II.

_De Aankomst._

J'y suis... en ik zal er moeten blijven ook. Terstond na mijn aankomst,

haastte ik mij, tante Adolphine van mijn voorloopig behouden-zijn op de

hoogte te brengen, in ongeveer de volgende bewoordingen:

Klei-lust--Jan. 17.

_Hooggeschatte Tante._

Uw auto heeft mij snel, helaas àl te snel, naar mijn Winterkurort

gebracht. Om u maar direct de waarheid te zeggen: ik ben nog nooit in

eenig hôtel zoo vreemd ontvangen. Het was, alsof ik allesbehalve welkom

was, en een brutale indringer. Nu weet niemand zoo goed als gij, hoe

weinig deze tocht met mijn persoonlijk initiatief uitstaande heeft,

en hoezeer het voornemen er toe beïnfluenceerd werd door Hoogerhand.

Desondanks gedroeg men zich jegens mij, zooals ik dat wel eens

ondervonden had in hôtels, in de haute saison, wanneer ik weinig bagage

had, of mijn komst niet telegrafisch vooruit gemeld had.

[Illustratie]

Het vreemde is, dat in dit geval een telegram mij vooruit gegaan was,

dat ik bagage had (een kist van de kleur en afmetingen eener gemiddelde

salon-pianino-met-pianola-aanbouw) en dat het seizoen het goede niet

is... de wintersport is uit, en de sneeuw is versmolten tot kwalijk

riekende, vette teel-aarde. En tòch, tante, ontving men mij als een

indringer.

Licht blozend om het pijnlijke dier situatie, volgde ik een

chasseur-à-pied naar het rez-de-chaussée-vertrek, dat ik met een

twintigtal andere logeergasten deel.

Het was er duister, want het eenige venster was zoo groot als een

»Palthe-doos,« en bovendien ten halve gesloten.

Intusschen bleek mij aanstonds, dat mijne twintig adsp. kamermakkers

zich reeds zoozeer geassimileerd hadden aan deze nooddruftige

toestanden, dat zij blijkbaar kans gezien hadden, met hun twintigen mijn

aankomst door deze halve palthe doos te bespieden.

Tenminste, zij riepen, doelende op uw fraaie limousine, als in koor

»heijeveelgeldmeegebracht?«

Ik begreep dien kreet niet aanstonds, maar, instede van hem zoo

phonetisch-juist mogelijk te herhalen, vraagde ik: »pardon?«

[Illustratie]

Weer riepen zij, nu duidelijker accentueerend:

»Hei-je-veel-geld-meê-gebracht?«

Der waarheid getrouw haastte ik mij te antwoorden:

»Twee-gulde-vijf-en-zestig-cente, een zilverbon en twee pietjes.« Op

dat oogenblik bedacht ik, dat de Amerikaansche tol-beambten dezelfde,

oppervlakkig ietwat onbescheiden lijkende, vraag aan vreemdelingen

plegen te stellen.

Reeds tastte ik naar mijn beursje, om mijne bewering waar te maken, toen

een der vriendelijkste heeren zich ten halve van zijn bed verhief, en

riep: »Wat mot je!«

Iet of wat stotterend zeide ik, met een lichte buiging: »Mijn naam is

Stoke.«

Hij lachte honend, alsof ik gezegd had: »mijn tante heet Adolphine,« en

gaf toen van zijn geringe belangstelling blijk, met de woorden:

»Kamme niks verdomme, wat mòt je?«

Toen zocht ik eenige oogenblikken naar een populaire uitdrukking,

teneinde hem van repliek te kunnen dienen, en vond er inderdaad eene,

die ik met een gelaat, stralend van zelfvoldoening, uitsprak:

»Had je me maar!«

Hoewel dit antwoord evenmin voor snedig als voor buitengemeen passend

kon doorgaan, bracht het mij eenige sympathie van de zijde mijner

makkers, en reeds stonden wij op het punt gezamenlijk een lied aan te

heffen, toen de verbroederingsdroom wreedelijk verstoord werd door een

superieur, die mij naar een ander vertrek voerde, dit hebbende twéé

palthe-doozen en een nis aan de achterzijde, en dat bestemd bleek voor

mij en een twintigtal andere krijgsknechten.

[Illustratie]

Ik zal u niet vermoeien, tante, met de geschiedenis der nieuwe

kennismaking, of met de omschrijving der geuren, waarmede de atmosfeer

dezer bij uitstek kleine ruimte bezwangerd werd, en die opstegen uit een

walmende pot met _haren_ (= zuurkool) en uit eenige andere wierookvaten

en vaatwerken.

Te middernacht lag ik te bed; de geuren waren als lauwe walmen om

mij heen; wanneer ik het hoofd méér dan twee centimeters van het

stroo-kussen ophief, bezeerde ik het aan de ijzeren matras van mijn

bovenbuurman. Op de boot en in den trein is een bovenbuur in de cabin

lastig, op een fort is hij onuitstaanbaar. Wanneer hij even woelt,

kraakt de roestige kribbe verdacht, en een wolk van stof en stroohalmen

daalt op den argeloozen beneden-man. Het werd één uur.

Men walmde, kraakte, nieste, snorkte en riekte.

Het was, alsof het bovenbed langzaam dalen ging, om mij te verpletteren;

ik was koortsig en benauwd. De stroohalmen kietelden mij... en men

bleef walmen en snorken. Toen, tante, draaide ik mij om... en ziet, de

natuur kwam mij troosten.

Door een der geopende palthe-doozen ontwaarde ik een vaag landschap: wat

wazige boom-silhouetten tegen een bewolkten nachthemel, waardoor het

maanlicht vreemde schaduwen en lichtvlekken deed drijven. Nu en dan

liet een wolk een stukje donkeren nachthemel vrij, met een troostend

sterretje erin: ik moest denken aan de taart mijner kinderverjaardagen,

waarvan _een-stuk-met-een-kersje_ hèt ideaal was...

De nachthemel zag er zoo frisch uit... maar zoo vèr. Maar hij gaf mij de

illussie van _buiten_-te-zijn. »_Ik ben buiten_« herhaalde ik een paar

malen bij mijzelven:

_Ik woon nu heerlijk buiten..._

En met die troostende gedachte, sliep ik, walm en nies en snork ten

spijt, rustig en berustend in...

* * * * *

_Aardappel-practijk._

Lezer hebt ge wel eens een _aardappel_ gezien? Neen, ik meen

nu geen pommes-frites, of pommes-paille; ik bedoel zelfs niet de

pommes-de-terre-en-robe-de-chambre, die ge als natuurgerecht met

rustieke fierheid op uw tafel doet brengen; dit zijn altemaal

degeneraties van _het begrip aardappel_.

Ik meen een _aardappel_, geen gekookte of gebakken luxe-aardappel,

en geen verwijfd-reine aardappel, zooals die in een kelderkist ligt,

maar een doodgewone aardappel.

Ziet, daar staat ge nu!

Een aardappel, luister nu, is in den natuurlijken staat een _bonk klei_;

wanneer ge met een vlijmscherp pennemes de omgevende humuslaag

voorzichtig verwijdert, stoot ge op de aardvrucht zelve; deze heeft de

grootte van een gemiddelde rose oliebol!

Van zulke aardappelen, lezer, maak ik er iederen morgen vijf of zes, al

naar men mij daarvoor één of anderhalf uur den tijd geeft, voor de

consumptie gereed.

Des morgens drijft men mij en mijne kameraden naar een houten loods,

die tot opslagplaats van landbouw- en oorlogsmateriaal dient, te

oordeelen naar eenige spaden, eggen en --------[H], die daar opgeslagen

staan.

[H] Door den censor geschrapt.

In deze loods dan, werden wij te hoop gedreven, en zullen wij in den

vervolge iederen morgen te hoop gedreven worden, om aardappelen te

jassen.

Jassen is een kunst.

Men _schilt_ een appel, _pelt_ een sinaasappel, doch _jast_ een

aardappel.

Ook ik jaste.

Daartoe deed ik, zooals mijne kameraden deden; nam plaats op een lage

tabouret, scherpte het overigens reeds vlijmscherp pennemes aan den

schoenzool... en... jaste.

[Illustratie]

Ik jaste voorzichtig, en slaagde er in, in anderhalf uur tijds vijf

aardappelen, te weten: 2 groote, één middelsoort, en 2 kleinere, in

blanke vruchten te doen verkeeren.

Aanvankelijk ondervond ik eenigen tegenslag; uit de eerste aardappel,

die ik kerfde, kwam iets te voorschijn: het was een zesvoetig insect,

dat zich bliksemsnel verwijderde in de richting van mijn jassende hand.

Ik slaakte een gil, en liet de vrucht vallen; deze spatte uiteen op een

stuk veldgeschut, dat daar toevallig stond, en danig bevuild geraakte.

»Kààk uit!« snauwde zekere _Uiltjesbroekersma_, een Fries, die naast mij

jaste: »ik zal je het fort naar je hoofd gooie!« Aangezien het fort te

Kleilust groot en zwaar is, verbeet ik mijn woede, en greep een nieuwe

aardappel.

Ditmaal was het een werkelijk buitengemeen groot exemplaar, omgeven

door een dikken humuslaag. Na deze voorzichtig verwijderd te hebben,

sneed ik, zuinigheidshalve, in dunne vliesjes de schil weg, want ik

herinnerde mij, dat een aardappel vlàk ónder de schil het voedzaamst is.

Er bleef, na een half uur jassens, een groote blanke vrucht over; maar

deze staarde mij uit zoovele lodderige oogen droevig aan, dat ik besloot

de enucleatie toe te gaan passen, m.a.w. al deze oogen uit hunne kassen

te verwijderen. Na een ander half uur opereerens, staarde ik op een

vreemd gevormde vrucht, vol diepe en ledige, netjes schoongekrabde

oogkassen.

[Illustratie]

Maar, het mocht dan drie kwartieren arbeids vertegenwoordigen, het was

een prima consumptie-aardappel; wel niet om van te watertanden (er waren

duidelijk zichtbare afdrukken op van mijn vettig-zwarte vingers, dit

kwam door het stuk geschut, dat ik getracht had te reinigen), maar dan

toch een prima aardappel.

»Nou?« zei ik fier tot den naast mij zittenden man, die

_Uiltjesbroekersma_ heette, en een Fries was,--»nou? Had je me maar?« Ik

lachte populair.

Van Aardappel-mes tot Officiersdegen Uit het Dagboek van een Landstormplichtige. · 第 44 / 60 题