpstuiver--wiens' naam

niet genoemd werd--vijftig gulden op de eerste honderd karolusgulden

der erfenis en den tienden penning op het overige toe.

Als Klaas dat vonnis hoorde, sprak hij tot den deken der

vischverkoopers:

--Gij zult een kwaden dood sterven, slecht mensch, die voor een kleine

som gelds eene weduw en eenen wees, twee ongelukkigen maakt.

De rechters hadden Klaas laten uitspreken, want zij ook--behalve

Titelman--voelden groote verachting voor den deken der vischverkoopers

en zijne eerlooze aanklacht.

Grijpstuiver was bleek van woede en van schaamte.

En Klaas werd terug naar het Steen gebracht.

De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders · 第 78 / 195 题