De bladeren verdorden op de boomen en de Octoberwind begon te
waaien. Soms was Katelijne gedurende eenige uren bij heur verstand. En
Klaas zei dan dat de geest Gods heur in zijne zoete ontferming kwam
bezoeken. In die oogenblikken had zij de macht, door woorden en
gebaren, Nele te betooveren en dan zag het meisje, meer dan honderd
uren verder, alles wat omging op pleinen, in straten of in huizen.
Op een dag dat Katelijne bij heure zinnen was en oliekoeken at, wel
begoten met dobbele kuite, in gezelschap van Klaas, van Soetkin en
Nele, sprak Klaas:
--'t Is heden de troonafstand van Zijne Heilige Majesteit keizer
Karel. Zeg, Nele, liefste, zoudt gij tot Brussel, in Brabant,
kunnen zien?
--Ja, zoo Katelijne wil, antwoordde Nele.
Katelijne deed het meisje op eene bank zitten en betooverde heur door
woorden en teekenen, en Nele viel zachtjes in slaap.
Katelijne zegde heur:
--Ga in het kleine huis omtrent de Warande, het geliefkoosd verblijf
van keizer Karel.
--Ik ben, sprak Nele stille, in een kleine kamer, groen
geschilderd. Daar zit een man van vier en vijftig jaar, grijs en kaal,
met blonden baard op een vooruitstekende kin, met onheilspellenden
blik in zijne sluwe, wreede en listige oogen. Dien man heet men
Heilige Majesteit. Hij is aamborstig en hoest. Naast hem zit nog
een man, jonger, met een afschuwelijk gelaat gelijk een aap met een
waterhoofd. Ik zag hem te Antwerpen, 't is koning Philippus. Zijne
Heilige Majesteit verwijt hem, dat hij zeker weer bij eene of andere
slet in eene kroeg van de benedenstad uitgeslapen heeft. Hij zegt hem
dat zijn haar naar de taveerne riekt, en dit geen vermaak is voor een
koning die te kiezen heeft tusschen de aanbiddelijkste vrouwen met
satijnen huid, die uit geurige baden komen, wat beter is, zegt hij,
dan een vuile smots die met moeite uit de armen komt van een dronken
soldaat. Geene vrouw, onder de schoonsten en edelsten, 't zij maagd,
gehuwd of weduw, zegt hij hem, zou hem willen wederstaan; trotsch
zouden zij heure minnarijen verlichten met den gloed van wierookvaten,
in stee van het walmende licht eener stinkende vetkeers.
De koning antwoordt Zijne Heilige Majesteit, dat hij hem in alles
gehoorzaam zal wezen. Ik zie dat Zijne Heilige Majesteit een hoestbui
krijgt en eenige slokken kruidenwijn drinkt.
Hij zegt tot Philippus: Aanstonds zullen voor Ons verschijnen de
Staten-Generaal, prelaten, edelen en poorters: Oranje de Zwijger,
Egmond de IJdele, Hoorn de Onbeminde, Brederode de Leeuw en
allen die van het Gulden Vlies, van hetwelk ik u grootmeester zal
maken. Honderden liefhebbers voor dat speelgoed zult gij zien die
zich den neus zouden laten afsnijden, zoo zij het op den borst aan
een gouden ketting mochten dragen, tot teeken van hoogen adel.
Op jammerenden toon vervolgt Zijne Heilige Majesteit tot koning
Philippus: Gij weet mijn zoon, dat ik te uwen voordeele afstand doe,
aan de wereld een grootsch schouwspel ga geven, en voor eene groote
menigte spreken zal, hikkend en hoestend,--want wederom heb ik te
veel gegeten, mijn zoon,--en gij zoudt een steenen hert moeten hebben,
zoo gij, na mij aanhoord te hebben, niet eenige tranen wildet storten.
--Ik zal weenen, vader, antwoord koning Philippus.
Vervolgens spreekt Zijne Heilige Majesteit tot zijn dienstknecht
Dubois.
--Dubois, zegt hij, geef mij een stukje suiker met Madeira: ik heb den
hik. Als mij dat maar niet overkomt terwijl ik het woord voer. Zal
die gans van gisteren dan nooit zakken? Als ik een beker wijn van
Orléans dronk? Neen, die is te hard. Als ik eenige ansjovisjes at? Ze
zijn zoo vettig. Dubois, geef mij een glas Romagne-wijn.
Dubois geeft aan Zijne Heilige Majesteit wat hij vraagt; vervolgens
doet men hem een karmozijnpannen kleed en een gouden mantel aan;
men gordt een zweerd om zijne lenden; in zijne handen steekt men den
schepter en den wereldbol, op zijn hoofd zet men de krone.
Zijne Heilige Majesteit treedt uit het huis der Waranda, gezeten op een
muilezel en gevolgd door koning Philippus en hooge personages. Zij gaan
naar een groot gebouw, dat zij het Paleis heeten, en vinden daar in een
kamer een rijkgekleeden, grooten mageren man, dien zij Oranje noemen.
Zijne heilige Majesteit spreekt dien man aan en zegt:
--Zie ik er goed uit, neef Willem?
--Maar de man geeft geen antwoord.
Daarop zegt Zijne Heilige Majesteit--half lachend, half grammoedig:
--Neef, zult gij dan altijd zwijgen, zelfs om aan een oude pruik de
waarheid te zeggen? Moet ik nog regeeren of moet ik afstand doen,
Zwijger?
--Heilige Majesteit, antwoordt de magere man, als de winter daar is,
laten de sterkste eiken hunne bladeren vallen.
Drie uren slaat de klok.
--Zwijger, zegt hij, leen mij uwen schouder, dat ik er op leune.
En Zijne Majesteit gaat met hem en zijn gevolg een groote zaal binnen,
zet zich neder onder een verhemelte, behangen met karmozijnzijde. Daar
zijn drie stoelen. Zijne Heilige Majesteit neemt den middelste,
die schooner en hooger is dan de andere en waarop een keizerlijke
kroon prijkt; koning Philippus neemt den tweede, en de derde is voor
eene vrouwe, ongetwijfeld eene koningin. Rechts en links zitten,
op gestoffeerde banken, mannen in 't rood gekleed, die om den hals
een gulden schaap dragen. Achter hen staan meerdere personages, die
zeker heeren en prinsen zijn. Rechtover Zijne Heilige Majesteit,
een paar treden lager, zitten in laken gekleede mannen op houten
banken. Ik hoor hen zeggen dat zij zoo zediglijk gekleed en gezeten
zijn, omdat zij alleen alle lasten betalen. Iedereen is rechtgestaan
als Zijne Heilige Majesteit binnenkwam, doch weldra zette hij zich
neer en deed hij iedereen teeken hetzelfde te doen.
Langen tijd spreekt hij over het jicht, daarna overhandigt de vrouw,
die eene koningin schijnt te wezen, Zijne Heilige Majesteit eene rol
perkament, waarop dingen geschreven staan die Zijne Heilige Majesteit
hoestend en met zwakke stemme afleest:
--Ik heb menigvuldige reizen gedaan in Spanje, in Italië, in de
Nederlanden, in Engeland en in Afrika, dit alles voor de glorie Gods,
den roem mijner wapenen en het welzijn mijner volkeren.
Ten slotte zegt hij dat hij zwak en vermoeid is, en dat hij de kroon
van Spanje, de graafschappen, hertogdommen, heerlijkheden van deze
landen wil leggen in de handen van zijnen zoon Philippus.
Hij weent en allen weenen mede.
Nu staat koning Philippus recht en, op de knieën vallend, roept
hij uit:
--Heilige Majesteit, is het mij toegelaten die krone uit uwe handen
te ontvangen, terwijl gij nog zoo bekwaam zijt die met eere te dragen?
Zijne Heilige Majesteit fluistert hem toe een welwillende aanspraak
te houden tot de mannen, die op de gestoffeerde banken zitten.
Koning Philippus keert zich naar hen en zegt op gemelijken toon,
zonder recht te staan:
--Ik ken tamelijk goed Fransch, doch niet genoeg om het woord tot
ulieden te richten. Gij zult hooren wat de bisschop van Atrecht,
mijnheer Granvelle, u mijnentwege zal zeggen.
--Slecht geproken, mijn zoon, lispt Zijne Heilige Majesteit.
En inderdaad, de vergadering mompelt, als zij den jongen koning zoo
fier en zoo trotsch ziet. De vrouwe, die de koningin is, spreekt mede
zijnen lof; nu komt de beurt aan een ouden doctor en als deze gesproken
heeft, geeft Zijne Heilige Majesteit een teeken van dankzegging. Als
die aanspraken en plechtigheden gedaan zijn, verklaart Zijne Heilige
Majesteit zijne onderzaten ontslagen van hunnen eed van getrouwheid;
hij teekent de akten, stapt van zijnen troon en doet er Philippus op
plaats nemen. En iedereen weent. Vervolgens trekken zij terug naar
het huis der Warande.
Daar zijn zij weder getweeën in de groene kamer; zijne Heilige
Majesteit schaterlacht en zegt tot koning Philippus, die niet lacht:
--Hebt gij gezien hoe gauw men met spreken, hikken en lachen die
menschen verteedert? Wat tranenvloed! En die dikke Maes die, op 't
einde zijner aanspraak, begon te weenen gelijk een kind. Gij zelf
scheent ontroerd, doch niet genoegzaam. Dat zijn de vertooningen die
't volk moet hebben. Wij mannen, hebben die minnaressen 't liefst,
die ons 't duurst kosten. En zoo ook is het volk. Hoe meer wij
ze doen betalen, hoe liever ze ons zien. In Duitschland duldde ik
den hervormden eeredienst, dien ik in de Nederlanden strengelijk
strafte. Als de prinsen van Duitschland katholiek geweest waren, dan
ware ik Lutheraan geworden om hunne goederen verbeurd te verklaren. Zij
denken dat mijn ijver voor 't Roomsch geloove oprecht is, en 't spijt
hun dat ik hen verlaat. Door mijn toedoen zijn, in de Nederlanden,
uit hoofde van ketterije, vijftig duizend hunner dapperste mannen en
bevalligste meidekens om hals gebracht. Zonder de verbeurdverklaringen
te rekenen, deed ik hun meer schattingen en beden betalen dan Indië
en Peru samen: zij zijn droef mij te verliezen. Ik heb den vrede van
Cadzand gescheurd, Gent, de fiere stad, getemd, uit den weg geruimd wat
mij hinderen kon; vrijheden, keuren en privileges, alles is onderworpen
aan 't gezag van de keizerlijke ambtenaren. Die goede menschen wanen
zich vrij, omdat ik hun toelaat boogschietingen te houden en hunne
gildevaandels plechtiglijk door de straten te dragen. Zij voelen mijn
meesterschap; in eene kevie gestoken, bevinden zij er zich goed: zij
zingen en betreuren mij. Mijn zoon, wees met hen, lijk ik het was:
zoet van woorden, ruw van daden; geef likjes zoolang gij niet bijten
moet. Zweer, zweer altijd op hunne vrijheden, keuren en privileges,
doch vernietig ze, zoodra ze u een gevaar kunnen worden. IJzer zijn
zij, als men ze met schuchtere handen aanraakt, glas als men ze met
een sterken arm breekt. Bestrijd de ketterije, niet om haar verschil
met den Roomschen godsdienst, maar omdat zij, in de Nederlanden,
eindigen zou met ons gezag te vernielen; zij die den Paus met zijne
drie kronen aanvallen, zouden gauw gedaan krijgen met vorsten die er
maar ééne dragen. Maak als ik van de vrijheid van geweten eene daad
van majesteitsschennis, met verbeurte van goederen, en gij zult erven,
gelijk ik heel mijn leven geërfd heb; en als gij hen zult verlaten
om afstand te doen of te sterven, zullen zij zeggen: Heil! de goede
vorst! En zij zullen weenen!
--En ik hoore niets meer, vervolgde Nele; Zijne Heilige Majesteit is
op een praalbed gaan liggen en slaapt, en koning Philippus, trotsch
en vermetel, staart hem koel en liefdeloos aan.
Op die woorden werd Nele gewekt door Katelijne.
En Klaas bleef, in gedachten verslonden, kijken naar de vlam die in
den heerd flikkerde.