Beschryving van eene Suiker-Plantagie.--Huisselyk geluk in
zekere hut.--Krygs-verrigtingen van den Generaal FOURGEOUD.
--De Duncane, Igname en Soubacou.--Wreedheden van zommige
Opzigters der Plantagiën.--Onderscheidene zoorten van
visschen.--Misnoegen van eenen Capitain der muitelingen.
Ik heb gezegd, dat ik op de Hoop het gelukkigst leven leidde. Myn
geluk duurde nog, toen de heer en mevrouw LOLKENS, my een bezoek
hebbende komen geven, my in de gelegenheid stelden, om my te kunnen
vervoegen aan de heeren PASSELAIGE, vader en zoon, te Amsterdam, die
de nieuwe eigenaars van myne JOANNA waaren. Zy noodigden my bovendien,
om haar op de Hoop te laten komen, alwaar het verblyf haar aangenaamer
zoude zyn, dan op Fauconberg, of te Paramaribo: men kan denken, of ik
ook gaarne daar in toestemde; en aanstonds gaf ik aan de slaven last,
om eene wooning van Latanusboomen-hout te maken, ten einde haar daar
in te ontfangen.
Te gelyker tyd schreef ik den volgenden brief aan de heeren PASSELAIGE,
vader en zoon:
"MYNE HEEREN!
Ik heb van den heer LOLKENS, Bestuurder der Plantagie Fauconberg,
vernomen, dat gylieden daar van tans eigenaars zyt. Groote
verpligtingen hebbende aan eene uwer Mulatte Slavinnen, de dogter van
wylen den heer KRUYTHOFF, genaamd JOANNA, die my in myne ziekte heeft
opgepast, wilde ik haar myne dankbaarheid betuigen, door van ulieden,
myne Heeren! haare vryheid onverwyld te koopen. Verwaardig u my den
prys op te geven; dezelve zal u op het oogenblik betaald worden;
en gy zult verpligten,