DE LAATSTE OOGENBLIKKEN VAN CHARLES DE COSTER.

Charles De Coster stierf op 7 Mei 1879, te Elsene, in het huis, dat

den hoek uitmaakt van de Gewijde-Boomstraat, en toen gehuurd werd

door een fruitverkooper. Heel de woning van den grooten kunstenaar

bestond uit de twee kamers op de eerste verdieping: de grootste was

zijn werkkabinet, de andere zijne slaapkamer; daarin stonden een

ijzeren bed, een kleine tafel, een houten kast, eenige stoelen.

Hij had zich den dag te voren te bed gelegd: de pisvloed waaraan

hij leed, en diens noodlottige gezellin, de longtering, waren

plotseling verergerd. Charles De Coster nam zelden zijne toevlucht tot

geneesheeren; een zijner vrienden nochtans, M. Kirkpatrick, verschrikt

over den voortgang van de kwaal, had den heer dokter Vaucleroy,

geneesheer aan de Krijgsschool, ontboden. Toen deze kwam, vond hij

aan de sponde van den zieke eene oppasster, die De Coster in zijn

verheven en grenzenloos medelijden met de onterfden en ongelukkigen,

bij zich genomen had. Deze arme vrouw, die bij den zieltogende waakte,

was zelve het toonbeeld des doods; heel haar aangezicht was ingevreten

door zweren. De geneesheer ging heen zonder hoop den zieke te redden,

maar hij voorzag toch geen dreigenden dood: hij zou 's anderen daags

namiddags terugkomen.

's Anderen daags scheen De Coster zijn nakend einde niet bewust te

zijn, want hij vroeg noch naar zijnen schoonbroeder, noch naar zijne

zuster, die hij aanbad. Doch hij wilde zich omringen van vrienden,

als om zijn lichaam en zijn hart te verwarmen. Hij liet deze roepen,

die in de nabijheid woonden: zoo werden Félix Bouré, de beeldhouwer,

en later ik zelf geroepen. Bouré was ziek; hij verwittigde zijn

broeder, mede een vriend van De Coster: de heer Bouré vond in het

werkkabinet kapitein Mertens die, diep bedroefd, in de kamer van den

zieke niet dorst gaan. Deze betoonde een levendige erkentelijkheid

aan den heer Bouré, die zijn bed wat gemakkelijker schikte en hem te

drinken gaf. Toen ik en mijne vrouw op onze beurt kwamen, richtte De

Coster zich op in zijn bed en herkende mij heel goed. Kloekmoedig in

het aanschijn van den dood, had hij nog het gedacht om den heer Bouré

en mij aan elkander voor te stellen. De heer Bouré bevestigde mij dat

hij, toespeling makend op mijn beroep van advocaat, eenige Latijnsche

woorden mompelde. Maar zijn blik verduisterde, zijne ademhaling werd

hijgend; toen mijne vrouw hem naderde om zijn hoofdkussen te schikken

en zijn voorhoofd te verfrisschen, moest hij eene inspanning doen om

heur te herkennen: "Hoe, gij ook, mevrouw, ik dank u zeer!" Daarna

werd de ademhaling flauwer, een laatste naam, die zijner zuster,

kwam pijnlijk over zijne lippen: "Ca...ro...line". Het was zijn hart,

dat ontsnapte. Het was twee uren.

Hector Denis.

De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders · 第 3 / 195 题