Weldra liep de mare in de omliggende dorpen, dat een man gevangengezet
was uit hoofde van ketterije en dat de kettermeester Titelman, deken
van Ronse, bijgenaamd de Inquisiteur Zonder Genade, het onderzoek
zou bestieren.
Uilenspiegel verbleef toen te Koolkerke, in de beste vriendschap met
een schoone pachterse, een jonge weduwe die hem niets weigeren kon
van hetgeen heur eigendom was. Hij werd daar gevierd en geliefkoosd,
tot op den dag dat een verraderlijke medeminnaar, een schepene der
gemeente, hem in den morgen afwachtte als hij uit de taveerne kwam
en hem afrossen wilde. Maar Uilenspiegel, om zijne woede te stillen,
smeet hem in een vijver, waaruit de schepene met de grootste moeite
klaveren kon, groen als een kikvorsch en nat als een spons.
Uilenspiegel duchtte de weerwraak van den schepene en maakte dat hij
zoo gauw mogelijk uit Koolkerke kwam.
En hij liep regelrecht naar Damme.
De avond viel: hij hadde thuis willen zijn; in zijnen geest zag
hij Nele zitten naaien, Soetkin het avondmaal bereiden, Klaas zijne
mutsaards binden en Titus Bibulus Snuffius knagen aan een been.
Een rondleurder vroeg hem in 't voorbijgaan:
--Waar loopt gij zoo haastig?
--Naar Damme, naar mijn huis, was 't antwoord van Uilenspiegel.
De rondleurder sprak:
--De stad is niet meer veilig, ter oorzake van de ketteren die men
er pakt.
En hij ging voort.
Aan de afspanning het Roode Schild gekomen, ging Uilenspiegel er
binnen, om een glas dobbele kuite te drinken.
De baas zei hem:
--Zijt gij de zoon van Klaas niet?
--Die ben ik, antwoordde Uilenspiegel.
--Haast u, sprak de baas, want het uur van rampspoed is voor uwen
vader geslagen.
Uilenspiegel vroeg wat hij zeggen wilde.
De baas antwoordde, dat hij het ongelukkiglijk maar al te gauw
zou weten.
En Uilenspiegel liep voort.
Toen hij Damme binnen kwam, liepen de honden die op de zullen der
deuren zaten, hem keffend en blaffend achterna. Op dat gerucht kwamen
de vrouwen buiten en allen vroegen hem te gelijk:
--Van waar komt gij? Hebt gij nieuws van uwen ongelukkigen vader? Waar
is uwe arme moeder? Zit zij ook in het Steen? Laas! als zij hem maar
niet levend verbranden!
Uilenspiegel liep nog harder.
Hij kwam Nele tegen, die hem zegde:
--Thijl, ga niet naar huis: die van de stad hebben er een bewaker
gesteld van wege den keizer.
Uilenspiegel bleef staan.
--Nele, sprak hij, is 't waar dat zij Klaas, mijn vader in 't gevang
hebben gestoken?
--Ja, sprak Nele, en Soetkin weent aan de poort van het Steen.
Het hert van den verloren zoon bonsde van smerte en hij zei tot Nele:
--Ik wil ze zien.
--Neen, dat moet gij niet doen, sprak Nele, maar wel volbrengen hetgeen
Klaas gezegd heeft, vóóraleer hij gepakt werd: Red de karolussen,
zij steken achter den brandmuur van den schoorsteen. Die moet gij
eerst redden, want zij zijn 't erfdeel van Soetkin, van de arme vrouwe.
Uilenspiegel luisterde niet, maar liep tot aan de poort van het
Steen. Daar vond hij Soetkin zitten; hij kuste heur snikkend en zij
weenden beiden. Door hun jammeren was het volk in menigte naar 't
gevang toegeloopen. Maar de serjanten kwamen, en verjoegen de arme
Soetkin en Uilenspiegel.
Moeder en zoon gingen toen naar het huis van Nele, naast hunne
woonstee, vóór dewelke zij een der landsknechten zagen, die men uit
Brugge ontboden had, uit vreeze voor de onlusten, die tijdens de
uitspraak en gedurende de lijfstraf konden uitbreken. Want Klaas werd
geerne gezien door de burgers van Damme.
De soldenier zat vóór de deur, en zoog de laatste droppelen uit eene
bottel brandewijn. Toen zij ledig was, smeet hij ze waar ze vliegen
wilde. Vervolgens trok hij zijn jachtmes en stak hij kasseien uit.
Snikkend kwam Soetkin bij Katelijne binnen.
En schuddebollend sprak Katelijne: "Het vuur! Maakt open, mijne ziel
wil er uit!"