DERTIENDE HOOFTSTUK.

Beschryving van eene Suiker-Plantagie.--Huisselyk geluk in

zekere hut.--Krygs-verrigtingen van den Generaal FOURGEOUD.

--De Duncane, Igname en Soubacou.--Wreedheden van zommige

Opzigters der Plantagiën.--Onderscheidene zoorten van

visschen.--Misnoegen van eenen Capitain der muitelingen.

Ik heb gezegd, dat ik op de Hoop het gelukkigst leven leidde. Myn

geluk duurde nog, toen de heer en mevrouw LOLKENS, my een bezoek

hebbende komen geven, my in de gelegenheid stelden, om my te kunnen

vervoegen aan de heeren PASSELAIGE, vader en zoon, te Amsterdam, die

de nieuwe eigenaars van myne JOANNA waaren. Zy noodigden my bovendien,

om haar op de Hoop te laten komen, alwaar het verblyf haar aangenaamer

zoude zyn, dan op Fauconberg, of te Paramaribo: men kan denken, of ik

ook gaarne daar in toestemde; en aanstonds gaf ik aan de slaven last,

om eene wooning van Latanusboomen-hout te maken, ten einde haar daar

in te ontfangen.

Te gelyker tyd schreef ik den volgenden brief aan de heeren PASSELAIGE,

vader en zoon:

"MYNE HEEREN!

Ik heb van den heer LOLKENS, Bestuurder der Plantagie Fauconberg,

vernomen, dat gylieden daar van tans eigenaars zyt. Groote

verpligtingen hebbende aan eene uwer Mulatte Slavinnen, de dogter van

wylen den heer KRUYTHOFF, genaamd JOANNA, die my in myne ziekte heeft

opgepast, wilde ik haar myne dankbaarheid betuigen, door van ulieden,

myne Heeren! haare vryheid onverwyld te koopen. Verwaardig u my den

prys op te geven; dezelve zal u op het oogenblik betaald worden;

en gy zult verpligten,

Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Compleet · 第 75 / 135 题