UIT HET MILITAIRE DAGBOEK VAN MELIS STOKE.

_10 Maart 1916._

...Ik zit in het lokaal waarin wij, honderden burgers van--hoe

wonderlijk--één en dezelfden leeftijd, tezamen zijn gekomen om soldaat

te worden.

Honderden kleine drama's op één dag, geduldige lezer, en ge hebt

het niet geweten! Ach, dagelijks spelen zich om ons heen duizenden

kleine drama's af: een vlieg in de soep, een lekke fietsband van een

plattelands-geneesheer, of een kip gestolen... wij weten het niet. En

toch zijn het drama's, dramatischer drama's wellicht dan die groote,

waarvan de dagbladen ons vertellen, en die ons besef volkomen te boven

gaan... een transportschip getorpedeerd, een lange lijst vermisten, een

dorp in puin... wiens adem stokt er nog bij?

Onze drama's zijn van minimale belangrijkheid, en wij schreeuwen zóó

luid en aanhoudend door elkander, dat ons besef er door insluimert.

Er zitten hier 24-jarigen met baarden, en 24-jarigen met

kindergezichten; er zijn hier 24-jarigen wier vrouwen buiten wachten, en

24-jarigen uit wier zakken rollen chocolade van moeder-thuis steken.

Ik wist niet, dat er zóóveel verschillende soorten van 24-jarigen waren!

Persoonlijk reken ik mij tot de 24-jarigen, die: »aan een drukke studie-

en werkkring ontrukt zijn«.

Ons drama is van uitsluitend moreelen aard! Wat laten wij achter?... wat

dictaten, wat half-àf werk, wat onnutte en wat strikt òn-ontbeerlijke

zaken... kortom de inhoud van een requisieten-kamer van een

tooneelgezelschap dat »gezelschappelijke stukken« vertoont.

Wat de anderen achterlaten, kan ik bij verre na niet nagaan. De man

naast mij, naar zijn adem te oordeelen, een ledige jenever-flesch, en

die tegenover mij een huilende vrouw... Enfin, dat alles zal ik nog

vernemen!

Ik zal een dagboek houden; dat denkbeeld geeft mij wat rust. Daardoor

heb ik mijn houding bepaald tot eene beschouwende.

Want ik wist eerst werkelijk niet of ik moest mede-tieren of niet... nu

ik mijn houding bepaald heb, gevoel ik mij waarlijk pleizierig.

Of iemand zich voor mijn dagboek interesseeren zal? Ik weet het niet.

De menschen lezen altijd weer over datzelfde simpele thema: de liefde.

Waarom zouden ze niet over »den dienst« willen lezen?

De liefde en de krijgsdienst... ze voltrekken zich immers aan iederen

levenden mensch!

* * * * *

Het getier houdt aan; het is of ik een meeting bijwoon, zonder sprekers.

Toch, er is er een; hij draagt uniform en beklimt een stoel. Meer uit

nieuwsgierigheid dan eerbied verstomt het getier.

»Vanaf dit oogenblik«, zegt de redenaar, »staan jullie onder militairen

tucht«.

Het gehuil verdubbelt...

Men voert ons met vieren de stad door.

Mijn broer wenkt mij toe uit een venster.

Ik glimlach... ietwat zuur.

Vrouwen loopen mede met den stoet, havelooze vrouwen.

Opeens vind ik mijn jas veel te mooi; ik zet mijn kraag op...

Vreemd... dit is het eerste »sociale gevoel« van mijn leven...

Daarom moet ik, ditmaal oprecht, even lachen...

* * * * *

De rest is een roes...

Wij naderen de kazerne... wij gaan het hek binnen... het volk blijft

achter.

Een kort, reëel besef van het feit: dat wij nu »soldaten onder elkaar

zijn«.

Inderdaad, er is geen vrouw op het wijde kazerneplein te ontdekken; maar

des te meer soldaten.

Ik heb nog nooit zulke soldaten gezien; ze dragen geen blinkende

uniformen en wapenen, maar grauwe kleeren, vol modder; zooiets als

schoonmaaksters, maar dan in het mannelijk.

Een naamloos wee stijgt mij naar de keel: aardappelenschillen...

dwijlen... emmers... zeepwater......!!!

Een roode sergeant-majoor leest ons de krijgsartikelen voor; hij vergeet

komma's en punten.... begrijpt de moeilijk-officieele zinswendingen zelf

niet.

Telkens verheft hij even den stem, dan hooren wij: »_doodstraf_«, »_dood

door den kogel_«, »_de kogel_«. De man naast mij siddert; ik ben veel

banger voor de aardappels en het zeepwater en de dwijlen.

Men brengt ons naar groote slaapvertrekken.

Ik val neer op een vuilen ijzeren krib; mijn mooie jas kreukt....

Een handvol cigaretten geef ik om mij heen.

Zwarte, vuile handen zijn gretig naar mij uitgestrekt.

Ik geef nòg meer cigaretten... mijn koker is leeg... er is er geen meer

over voor mij-zelf.

Dan steekt een der groezelige handen mij een sigaret toe.

»Hier, je heb' er zelf geen meer over!«

Ik kijk verbaasd op. De man lacht wat verlegen: »Ik had 'er twéé

genòme!«

Dan lach ik; ook ditmaal oprecht...

Het is het tweede »sociale oogenblik« van mijn leven.

* * * * *

_13 Maart._

Ik kan nog niet aan mijn dagboek werken. De indrukken zijn tévele. Ik

wist niet, dat het volk zóózeer geleek, op de menschen die over »het

volk« praten. Men kleedt ons in uniforme kleedingstukken.

Dat is prettig.

* * * * *

_14 Maart._

Mijn mooie jas hangt thuis. Ik loop nu in uniform, en groet op straat

méér menschen dan ooit te voren. Ik ken ze niet eens persoonlijk. Als ik

ze niet groet, krijg ik straf.

* * * * *

_18 Maart._

Neen, het wordt geen dagboek; het worden losse notities... Ik stuur ze

in bij de redactie van de »_Groene_«.

Ik noem ze:

Van Aardappel-mes tot Officiersdegen Uit het Dagboek van een Landstormplichtige. · 第 10 / 60 题