I.

_Het vertrek naar het »Winterkurort«._

En hiermede, goedmoedige en geduldige lezer, vangt een nieuwe reeks

veldzakboekbladen aan.

Dit feit hebt gij te wijten en ik te danken aan de beschikking omtrent

mij en mijne kornuiten door »_hoogerhand_« genomen; de beschikking, die

ons eene in het burgerleven voor »bescheiden beurzen« nauwelijks

denkbare luxe in het uitzicht stelt, nl. die van een _Winterkurort_.

Een besluit, dat ons tot den werkelijken dienst terugroept.

Ach, hoe weingen onder u beschikken over den tijd en de middelen om u

een winterbuitenverblijf te veroorloven... wanneer ik dit bedenk, wensch

ik bijna, dat gij in mijn plaats (derde klas vrij vervoer) naar

_Klei-lust_ gaan kondet.

[Illustratie]

Om militaire redenen noem ik mijn bestemmingsplaats _Klei-lust_, hoewel

ik, naar hetgeen men mij er van vertelt, even zoo goed de geografische

schuilnamen: _Modder-_, _Stank-_, _Vee-_, _Slik-_ of _Boerenkool-lust_

zoude hebben kunnen bezigen.

Intusschen behaagt het mij, deze brieven met _Klei-lust_ te

onderschrijven, welke naam trouwens reeds boven mijn schrijfpapier en op

mijne visitekaartjes is gedrukt.

Vooralsnog ben ik echter te Amsterdam, en bereid mij voor op de reis; ik

bereid mij voor met ongeveer dezelfde vreugde als die, waarmede gij in

vredestijd uw sweaters en pelsjasjes en mutsen te zamen zoekt om een

Kerstvacantie in Grindelwald of Sint Moritz te gaan doorbrengen.

_Mijn_ sneeuw, lezer, zal modder, _mijn_ hôtel een fort, en _mijn_

Grindelwald _Klei-lust_ zijn.

[Illustratie]

Ik zoek dan ook niet zoozeer zaken bijeen, die mij van koude en sneeuw

zullen kunnen vrijwaren, dan wel uitrustingstukken waarmede ik mij

althans eenigszins zal kunnen wapenen tegen onaangename zaken, als daar

zijn: spattend slik, springend ongedierte, een middelmatige keuken en

een lakenloos nachtleger.

Zoo ziet ge, dat mijn bagage er een van andere soort zal zijn dan de

uwe, wanneer ge naar uw wintersport gaat. Ik--ook niet dom--combineer de

Cresta-run met het Modderbad, drink heilzame wateren, eet bruin brood,

en wandel bij muziek (militaire)... en dit alles onder den rook van

Amsterdam, met vrij vervoer, en met eene bezoldiging van twintig cent

per dag!

Haha, lezer! Ik zie afgunst in uwe oogen! Gij zult den heelen winter in

Amsterdam zijn om u te laten plukken op liefdadigheids-bazars, om

eetverplichtingen na te komen, en digestie-visites te maken....

En ik ga den heelen winter naar buiten.

Dit bedenkende, ga ik met dubbelen ijver voort met het pakken van mijn

dressing-case.... of liever ransel; ik stapel pakjes zeep en blikken

corned-beef op doozen insecten-poeder, en van tijd tot tijd werpt een

vriendelijke hand een worst of een zijde spek tusschen de tot inpakken

gereed liggende laarzen en lijfgoederen.

»Zult ge,« vraagt tante Adolphine, »vriendelijk tegen uwe meerderen

zijn? Wie houdt nu zulk een fort schoon, waar zoovele jongelui bijeen

zijn? Is er een portier, die uwe brieven en boodschappen aanneemt?«

Ik verzeker haar, dat mijne meerderen zich niet over hondschheid

mijnerzijds te beklagen zullen hebben, dat een tiental schoonmaaksters

en huisknechten mij en »de andere jongelui« keurig zullen verzorgen, en

dat een rijk gegalonneerde portier steeds bij de fortbrug gereed staat

om, natuurlijk tegen eene kleine belooning, brieven, boodschappen en

handkoffers aan te nemen.

[Illustratie]

Tante Adolphine is gerust gesteld, en zij biedt mij haar auto aan, om

daarin naar het fort te rijden.

Indien het eenigszins mogelijk is, zal ik dat aanbod aanvaarden.

Wanneer?

Lezer, wanneer dit schrijven onder uwe oogen komt, zal ik er reeds zijn.

Het afscheid heeft plaats op hetzelfde oogenblik dat ik deze regelen

schrijf.

En, wanneer zij u, tot strengen lettervorm gevoegd, onder de oogen

komen, dan zult gij niet weten, dat op deze plaats van het manuscript

een dikke, zware traan gevallen is.

Van Aardappel-mes tot Officiersdegen Uit het Dagboek van een Landstormplichtige. · 第 42 / 60 题