VOORREDE VAN DEN UIL [1]

Heeren kunstenaars, heeren uitgevers, heer dichter, ik heb u eenige

aanmerkingen te doen aangaande uwe eerste uitgave. Hoe! in dat

lijvige boek, in dien olifant dien gij met achttienen naar den roem

tracht te drijven, hebt gij het kleinste plaatsje niet gegund aan

den vogel van Minerva, den wijzen, omzichtigen uil! In Duitschland

en in dat Vlaanderen dat gij zoozeer bemint, reis ik gedurig op den

schouder van Uilenspiegel, die maar aldus genoemd wordt, omdat zijn

naam bediedt: Uil en Spiegel, wijsheid en komediespel. Die van Damme,

waar hij geboren werd, naar men zegt, spreken uit: Ulenspiegel, door

samentrekking en de gewoonte die zij hebben u in stee van Ui uit te

spreken. Dat is hunne zaak.

Gij hebt eene andere uitlegging uitgedacht: Ulen voor U lieden Spiegel,

de Spiegel van U, boeren en heeren, geregeerden en regeerders, de

spiegel van de dwaasheden, de belachelijkheden, de misdaden van een

tijdstip. Dat was vernuftig, maar onredelijk. Men moet nooit afbreken

met den slenter.

Misschien vondt gij het vreemd de wijsheid te verbeelden door een--naar

uwe meening--treurigen, belachelijken vogel, een gebrilden schoolvos,

een kermis-grappenmaker, een vriend der duisternis, dien men niet

hoort vliegen en die doodt zonder dat men hem hoort komen, evenals de

Dood. Nochtans gelijkt gij op mij, huichelaars die lacht met mij. In

menige uwer nachten stroomde het bloed onder de slagen der Moord,

die op vilten zolen liep, opdat men heur ook niet zoude hooren komen.

Brak, in uw aller geschiedenis, nooit geen bleeke dageraad aan, die met

zijn vale schemering de met lijken van mannen, vrouwen en kinderen

bedekte straatsteenen verlichtte? Waarvan leeft uwe Staatkunde,

sedert dat gij over de wereld regeert? Van worgen en moorden.

Ik, uil, de leelijke uil, ik dood om mij te spijzen, om mijne jongen

te spijzen, ik dood niet om te dooden. Verwijt gij mij de vogeltjes

op te peuzelen, dan kan ik u even goed de slachting verwijten die

gij aanricht onder alles wat leeft. Gij hebt boeken geschreven waarin

gij met verteedering spreekt over de lichtheid van de vogelen, over

hunne minnarijen, over hunne schoonheid, over de kunst waarmede zij hun

nestje bouwen, en over de angsten des moederschaps, vervolgens zegt gij

met welke saus men ze moet opdienen en in welke maand van het jaar zij

de vetste stoverij opleveren. Ik, ik maak geen boeken, God beware mij

daarvoor, anders schreef ik dat, als gij den vogel niet kunt opeten,

gij het nest opeet, uit vreeze dat gij een hap zoudt verliezen.

Wat u betreft, onbesuisde dichter, het was uw belang mij terug te

brengen in uw werk, waarvan ten minste twintig hoofdstukken mij

toebehooren [2] de andere laat ik u in onbetwisten eigendom. Men mag

toch wel het volstrekt meesterschap behouden over de domheden die

men laat drukken. Schreeuwende dichter, gij slaat links en rechts op

die welke gij de beulen des vaderlands heet, gij stelt Keizer Karel

en Philips II aan den schandpaal der geschiedenis; gij zijt geen

uil; gij zijt niet voorzichtig. Weet gij of er geen Keizer Karel

of geen Philips II op de wereld meer bestaan? Vreest gij niet dat

eene opmerkzame censuur uit den buik van uwen olifant toespelingen

op doorluchtige tijdgenooten vinde? Waarom laat gij dien Keizer en

dien Koning niet slapen in hun graf? Waarom moet gij al die majesteit

aanblaffen? Die het zweerd trekt, zal door het zweerd vergaan. Er zijn

menschen die het u nooit zullen vergeven, ik ook vergeef het u niet,

gij stoort mijne burgerlijke spijsvertering.

Wat beteekent die bestendige tegenstelling tusschen een verfoeiden

koning, wreedaardig van jongs af--daarom is het een mensch--en

dat Vlaamsche volk, dat gij ons wilt voorstellen als heldhaftig,

gulhartig, eerlijk en werkzaam? Wie zegt u dat die koning slecht en

dat volk goed was? Wijselijk zou ik u het tegenovergestelde kunnen

bewijzen. Uwe hoofdpersonages zijn dwazen of zotten, zonder er een

uit te zonderen: uw deugniet van Uilenspiegel neemt de wapenen op

voor de gewetensvrijheid; zijn vader Klaas sterft, laat zich levend

verbranden voor zijne godsdienstige overtuiging; zijne moeder, Soetkin,

kwijnt van verdriet en sterft ten gevolge van de foltering, om een

fortuin voor haren zoon te bewaren; uw Lamme Goedzak stapt recht door

het leven alsof het al was, goed en eerlijk op deze wereld te zijn;

uwe kleine Nele, die niet leelijk is, bemint in heel haar leven maar

een enkelen man.... Waar ziet men nog zulke dingen? Ik zou u beklagen,

zoo ge mij niet deedt lachen.

Nochtans moet ik bekennen dat naast die bespottelijke personages, er

wel eenige zijn die ik geerne onder mijne boezemvrienden zoude nemen:

uwe Spaansche huurlingen, uwe monniken die het gemeen verbranden,

uwe Gilline, spionneerster der Inquisitie, uw gierige vischverkooper,

aanklager en weerwolf, uw edelman die 's nachts duivel speelt om eene

onnoozele te verleiden, en vooral dien omzichtigen Philips II, die,

geld noodig hebbende, de heilige beelden in de kerken doet breken,

ten einde een opstand te beteugelen waarvan hij de wijze aanstoker

was. Minder kan men toch niet, als men geroepen is te erven van

degenen die men doodt.

Maar ik geloof dat al mijne woorden verloren moeite zijn. Gij weet

niet wat een uil is. Ik ga het u zeggen.

De uil is hij die in 't geniep, eerroof stookt onder de lieden

die hem hinderlijk zijn en die, als men hem vraagt of hij de

verantwoordelijkheid over zijne gezegden wil dragen, voorzichtig

antwoordt: Ik bevestig niets, Men heeft mij gezegd.... Hij weet wel

dat Men onvindbaar is.

Uil is hij die een eerlijk gezin binnendringt, zich aanstelt als

een trouwer, een meisje verleidt, geld ontleent, soms zijne schuld

betaalt en henengaat als er niets meer te nemen is.

Uil, de politieke man die een masker van vrijheid, van oprechtheid,

van menschenliefde opzet en die, op een gegeven oogenblik, zonder te

verwittigen, een man of eene natie zachtjes de keel toeworgt.

Uil, de koopman die zijnen wijn doopt, zijne eetwaren vervalscht,

een kwade maag brengt daar waar spijsverteering,--woede, daar waar

vroolijkheid was.

Uil, hij die behendig steelt, zonder dat men hem bij den kraag vatten

kan, valsch getuigt tegen de waarheid, de weduwe ten onder brengt,

de weeze stroopt, en zegepraalt in 't vet, lijk anderen zegepralen in

't bloed.

Uilin, zij die hare schoonheid verkoopt, de beste harten van

jongelieden vermorst, dat heeten: de jeugd vormen, en ze zonder eenen

cent, achterlaat in het slijk waarin zij hen sleepte.

Als ze ooit treurig gestemd is, zich ooit herinnert dat ze vrouw is,

moeder zoude kunnen zijn, dan verloochen ik heur. Als ze, dat bestaan

moede, in 't water springt, dan is zij eene zinnelooze, die niet

verdiende te leven.

Zie rondom u, domme schrijver, en tel, als gij kunt, de uilen van deze

wereld; bedenk of het voorzichtig is gelijk gij het doet, van Macht

en List, die koninginnen der uilen, aan te vallen. Kom tot inkeer,

zeg mea culpa en vraag op uwe knieën om vergiffenis.

Nochtans hebt gij mijne belangstelling gewonnen door uwe onbesuisdheid,

vol zelfvertrouwen; tegen mijne gekende gewoonten in, verwittig ik u

dan ook dat ik, op staanden voet, de grofheid en roekeloosheid van

uwen stijl ga aanklagen bij mijne neven in letterkunde, die eene

sterke pen, eene stoute tong en voortreffelijke brillen hebben, en

zeer voorzichtige en pedante lieden zijn, die uwen trant niet gewoon

zijn en hunne taal zoozeer kuischen, dat er ten lange laatste niets

zal van overblijven. [3]

Bubulus Bubb.

De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders · 第 4 / 195 题