LXX.

De burgstorm had geluid om de rechters ter vierschare te roepen;

omtrent vier uren zaten zij rond den boom der justitie.

Klaas werd vóór hen geleid en hij zag onder het verhemelte den Baljuw

van Damme zitten; aan zijne zijden waren de drossaard, de schepenen

en de griffier.

Op het geluid van de klokke kwam het gemeen in groote menigte

toegeloopen, en het sprak:

--Vele onder de rechters zitten daar niet om naar recht te vonnissen,

maar als slaven in dienst van den Keizer.

De griffier verklaarde dat de rechtbank zich voorafgaandelijk

ter vierschare rond den lindeboom vergaderd hebbende, beslist had

dat, gehoord de aantijgingen en getuigenissen, de genaamde Klaas,

koolbrander, geboortig van Damme, echtgenoot van Soetkin, dochter van

Joostens, bij den lijve moest gevat worden. En nu, voegde hij er bij,

gaan wij tot het verhoor der getuigen over.

Hans Barbier, buurman van Klaas, werd eerst onderhoord. Nadat hij den

eed afgelegd had, sprak hij: "Op mijner ziele zaligheid bevestig en

verzeker ik dat Klaas, alhier tegenwoordig, door mij gekend is meer

dan vijftien jaar; dat hij altijd eerlijk geleefd heeft volgens de

wetten Onzer Moeder de Heilige Kerk; dat hij nooit smadelijk over

haar gesproken of bij mijn wete nooit eenigen ketter geherbergd heeft,

noch het boek van Luther verborgen, noch over gemeld boek gesproken,

noch iets gedaan dat hem in verdenking kan brengen, de wetten en

ordonnantiën van het keizerrijk overtreden te hebben. Zoo helpen mij

God en al zijne santen."

Jan Van Roosebeke werd vervolgens onderhoord en zei "dat, gedurende de

afwezigheid van Soetkin, vrouw van Klaas, hij verscheidene reizen in

het huis van den beschuldigde twee mannenstemmen had meenen te hooren

en dat hij dikwijls, na de avondklokken, in een kleine zolderkamer,

een licht en twee klappende mannen gezien had, waaronder Klaas. Wat

betreft te zeggen of de andere man al of niet een ketter was, dat kon

hij niet, daar hij hem van verre gezien had. Maar wat Klaas betreft,

vervolgde hij, in volle waarheid moet ik zeggen dat hij, sedert ik hem

ken, geregeld zijn Paschen houdt, op de groote heiligdagen Onzen Heere

ontvangt, en alle Zondagen naar de misse gaat, uitgenomen nochtans

dien van het Heilig Bloed en de volgende. Meerder weet ik niet. Zoo

helpen mij God en al zijne santen."

Ondervraagd of hij Klaas, in de taveerne den Blauwen Toren, geene

aflaten had zien verkoopen en met het vagevuur niet had hooren spotten,

antwoordde Jan Van Roosebeke dat Klaas inderdaad aflaten verkocht had,

maar zonder eenigerlei verachting of spotternije, en dat hij, Jan Van

Roosebeke, er van hem gekocht had gelijk ook Judocus Grijpstuiver,

de deken der vischverkoopers, had willen doen.

De baljuw maakte nu de feiten en punten bekend, uit hoofde waarvan

Klaas voor de vierschare gedaagd was en sprak:

--De aanbrenger, toevallig eens te Damme gebleven, ten einde zijn

geld te Brugge niet in slemperijen en braspartijen te verteren,

gelijk dit meer gebeurt bij deze heilige gelegenheid, stond in

pais een luchtje te scheppen aan zijne zulle, toen hij een man de

Reigerstraat zag ingaan. Klaas, den man ziende, ging hem tegen en

groette hem. De man was in 't zwart gekleed. Hij ging bij Klaas

binnen en de deur bleef half open. Nieuwgierig om te weten wie

die man was, ging de aanbrenger in de gang en hoorde Klaas met den

vreemdeling spreken over zekeren Judocus, zijn broeder, die, onder

de protestantsche troepen gevangengenomen, omtrent Aken geradbraakt

werd. De vreemdeling zei tot Klaas: aangezien het geld hetwelk

zijn broeder hem gegeven had, genomen was van het arme, onwetende

volk, hij het moest gebruiken om zijn zoon op te brengen in den

hervormden eeredienst. Ook zette hij Klaas aan om den schoot Onzer

Moeder de Heilige Kerk te verlaten, en nadat hij allerlei goddelooze

woorden uitgesproken had, antwoordde Klaas alleenlijk: De beulen! De

moordenaars! Mijn arme broeder! En dusdoende lasterde de beschuldigde

Onzen Heiligen Vader den Paus en Zijne Koninklijke Majesteit, omdat zij

de ketterije terecht willen straffen als eene misdaad van goddelijke

en menschelijke majesteitsschennis. Als de man gedaan had met eten,

hoorde de aanbrenger Klaas uitroepen: "Arme Judocus, dat God zich

uwer ontferme; zij waren wreed jegens u." Daardoor beschuldigde hij

God zelf van goddeloosheid, door te willen veronderstellen dat Hij

ketteren in zijnen hemel zou ontvangen. En Klaas hield niet op te

zeggen: "Mijn arme broeder!" Gelijk een kettersch predikant, riep

de vreemdeling toen in woede uit: "Zij zal vallen, de Babylonische

Hoer, en het verblijf worden van duivelen en roofdieren." Klaas

riep daarop: "De beulen, de moordenaars! Mijn arme broeder!" De

vreemdeling, zijne rede vervolgende, sprak: "Want de engel zal eenen

steen oprapen, zoo groot als een molensteen. En hij zal hem in de

zee smijten en zeggen: Zoo wordt het groot Babylon weggeworpen en

nimmermeer teruggevonden."--"Heer, sprak Klaas, uw mond is vol

grammoedigheid; maar zeg mij wanneer de heerschappij zal komen

in dewelke de zachtmoedigen in pais op de wereld zullen kunnen

leven?"--"Nooit! antwoordde de vreemdeling, zoolang de antichrist

regeert, dat is de paus, die een vijand van licht en waarheid

is."--"Ha! sprak Klaas, gij spreekt zonder eerbied van Onzen Heiligen

Vader. Hij is onwetend van de wreede folteringen waarmede de arme

protestanten gestraft worden." De vreemdeling antwoordde: "Zeker

weet hij het, want het is op zijne bevelen dat zij worden om hals

gebracht door den keizer, nu door den koning, die profijt trekt uit

de verbeurdverklaringen, die van de gestorvenen erft en juist liefst

de rijken uit hoofde van ketterije voor de Vierscharen daagt." Klaas

antwoordde: "Overal spreekt men ervan in Vlaanderenland, ik moet het

gelooven. Het vleesch des menschen is zwak, al is het ook koninklijk

vleesch. Mijn arme Judocus!" En Klaas gaf alzoo te verstaan dat het

uit een verachtelijk winstbejag is dat Zijne Majesteit de ketteren

doet straffen. Mits de vreemdeling wilde voortgaan, antwoordde Klaas:

"Gelief, Heere, met deze reden niet voort te gaan, want werden zij

gehoord, ik zou het duur moeten bekoopen."

... Klaas stond op om naar den kelder te gaan, waaruit hij met een

kan bier terugkwam: "Ik ga de deur toedoen", sprak hij vervolgens,

en de aanbrenger hoorde niets meer, want hij moest haastelijk het huis

verlaten. Maar met valavond werd de deur weer geopend. De vreemdeling

ging heen, maar weldra kwam hij weder kloppen, zeggende: "Klaas,

't is koud; ik weet niet waar slapen; verleen mij eene schuilplaats;

niemand heeft mij zien binnenkomen; alles is stil." Klaas liet hem

binnen, stak eene lanteerne aan en men zag hem,--den ketter den weg

wijzend,--de trap opgaan en den vreemdeling brengen in een kleine

dakkamer waarvan het venster uitzicht geeft in den hof.

--Wie anders, riep Klaas uit, kan dat alles overgedragen hebben dan

gij, deugniet van een vischverkooper? Stondt gij dien Zondag niet stijf

als een paal aan uwe zulle, schijnheilig naar de zwaluwen te kijken?

En hij wees naar Judocus Grijpstuiver, deken der vischverkoopers,

die met zijn leelijke tronie tusschen het volk te zien was.

De vischverkooper grijnslachte, toen hij hoorde dat Klaas aldus zich

zelven verried. Allen die van 't gemeen, mannen, vrouwen en meidekens,

zeiden tot elkaar:

--Arme man, die woorden kosten hem het leven!

Doch de griffier ging voort:

--De ketter en Klaas spraken dien nacht en ook de zes volgende

nachten langdurig met elkander; men kon den vreemdeling vele gebaren

van dreigement of van zegening zien maken, de handen ten hemel zien

heffen, als zijne gelijken in ketterije plegen te doen. Klaas scheen

zijne reden goed te keuren. Voorzeker spraken zij die dagen, avonden

en nachten smadelijk over de misse, de biecht, de aflaten en Zijne

Koninklijke Majesteit....

--Niemand heeft dat gehoord, sprak Klaas, en zonder bewijzen mag men

mij daarvan niet beschuldigen!

De griffier hernam:--Men heeft andere dingen gehoord. Als de

vreemdeling den zevenden dag omtrent den valavond vertrok, hebt

gij hem uitgeleide gedaan tot aan den paalsteen van Katelijne's

akker. Daar vroeg de vreemdeling u wat gij gedaan hadt met de leelijke

afgodenbeelden--en de baljuw sloeg een kruis--van de Allerheiligste

Maagd, van Sint-Nikolaas en van Sint-Maarten? Gij antwoordet dat

gij ze gebroken en in den put gesmeten hadt. Zij werden inderdaad,

verleden nacht, in uwen put gevonden, en de stukken ervan liggen in

de folterkamer.

Op die rede scheen Klaas verstomd. De baljuw vroeg hem of hij niets

te antwoorden had; Klaas zegde van neen.

De baljuw vroeg hem of hij de vermaledijde gedachte niet herroepen

wilde, die hem de beelden had doen breken, alsmede de goddelooze doling

dewelke hem smadelijke woorden ten opzichte van Zijne Goddelijke

Majesteit en ten opzichte van Zijne Koninklijke Majesteit had doen

uitspreken.

Klaas antwoordde dat zijn lijf aan Zijne Koninklijke Majesteit,

maar dat zijn geweten aan Christus behoorde, wiens wet hij wilde

opvolgen. De baljuw vroeg hem of die wet diegene van de Heilige

Kerk was.

--Zij staat geschreven in de Heilige Schrift, antwoordde Klaas.

Aangemaand te antwoorden op de vraag of de Paus de Stadhouder van

Christus op dees aarde is, sprak hij:

--Neen!

--Ondervraagd of hij geloofde dat het verboden was de beelden van

de Heilige Maagd en van de Heiligen te aanbidden, antwoordde hij,

dat het afgoderij was. Ondervraagd over het stuk of de oorbiecht goed

is en heilzaam, antwoordde hij:

--Christus heeft gezegd: Belijdt uwe zonden aan malkander.

Hij was kloekmoedig in zijne antwoorden, hoewel hij in den grond

treurig en angstig scheen.

Acht uren had de klok geslagen en de avond viel: de heeren der

rechtbank stelden de uitspraak uit tot den volgenden dag.

De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders · 第 76 / 195 题