Klaas, Soetkin en Nele zaten samen rond den heerd en praatten over
den reizenden pelgrim.
--Meisje, sprak Soetkin, kondet gij hem voor altijd bij ons houden
door uwe jeugd en uwe schoonheid!
--Laas! sprak Nele, ik kan niet.
--Omdat hij, antwoordde Klaas, meer behagen vindt in loopen, zonder
ooit te rusten, tenzij om te eten.
--De leelijke stouterik! zuchtte Nele.
--Ik geef toe dat hij stout is, sprak Soetkin, maar leelijk is
hij niet. Als Uilenspiegel Grieksch noch Romeinsch van gezicht is,
is hij des te schooner; want Vlaamsch zijn zijne vlugge voeten, van
't Brugsche Vrije zijn levendige bruine oogen; en zijn neus en mond
zijn gemaakt door twee vossen, ervaren in de kunsten van slimheid
en verstand.
--Wie dan, vroeg Klaas, maakte hem zijne armen van luierik en zijne
beenen, die al te vlug loopen naar vermaak en pleizier?
--Zijn al te jeugdig herte, was 't antwoord van Soetkin.