Rond het einde van heur derde jaar ballingschap, keerde Katelijne te
Damme terug naar heur huis. En gedurig sprak zij uitzinnig: "Vuur op
het hoofd, de ziele klopt, maakt een gat, zij wil er uit". En altijd
vluchtte zij weg, bij het zien van ossen en schapen. En zij zette
zich neer op de bank onder de linden achter heure hut, en schudde
het hoofd, terwijl zij, zonder ze te herkennen, die van Damme bekeek,
dewelke tot elkander lispten: "Daar is de zottinne".
Doch reizend over velden en wegen, zag Uilenspiegel een ezel, getuigd
met leder en koperen nagelen, en den kop versierd met roodwollen
kwasten en kwispels.
Eenige oude wijven stonden rond den ezel en zeiden, allen te gelijk
sprekend: "Niemand mag hem vastnemen; 't is het afgrijselijke rijbeest
van den grooten toovenaar, den baron von Raiz, die levend verbrand
werd, om acht kinderen aan den duivel geofferd te hebben.--Zoo rap is
hij gevlucht, dat niemand hem krijgen kon; Satan houdt de hand boven
zijnen kop.--Want terwijl hij, vermoeid op den weg, een oogenblik
stilstond om adem te halen, zijn de stadsserjanten gekomen om hem te
pakken, maar hij balkte en sloeg zoo geweldig met zijne achterpooten,
dat zij niet naderen dorsten.--En 't is niet 't gebalk van een ezel,
maar 't gebalk van een duivel.--Men heeft hem dus distelen laten
eten zonder hem voor de vierschaar te dagen of als toovenaar levend
te branden?--Die mannen, die mannen, zij hebben geen greintje moed
in hun lijf".
Niettegenstaande al deze schoone reden, namen allen schreeuwend de
vlucht, zoodra de ezel de ooren spitste of met den steert zijne zijden
sloeg; en tienmaal kwamen zij aldus nader al kakelend en snaterend,
om tienmaal weder de vlucht te nemen.
Maar Uilenspiegel zag haar van verre en sprak lachend tot zich zelven:
--Zie ze parlesanten! Hoe ouder ze zijn, hoe meer ze babbelen: de
jongeren zitten meer met minnarijen in 't hoofd.
Den ezel beziende, ging hij voort:
--Dat betooverde grauwtje staat goed op zijne pooten, dunkt mij;
ik ga het ergens berijden of verkoopen.
Zonder een woord te spreken, kocht hij een maatje haver, hetwelk
hij den ezel vóór zette. Hij sprong vervolgens gezwind op den rug
van het dier, nam den teugel vast, keerde zich naar het Noorden,
het Oosten en het Westen en zegende de oude wijven. Dezen, van schrik
bevangen, vielen op de knieën, en 's avonds vertelden zij aan den hoek
van den heerd, dat een engel verschenen was met een vilten hoed met
fazanteveeren en heur allen gezegend had en dat hij, door bijzondere
gunste van God, weggereden was op den ezel des toovenaars.
En Uilenspiegel ging met zijn ezel te midden van malsche beemden, waar
peerden huppelden, en koeien en veerzen loom in de zonne herkauwden.
En hij heette hem Jef.
De ezel was blijven staan en deed zich deugd aan de distelen. Somwijlen
nochtans, huiverde hij over gansch zijne huid en sloeg hij met den
steert op zijne zijden om de vraatzuchtige horzels te verdrijven die,
evenals hij, wilden eten, doch van zijn vleesch en zijn bloed.
Uilenspiegel, wiens maag naar eten riep, was weemoedig en sprak:
--Gij zoudt wel gelukkig zijn, mijnheer de ezel, zoo gij kondt blijven
smullen zonder dat iemand u stoort en u herinneren komt dat gij
sterfelijk zijt, dat wil zeggen geboren om te lijden en te verduren.
... Evenals gij, vervolgde hij, heeft de man met de Heilige Muil zijne
horzel en dat is mijnheer Luther; en Zijne Genadige Majesteit Karel
heeft ook de zijne, dat is messire Frans de eerste, de koning met
zijn langen neus en zijn nog langeren degen. Ik, arme zwerveling,
mag dus ook mijne horzel wel hebben, mijnheer de ezel. Laas! in
al mijne zakken zijn gaten, en langs de gaten schaveelen dukaten,
guldens en daalders, gelijk een legioen muizen die vluchten voor den
klauw eener kat. Ik weet niet waarom het geld van mij niet houdt,
ik houde nochtans zooveel van het geld. 't Is eene leugen, dat de
Fortuin eene vrouw is, want zij bemint maar de oude gierigaards, die
haar vrekkig sluiten in kisten, in koffers, in zakken, en haar nooit
met het tipje van heur gouden neusje aan 't venster laten komen. Dat
is de horzel die mij bijt en mij knaagt, die mij kittelt zonder mij
te doen lachen. Maar gij luistert niet, mijnheer de ezel, gij denkt
maar aan eten. Ha! buikvuller, uwe lange ooren blijven doof voor den
kreet mijner ledige maag. Aanhoor mij, ik wil het!
En hij zweepte hem. De ezel begon te balken.
--Laat ons gaan, nu gij gezongen hebt, sprak Uilenspiegel.
Maar de ezel verroerde zich niet meer dan een paal en scheen van zins
al die distelen van den weg tot de laatste naar binnen te jagen. En
hij sloeg er geen enkele over.
Dat ziende, steeg Uilenspiegel af; hij sneed een bussel distelen,
stak die onder den bek van den ezel en mende dezen bij den neus tot
op het grondgebied van den landgraaf van Hessen.
--Mijnheer de ezel, sprak Uilenspiegel onderweg, gij loopt achter
mijn bos distelen en versmaadt de lekkere planten waarmede de lange
weg volstaat. Gij zijt lijk de mannen die loopen achter eenen bos
roem, eenen bos gewin, eenen bos liefde, dien de Geluksgodin onder
hunnen neus steekt. Op het einde van den weg zien zij, gelijk gij,
dat de nagejaagde buit weinig weerde heeft, terwijl zij onderweg èn
rust èn werk èn gezondheid lieten.
Aldus met zijn ezel klappend, bereikte Uilenspiegel het kasteel van
den landgraaf.
Twee kapiteins der boogschutters speelden op de trap met dobbelsteenen.
Een hunner, ros van haar en groot van gestalte, bezag Uilenspiegel,
die zediglijk op Jef zat en hen aankeek.
--Wat wilt gij, met uwe hongerige en reizende tronie? sprak hij.
--'k Heb inderdaad honger, antwoordde Uilenspiegel, en reize geenszins
voor mijn vermaak.
--Zoo gij honger hebt, sprak de kapitein, kunt gij met den hals de
koorde opeten, die zwiert aan de eerste galge die gij ontmoet.
--Heer kapitein, antwoordde Uilenspiegel, als gij mij de schoone gouden
koorde geeft die rond uwen hoed ligt, zal ik mij met de tanden gaan
ophangen aan die vette hesp, die ginder bij dien spekslachter zwiert.
--Van waar komt gij? vroeg de kapitein.
--Uit Vlaanderen, was 't antwoord van Uilenspiegel.
--Wat wilt gij?
--Aan Zijne Landgrafelijke Hoogheid eene schilderij van mijne hand
toonen.
--Kom binnen, als gij een schilder en van Vlaanderen zijt, sprak de
kapitein, ik zal u bij mijnen meester brengen.
Toen Uilenspiegel bij den landgraaf was, groette hij hem drie reizen
en nog meer.
--Uwe Hoogheid, sprak hij, verweerdige mij aan zijne edele voeten eene
schilderij neder te leggen, die ik voor hem maakte, en op dewelke
ik het konterfeitsel verbeeldde van de Allerheiligste Maagd Maria,
in haren vorstelijken dos.
... Die schilderij zal misschien de eer hebben Uwe Hoogheid te
bevallen, vervolgde hij, in welk geval ik mij vermete te hopen het
ambt te verkrijgen van schilder Uwer Grootmoedigheid.
De landgraaf bezag het doek, dat goed gemaald was, en sprak:
--Gij zult onze schilder zijn; neem plaats in dien zetel.
En Uilenspiegel kuste hem op beide wangen en nam plaats in den zetel.
--Gij ziet er niet rijk uit, sprak de landgraaf.
Uilenspiegel antwoordde:
--Inderdaad sire; Jef, mijn ezel kon distelen eten, doch drie dagen
reeds leef ik van ellende en eet ik rook van hope.
--Straks krijgt gij beters, sprak de landgraaf lachend, maar waar is
uw ezel?
Uilenspiegel antwoordde:
--Ik liet hem op de Groote Markt, rechtover 't kasteel Uwer Genade;
ik ware gelukkig zoo Jef dezen nacht op stal was.
De edele landgraaf gebood dadelijk aan een zijner schildknapen den
ezel van Uilenspiegel als zijn eigen beest te behandelen.
Weldra kwam het uur des avondmaals, dat een recht festijn was. En de
spijzen rookten op tafel, en de wijn liep als een stroom door de kelen.
Uilenspiegel en de landgraaf werden zoo rood als hanen. Uilenspiegel
was vol vreugd, maar de landgraaf bleef nadenkend.
--Schilder, sprak hij eensklaps, gij zult mijn portret moeten maken,
want 't is een groote voldoening voor een sterfelijken vorst, aan
zijne nazaten de geheugenis zijner trekken te laten.
--Sire, antwoordde Uilenspiegel, uw wensch is mijn wil, maar 't
schijnt mij, nietsweerdige, dat uwe Edelheid in de toekomende eeuwen
niet veel genoegen zal smaken, zoo alleene op het doek te staan. Hij
moet vergezelschapt wezen door zijne adellijke gemalinne, mevrouw de
Landgravin, door zijne edelvrouwen en heeren, door zijne dapperste
kapiteins, te midden waarvan zijne Hoogheid en Mevrouwe schitteren
zullen als twee zonnen te midden van lanteernen.
--Inderdaad, antwoordde de landgraaf, en wat moet ik u betalen voor
dat groot kunstwerk?
--Honderd gulden op voorhand of anderszins, antwoordde Uilenspiegel.
--Hier zijn ze vooraf, sprak de edele landgraaf.
--Allergenadigste heer, hernam Uilenspiegel, gij giet olie in mijne
lamp, ze zal branden te uwer eere.
's Anderen daags vroeg hij aan den landgraaf de hovelingen vóór
hem te doen komen, welke de eer hadden hem op het doek te mogen
vergezelschappen.
Toen kwam de hertog van Luneburg, hoofdman der landsknechten in dienst
van den landgraaf. 't Was een dikke vent, die verging in zijn vet. Hij
naderde Uilenspiegel en fluisterde hem deze woorden in 't oor:
--Als gij mij op de schilderij de helft van mijnen buik niet afneemt,
laat ik u opknoopen door mijne soldaten.
En de hertog ging voort.
Toen kwam een lange dame, die een bochel op den rug had, terwijl haar
borst plat was als het zwaard der wrekende gerechtigheid.
--Heer schilder, sprak zij, als gij mij langs voren geen twee bochels
geeft, in stee van éénen langs achteren, doe ik u als giftmenger
vierendeelen.
En de hofdame ging voort.
Vervolgens kwam een jonge eerejuffer die blond, frisch en lieftallig
was, doch drie tanden miste in de bovenste rij.
--Heer schilder, sprak zij, als ge mij lachen doet en niet al mijne
tanden laat zien, doe ik u in stukskens kappen door mijn minnaar,
die daar staat.
En zij wees naar den kapitein van de boogschutters die den dag te
voren op de trappen van het paleis met de dobbelsteenen speelde;
daarop ging zij voort.
En allen gingen aldus hem voorbij; ten slotte bleef Uilenspiegel
alleen met den edelen landgraaf.
--Als gij het ongeluk hebt, sprak de edele landgraaf, alle die lieden
niet trouwelijk uit te schilderen, laat ik u het hoofd afkappen.
--Zonder hoofd, dacht Uilenspiegel, gevierendeeld, in stukskens
gekapt of voor het minste gehangen, zal het veel voorzichtiger zijn,
niemand te schilderen. Ik zal er over nadenken.
--Waar is de zaal op welker muren ik al die doorluchtige lieden moet
malen? vroeg Uilenspiegel aan den landgraaf.
--Volg mij, sprak de landgraaf.
En hij bracht hem naar een ruime kamer met groote witte muren.
--Hier is zij, sprak hij.
--Het ware goed, zei Uilenspiegel, dat men vóór die muren groote
gordijnen hing, om mijn schilderwerk te behoeden voor stof en voor
de beleediging der vliegen.
--Dat zal geschieden, sprak de edele landgraaf.
Toen de gordijnen hingen, vroeg Uilenspiegel drie leerjongens, om
zijne verven te malen, naar hij zeide.
Dertig dagen lang gastreerden Uilenspiegel en de leerjongens en lieten
zij zich de fijne vleezen en de oude wijnen goed smaken. De landgraaf
zorgde voor alles.
Doch den een en dertigsten dag stak hij zijn neus in de kamer, alwaar
Uilenspiegel gezegd had, dat niemand mocht binnenkomen.
--Hewel, Thijl, sprak hij, waar zijn de portretten?
--Ze zijn verre, antwoordde Uilenspiegel.
--Mag ik ze zien?
--Nog niet.
Den zes en dertigsten kwam hij weer met zijn neus voor de deur.
--Hewel, Thijl? vroeg hij.
--Edele landgraaf, zij gaan op hun laatste.
Den zestigsten dag maakte de landgraaf zich kwaad en, de kamer
binnentredend, sprak hij:
--Op staanden voet gaat gij mij het schilderwerk toonen.
--Ja, geduchte heer, sprak Uilenspiegel, maar gelief het gordijn niet
te openen, alvorens de kapiteins en de edelvrouwen van uw hof hier
binnen te roepen.
--Dat zij komen, sprak de edele landgraaf.
Op dit bevel traden allen binnen.
Uilenspiegel stond voor het dichtgesloten gordijn.
--Doorluchtige Landgraaf, sprak hij, en gij, mevrouwe de Landgravinne,
en gij, hertog van Luneburg, en gij allen, schoone damen en
dappere kapiteins, achter dit gordijn heb ik, op mijn beste, uw
lieve of krijgshaftige gezichten geschilderd. Een iegelijk zal zich
dadelijk herkennen. Gij zijt nieuwsgierig uw konterfeitsel te zien;
't is redelijk, doch verweerdigt u geduld te nemen en laat mij nog
een woord of vijf zeggen. Gij, schoone damen en dappere kapiteins,
die allen van edelen bloede zijt, kunt mijn schilderwerk zien en
bewonderen, maar mocht onder u zich iemand bevinden van onadellijk
bloed, niets zou hij zien dan een witten muur. En nu, verweerdigt U
uwe doorluchtige oogen te openen.
Uilenspiegel schoof het gordijn weg.
--Alleen de edelen kunnen iets zien; lieden van gemeene afkomst
blijven blind voor dit kunststuk.
Al de hovelingen sperden de oogen open, gebaarden in bewondering
te staan, zich zelven en anderen wederzijds te herkennen, doch in
werkelijkheid zagen zij niets dan een naakten muur, hetwelk hen
gansch onthutste.
Doch de nar die aanwezig was, sprong drie voet hoog, en, zijn
narrenstok zwaaiend, sprak hij:
--Men mag mij uitmaken voor boer, en daarenboven voor schurk, voor
deugniet, maar 'k zal het roepen en schreeuwen van de daken, dat ik
daar een witte muur, een naakten muur, een blooten muur voor mijnen
neus heb! Zoo helpe mij God en alle zijne santen.
Uilenspiegel sprak:
--Als de zotten spreken, is 't tijd dat de wijzen optrekken.
Hij wilde het paleis verlaten, als de landgraaf hem tegenhield.
--Snaak, sprak hij, die overal gaat en komt om het schoone en goede
te prijzen en luidkeels te spotten met de dwaasheid; gij, die in
tegenwoordigheid van zooveel grooten der aarde, als man uit het volk,
zoo onbermhertig dorst spotten met hunne blazoenen en voorrechten,
gij zult eens gehangen worden om uw stoute tong.
--Als de koord van goud is, antwoordde Uilenspiegel, zal zij breken
van schrik als ze mij ziet komen.
--Daar, sprak de landgraaf, hem vijftien gulden in de hand stoppend,
zie hier een stukje van de koorde!
--Hertelijk dank, genadige heer, antwoordde Uilenspiegel, elke
afspanning van den weg krijgt er een vezel van, een gouden vezel,
die al die dieven van weerden tot rijkaards maakt.
En hij sprong op den ezel en reed weg, met zijn hoedeken fier naar
omhoog.