Op Allerzielen kwam Uilenspiegel uit Onze Lieve Vrouwekerk met eenige
deugnieten van zijn leeftijd. Lamme Goedzak was onder hen verdwaald,
als een lam te midden van de wolven.
Lamme, die op alle Zon- en feestdagen van zijne moeder drie oortjes
kreeg, trakteerde de jonge snaken.
Hij trok dus met hen in het Roode Schild, bij Jan van Liebeke, die
Kortrijkschen dobbelen knollaard opbracht.
De drank verhitte hunne hersenen en, wijl zij over kerken en gebeden
spraken, uitte Uilenspiegel de meening, dat zielmissen enkel voordeel
brengen aan de priesters.
Maar er was een judas onder 't gezelschap: hij ging Uilenspiegel als
ketter verklikken. En ondanks de tranen van Soetkin en het smeeken van
Klaas, werd Uilenspiegel gepakt en gevangengezet. Eene maand en drie
dagen bleef hij in den kerker opgesloten, zonder iemand te zien. De
cipier at de drie kwart van zijn eten op. Intusschentijd deed men
onderzoek over het gedrag van den beklaagde. Er werd alleen bevonden,
dat hij een meedoogenlooze spotter was, die met iedereen gekscheerde,
maar dat hij nooit het minste kwaad gesproken had noch van den Heere
God, noch van de Maagd Maria, noch van de santen. Weshalve de sententie
dan ook zacht was; want men hadde hem kunnen brandmerken of geeselen
met schorpioenen.
Om den wille van zijn jeugdigen leeftijd, veroordeelden de rechters
hem enkel om, in zijn hemde, barrevoets en blootshoofds en met eene
waskeers in de hand, achter de priesters te stappen, in 't midden
van de eerste processie, die zou uitgaan.
Het was Ons-Heeren-Hemelvaart.
Als de processie binnentrok, moest hij in 't portaal van
Onze-Lieve-Vrouwekerk blijven staan en uitroepen:
--Dank zij Jezus-Christus! Dank zij de eerweerde geestelijken! Hunne
gebeden zijn zoet en verkwikkend voor de zielen in 't vagevuur; want
elk ave is een emmer water, die haar op den rug valt, en elk pater
eene kuip.
En het volk aanhoorde hem devotelijk, doch niet zonder lachen.
Op den Eersten-Sinksendag, moest hij nogmaals de processie volgen; hij
was barrevoets en blootshoofds, in zijn hemde, met eene waskeers in de
hand. Bij het binnengaan in 't portaal, met zijne keers eerbiediglijk
in de hand, hoewel hij moeite deed om niet in lachen uit te bersten,
sprak hij met een luide en heldere stem:
--Zoo de gebeden der christenen veel verlichting brengen
aan de zielen van 't vagevuur, zoo geven die van den deken van
Onze-Lieve-Vrouwekerk--een heilig man die alle deugden beoefent--zulk
eene verkwikking aan de smerten des vuurs, dat dit laatste seffens in
ijs verandert. Maar de duivelen, die het vuur moeten poken, krijgen
er geen zier van.
En weer luisterde het volk devotelijk, doch niet zonder lachen,
en de deken glimlachte inwendiglijk.
Verder werd Uilenspiegel voor drie jaren uit Vlaanderenland gebannen;
hem werd tevens opgelegd eene bedevaart naar Rome te doen en terug
te komen met de Pauselijke absolutie.
Klaas moest drie gulden voor deze sententie betalen, maar hij gaf er
nog eenen aan zijn zoon en daarboven eene pelgrimspij.
Op den dag van 't vertrek was Uilenspiegel 't hert in, toen hij
Klaas en Soetkin kuste, want ze schreide bitter, de arme moeder. Zij
deden hem uitgeleide tot verre op den weg, in gezelschap van meerdere
poorters en poorteressen.
Toen Klaas terug in de hut trad, sprak hij tot Soetkin:
--Vrouwe, 't is toch wreed een zoo jongen knaap tot zulke strenge
straf te veroordeelen, en dit voor eenige lichtzinnige woorden.
--Gij weent, man, sprak Soetkin; gij bemint hem meer dan ge wilt laten
blijken, want daar berst gij uit in mannelijke snikken, die de tranen
van den leeuw zijn.
Maar hij antwoordde niet.
Nele was zich in de schuur gaan verbergen, opdat niemand zien zou,
dat ook zij weende om Uilenspiegel. Van verre volgde zij Soetkin en
Klaas, de poorters en poorteressen; en toen zij heuren vriend alleen
zag voortgaan, liep ze naar hem en sprong hem om den hals:
--Ginder zult gij schoone vrouwen vinden, sprak zij.
--Schoon, misschien, antwoordde Uilenspiegel, maar toch zoo frisch
niet als gij, want zij zijn allen verbrand van de zonne.
Lang nog stapten zij samen voort: Uilenspiegel was nadenkend en
prevelde van tijd tot tijd:
--Die zielmissen zullen ze mij betalen.
--Welke missen en wie zal betalen? vroeg Nele.
Uilenspiegel antwoordde:
--Alle dekenen, parochiepapen, geestelijken, kosters en andere
hooge en lage zotskappen, die ons allerhande domheden willen doen
slikken. Was ik een noeste arbeider geweest, dan was ik voor drie jaar
mijn dagloon bestolen, met hunne bedevaart. Maar 't is de arme Klaas,
die betaalt. Mijne drie jaar zal ik hun honderdvoudig betaald zetten;
ik zal hun eene zielmis zingen, die hun aan de ribben zal hangen.
--Laas! Thijl, wees toch voorzichtig, zij zouden u levend verbranden,
antwoordde Nele.
Ik ben vuurvast, antwoordde Uilenspiegel.
En zij namen afscheid van elkander: zij badend in tranen, hij
droefgeestig en gram.