Beschryving van Paramaribo, en van het Fort Zelandia.--De
Grow-Mouneck, of graauwe Munnik.--De West-Indische
Abricoos-boom.--Verschillende zoorten van Oranje-boomen.
--De Colonel FOURGEOUD trekt naar de Rivier Maroni.--Een
Capitain word gewond, en eenige soldaaten gedood.--Vreemde
straf-oeffening in de hoofdstad.--Het Fort Sommelsdyk.
--De wachtpost van de Hoop. Duiven en Tortelduiven.--Groenten
en vruchten.--Jacht en wildt.--Steenbakkery.--Insecten.
My thans andermaal te Paramaribo bevindende, zal ik, ter dezer
gelegenheid, de beschryving deezer aangenaame Stad mededeelen. Ik heb
reeds gezegd, dat zy aan de fraaije Rivier Surinamen, zestien of agtien
mylen van derzelver mond, gelegen is. Zy is gebouwd op een zoort van
steenachtigen zandgrond, met de landen rondsomme waterpas liggende,
en maakt een langwerpig vierkant van anderhalve myl lang, en ten
hoogsten een halve myl breed. Alle de straaten zyn volmaakt afgemeeten,
en beplant met oranjeboomen, palmboomen, tamarinde en limoenboomen,
die in alle Jaargetyden bloeien, en zig onder het gewicht van geheele
trossen der geurigste en uitgelezendste vruchten krommen. Men heeft
hier noch gehouwen, noch gebakken steenen voor de straaten noodig;
de steenachtige zandgrond is voldoende; dezelve is niet minder,
dan die der fraaiste tuinen in Europa, en men maakt denzelven nog
aangenaamer, door dien met zeeschelpen te bestrooijen. De huizen,
die meerendeels twee, en zomtyds vier verdiepingen hebben, zyn,
eenigen uitgezonderd, van zeer fraay hout gebouwd. De grondvesten
der gebouwen zyn byna allen van gebakken steen; en kleine gekloofde
planken bedekken de daken in plaats van pannen. Men ziet zeer zeldzaam
glaaze raamen in dit Land; het glas verwekt 'er te veel warmte,
en men gebruikt in plaats van dien, raamen van gaas. Eenige huizen
hebben windluiken of blinden, die men van zes uuren des morgens tot
zes uuren des avonds open houdt. Wat schoorsteenen betreft, ik heb
'er geen enkele in de geheele Volkplanting gezien; men legt geen
vuur aan, dan in de keuken, die altoos van het woonhuis afgelegen is;
men legt het daar aan op den grond, en de rook vliegt door een gat,
in het midden van het dak gemaakt. Deeze houte huizen zyn echter in
Surinamen zeer duur; het huis, het welk de Gouverneur onlangs had
laten bouwen, kostte hem meer dan vyftien duizend ponden sterling. In
de geheele Stad Paramaribo is geen bronwater: elk huis heeft een put,
in den rotsachtigen grond gegraven, die brak water geeft, alleenlyk
dienende voor Negers, het vee, enz. Europeaanen hebben regenbakken,
waar in zy het regenwater tot hun gebruik bewaren: het beste zygt
door een steen, en valt in groote tonnen, of aarde vaten, door de
Indianen gemaakt, die dezelve tegen koopwaren verruilen. De inwooners
van dit Land slapen allen in hangmatten, uitgenomen de Negers, die
meestal op den grond slapen. De hangmatten van lieden van aanzien,
zyn van catoene lynwaat, met zeer ryke franjen omzet. De Indianen
maken die ook, en verkoopen ze zomtyds tot voor dertig guinies. Men
heeft geene dekens noodig: men behoeft alleenlyk gordynen, om zig
tegen de muggen te beveiligen. Zommige lieden hebben bedden, met
gaaze gordynen omringd, welke de lucht vryelyk laaten doorspelen,
en tegen het kleinste insect veilig stellen. De huizen zyn in 't
algemeen te Paramaribo luisterryk verciert met schilderyen, glaswerk,
verguldzels, kristalle kroonen en porceleine potten; de muuren der
kamers zyn nooit bepleisterd, noch met papieren behangzels overdekt,
maar overheerlyk beschoten met kostbaar hout.
Men berekent het getal der huizen te Paramaribo op veertien
honderd. Het voornaamste is het Paleis van den Gouverneur, het welk,
langs een weg in den tuin, met het Fort Zelandia gemeenschap heeft. Dit
Paleis, en het huis van den Bevelhebber van het Fort, waaren de eenige
steene gebouwen in de geheele Volkplanting. Het Stadhuis is een cierlyk
en nieuw gebouw, met pannen belegt. Aldaar houden de verschillende
Hoven van Justitie hunne zitting, en daar boven zyn de gevangenissen,
voor Europeesche misdadigers geschikt, uitgenomen voor krygslieden,
welken men in het Fort Zelandia gevangen zet. De Protestantsche Kerk,
alwaar men den dienst in het Hollandsch en Fransch doet, heeft een
kleine spitse tooren met een uurwerk; de Lutherschen hebben ook
hunne Kerk; en de Joden bezitten twee Synagogen, eene Portugeesche
en eene Hoogduitsche. 'Er is in de Stad een groot Hospitaal voor de
bezetting, en ongelukkig is het nooit ledig. In de Vesting bewaart men
de oorlogs- en mondbehoeften; de soldaten van 's Compagnies krygsvolk
zyn aldaar in barakken gehuisvest, en eenige Officiers hebben 'er vry
goede wooningen. De Stad Paramaribo heeft eene voortreffelyke reede,
alwaar dikwils, op den afstand van een pistoolschoot van den oever,
meer dan honderd koopvaardyschepen geankerd liggen. Zelden zyn
'er minder dan tachtig, geladen met koffy, suiker, cacao, catoen
en indigo voor Holland; verscheide andere hebben slaven van de kust
van Africa aangebragt; en zommige eindelyk zyn uit het noorden van
America, of van de Antillische Eilanden gekomen, om meel, ossen-
en varkens-vleesch, sterke dranken, gezouten haring en makreel,
spermaceti-kaarssen, paarden en grof huisraad tegen verschillende
koopwaaren te verruilen, vooral tegen syroop van suiker (melasse),
waar van de Americanen rhum maken.
De stad Paramaribo heeft geene vestingwerken; zy paalt ten zuid-oosten
aan de Rivier Surinamen, die meer dan een myl breed is; ten westen
aan eene groote zand-woestyn; ten noord-westen aan een ondoordringbaar
bosch; en het Fort Zelandia verdedigt dezelve ten oosten. Het Fort is
van de Stad alleenlyk afgescheiden door eene groote vlakte, alwaar het
krygsvolk de parade doet. Het heeft de gedaante van eene regelmatige
vyfhoek, en heeft maar ééne poort, die aan den kant van de Stad gelegen
is: twee van deszelfs bolwerken dekken de Rivier. Het is zeer klein,
maar sterk tot verdediging, zynde gebouwd van gehouwen of rots-steen,
en omringd door eene breede gracht, die vol water is, en voor welke
nog eenige vestingwerken leggen. Ten oosten, en aan de Rivier, is eene
battery van twintig stukken geschut. Op één der bolwerken is een klok,
waar op de wachthebbende soldaat met een hamer het uur slaat, het
welk hem door een zandlooper word aangewezen: op een ander bolwerk,
steekt men een vlag op, by het naderen van een oorlogschip, of by
openbaare vreugdebedryven. De muuren zyn zes voeten dik, en hebben
openingen voor het geschut, maar geene borstweeringen. Ik heb van
den tyd, dat dit Fort gebouwd is, reeds gesproken.
Paramaribo is eene zeer volkryke stad. Men ziet op byna alle haare
straaten eene meenigte van Planters, Matroosen, Soldaten, Joden,
Indianen en Negers. De Rivier is aanhoudend bedekt met kano's en
vaartuigen, die heen en weder vaaren, even als onze schepen op de
Theems, en dikwils eene meenigte Musikanten met zig voeren. De schepen
op de reede, met hunne wimpels verciert, verfraaijen het toneel, het
welk nog gevoeliger word door de meenigte van jongelingen en jonge
meisjes, die in het water speelen. De vrolykheid en verscheidenheid van
deeze voorwerpen weegt eenigermaten tegen de ongemakken der luchtstreek
op. De kleederen en rytuigen der voornaamste inwoonders zyn waarlyk
prachtig: de geborduurde zyde stoffen, de Genueesche fluweelen,
de goude en zilvere boordzels, de diämanten schitteren dagelyks; en
zelfs de schippers der koopvaardyschepen komen met gespen en knoopen
van massief goud voor den dag. De tafels zyn niet minder kostbaar;
men discht op dezelve de duurste en uitgezogtste spyzen op in platte
schotels, of porceleine vaten, in den eersten smaak, en allerfynst
gewerkt. Maar niets duidt meer de pracht der Surinaamsche Colonisten
aan, dan het getal der Slaven, welke men aldaar in dienst houd, en die,
in zommige huizen, een getal van twintig of dertig bedragen. Zelden
ontmoet men in deeze Volkplanting blanke dienstboden.
Men vind, te Paramaribo, in overvloed, geslacht vleesch, gevogelte
van allerlei zoort, wildt en visch. De groenten zyn 'er ook zeer
overvloedig. Behalven de lekkerste voortbrengzels, die aan deeze
luchtstreek eigen zyn, voert men aldaar aan het beste, dat Europa,
Asia, en Africa opleveren. De eetwaaren echter zyn 'er over 't algemeen
zeer duur, vooral die uit vreemde Landen komen, en door de Joden of
Schippers verkogt worden. De eersten genieten in deeze Volkplanting
byzondere voorrechten; de laatsten rigten voor een korten stond
magazynen op, om 'er de lading hunner schepen in te bergen, terwyl zy
die wederom met voortbrengzels van het Land beladen. Het tarwe-meel
word verkocht voor vier stuivers tot een schelling het pond; de boter,
twee schellingen; het geslacht vleesch, nooit onder een schelling,
en dikwils anderhalve schelling. Ik heb voor een enkele kalkoen
anderhalve guinie betaald. De eieren gelden vyf stuivers het stuk;
de aardäppelen zes stuivers het dozyn; de wyn kost drie schellingen
de fles; de Jamaicasche rhum een kroon de kruik. De visch en groenten
zyn goedkoop, en de vruchten byna voor niet. Myn kleine Neger QUACO
heeft my dikwils veertig oranje-appelen voor zes stuivers t'huis
gebragt, en een half dozyn pyn-appelen voor denzelfden prys. Wat de
limoenen en tamarinden betreft, men behoeft slechts de moeite te doen,
om ze op te raapen. De huuren zyn uittermaten duur. Voor een kleine
kamer zonder huisraad betaalt men drie of vier guinies in de maand;
en voor een huis met twee kamers op elke verdieping, honderd guinies
's jaars. De schoenen kosten een halve guinie het paar; en een rok
met zyn toebehooren is my komen te staan op twintig guinies.
De twee zoorten van hout, waar van de huizen getimmert zyn, namelyk
het wana en couppy hout, verdienen, dat men 'er van spreekt. Het eerste
is zeer hard, en van een grof erf; het is niet vatbaar voor de minste
glans, en heeft eene ligt roode kleur, gelykende naar die van nieuw
brasilie-hout; men bedient 'er zig van voor de deuren en kassen,
voor schepen en vaartuigen.
Het couppy hout gelykt naar dat van den wilden kastanje-boom; het
is hard, kwastig en vast. Men maakt 'er planken van, waar mede men,
in plaats van steene muuren, de huizen bekleed. Dit hout is van een
bruine kleur: het laat zig zeer goed polysten.
Op dat de lezer zig een juister denkbeeld van deeze Stad vorme, zal
ik hem verwyzen naar het ontwerp, het welk ik daar van geschetst heb:
ik zal tans overgaan, om eenige byzonderheden, betrekkelyk tot deszelfs
inwooners, op te geven.
De Europeanen of blanken, in de geheele Volkplanting, beloopen
op een getal van vyf duizend, zonder de bezetting daar onder te
rekenen, en zy houden voornamelyk hun verblyf in de hoofdstad; maar
de Neger-slaven bedragen ten naasten by een getal, van vyfënzeventig
duizend. Alle morgen ten agt uuren gaat het krygsvolk naar de wacht
in de Vesting. De wacht in de Stad word door de burgers of soldaten
waargenomen, en duurt den geheelen nacht. Twee maalen daags, en ten
zes uuren lost het bevelvoerend schip deszelfs geschut in de haven. By
het avond-sein, stryken alle de vlaggen der onderscheidene schepen,
de klokken luiden, en de trommelslagers en pypers loopen door de
Stad. Geen slaaf, van welke kunne ook, mag als dan op de straaten,
of in de haven verschynen, zonder verlof van zynen meester. Die
deezen regel overtreedt, word in arrest genomen, en buiten twyffel
des anderen daags morgens gegeesseld. Des avonds ten tien uuren,
slaan andere tambours den trom op alle de straaten van Paramaribo.
Op dit oogenblik vertoonen zig de vrouwen, vooral die veel van een
geheim gesprek in het maanlicht houden. Op haare byëenkomsten laaten
zy zig sorbet en sangary toedienen, zynde een mengzel van water,
Madera-wyn, Muscaat-wyn en suiker; zy houden aldaar gesprekken, die
geenzints dubbelzinnig zyn, zoo omtrent haare mans, als omtrent haar
zelven; dikwils vertoonen zy aldaar haare jonge slavinnen, welke
zy aan de manspersoonen voor een zekeren prys ter week aanbieden:
en zoo haare omgang al een weinig ingetogener is, zy zyn ten minsten
wydlustig in het roemen van de geenen, die in haare gezelschappen
tegenwoordig zyn, en wier voorkomen of persoon haare aandacht verdient.
Elk Land heeft zyne gewoonten, en in allen kan men uitzonderingen
maken; want ik heb vrouwen in Surinamen gekend, wier kiesche en
beschaafde opvoeding de beminnelykste gezelschappen van Europa
veraangenaamd zouden hebben. De inwoonders van Paramaribo, behalven
de vermaken van de tafel, het dansen, het uit ryden gaan, en de
speel-partyen, hebben een klein toneel, waar op zy, tot vermaak van
hun en hunne vrienden, blyspelen vertoonen. Indien zy keurig op hunne
kleederen zyn, zy zyn het niet minder op de netheid hunner huizen. Hun
linnen is allerfynst; zy laaten het wasschen met Castiliaansche
zeep, en deszelfs witheid is by niets, dan by de sneeuw der bergen,
te vergelyken. De vloer der vertrekken, waar in gezelschappen by
één komen, word altoos met zuure oranje-appelen, in tweën gesneden,
schoon gemaakt, het geen een aangenaame geur verschaft: de Negerinnen
houden in elke hand een halve appel, en zingen, wanneer zy dit
werk doen. Dusdanig is de hoofdstad, dusdanig zyn de inwooners der
Surinaamsche Volkplanting, en hun caracter is gelyk aan dat van alle
de Hollanders in de West-Indische bezittingen. Maar laaten wy tot
myn verhaal te rug keeren.
De gewoonte, die ik had om bloots-voets te gaan, belette my eenigen
tyd, om schoenen en koussen te kunnen verdragen. Wanneer ik nieuwe
wilde aantrekken, zwollen myne voeten zoodanig op, dat ik by mynen
vriend KENNEDY ten eeten zynde, genoodzaakt was myne schoenen uit
te trekken, en hy had de goedheid om my in zyne koets naar huis
te laten brengen. Zoo dra ik myne schoenen konde blyven aanhouden,
ging ik een bezoek geven aan den Colonel WESTERLOO, aan boord van een
West-Indisch Compagnie's Schip, het welk naar Holland onder zeil ging,
Deeze Officier, die my te Devil's Harwar, op het oogenblik, dat ik
aldaar in zulk een deerniswaardigen staat was, was opgevolgd, bevond
zig tans van het gebruik van alle zyne ledematen beroofd. In zulk eenen
beklaaglyken toestand, hoopte hy slechts op de vaderlandsche lucht,
om zyne gezondheid te herstellen. Verscheide Officiers zagen zig, op
dit zelfde oogenblik, genoodzaakt hunne goederen te verkoopen om te
leven, vermits zy van den Colonel geene betaaling konden erlangen. Ik
leed door dit onheil minder dan anderen; myne talryke vrienden lieten
my aan niets gebrek lyden.
Den 28sten January, des morgens aan den oever wandelende, zag ik
aldaar een visch uit het water ophalen, die van wegen zyn goed
vleesch en grootte (hy woog by de twee honderd ponden) verdient
gemeld te worden. Men noemt hem grow-mouneck, of de graauwe Monnik;
men zegt dat hy tot het geslacht der kabeljauwen behoort, waar mede
hy, zoo in gedaante als kleur, veel overeenkoomt, zynde zyn rug van
een zeer donker bruine olyf kleur, en den buik wit. Men sneed hem
dadelyk in groote stukken; ik kocht 'er verscheiden van, en zond
dezelve aan myne vrienden. Van smaak scheen hy my zelfs den tarbot
te overtreffen. Zomtyds vind men hem in de Rivieren; maar gemeenlyk
leeft hy in 't zee-water. In dit Land zyn geene visschers, dan de
Negers. Hunne meesters laaten hun dit ambagt leeren, en vorderen daar
voor eene zekere somme ter week. Indien zy yverig zyn, verzamelen zy
spoedig geld voor eigen rekening; en zommigen zelfs worden ryk. Maar
indien zy integendeel agteloos zyn, en hunne verbintenissen niet
volbrengen, kunnen zy wel staat maken van strengelyk gestraft te
worden.
Dezelfde gewoonte heeft plaats ten aanzien van verscheide andere
kostwinningen; en met onvermoeide vlyt en zuinigheid kunnen
de Negers dan gelukkig leven. Overeenkomstig dit gebruik heb ik
slaven, in Surinamen gekend, die andere slaven voor eigen rekening
kogten. Verscheiden koopen hunne vryheid van hunne meesters; zommigen
verkiezen liever hun geld te bewaaren, wanneer die meesters billyke
menschen zyn, vermits zoo lang zy slaven blyven, zy van belastingen
zyn vry gesteld, waar aan de vrygemaakte slaven onderworpen zyn. Ik
heb een Neger gekend, zynde een smit, en genaamd JOSEPH, wien men,
in aanmerking van zyne lange en getrouwe diensten, de vryheid had
aangeboden, maar die dezelve zeer stellig weigerde, en liever verkoos
slaaf by een goed meester te blyven. Deeze man bezat verscheiden
slaven in eigendom; hy bewoonde een gemakkelyk en wel gemeubileerd
huis, en zelfs bezat hy eenige stukken zilverwerk. Wanneer zyn meester
en meesteresse hem kwamen zien, liet hy hun kostelyken wyn en sorbet
toedienen. Men moet echter toestemmen, dat zulk een voorbeeld zeldzaam
is: want zoo al eenige slaven te Paramaribo wel behandeld worden,
het grootste getal is elendig: maar de ergste van allen zyn, die
onder de beveelen staan van vrouwen, meer nayverig om rykdommen ten
toon te spreiden, dan om menschlievenheid te doen blyken.
Het meest geachte zoort der slaven is dat der Cabougles, of
Quarteronnés. Hunne verwandschap met de Europeanen is 'er de oorzaak
van. Men weet, dat zy van een blanken en eene mulatte vrouw geboren
worden: derzelver getal is in deeze Volkplanting zeer aanmerkelyk. Men
plaatst de jongens van deeze kleur doorgaans by ebbenhoutwerkers,
zilversmits, of handelaars in kostbaarheden, wier handwerk zy
leeren. De meisjes zyn kameniers. Men leert haar naaijen, breijen
en borduuren, het geen zy in de volkomenheid doen. Zy zyn over
't algemeen zeer schoon, en scheppen groot vermaak in zig op eene
cierlyke en nette wyze te kleeden. De meeste, van eene hooge, rechte
en wel gemaakte gestalte zynde, zyn zwieriger dan de mulatte meisjes,
en gaan nooit met het bovenlyf naakt, gelyk de laatst-gemelde. Haare
kleeding bestaat doorgaans in een klein overtrek van satyn, verciert
met een belegzel van gebloemd gaas. Zy dragen een korte borstrok
van Indisch catoen of zyde, van vooren geregen, welke boven het
overtrek een hembd van zeer fyn mousseline doet te voorschyn komen:
schoenen en koussen dragen de slaven in dit Land nooit. Het hoofd van
deeze meisjes is met fraay zwart hair verciert, het welk natuurlyke
en korte krullen heeft. Wanneer zy uitgaan, dragen zy een hoed van
zwart of wit vilt, met een knoop en gouden lis daar aan. Om den hals,
aan de armen en enklauwen dragen zy halsbanden, kettingen, armringen,
goude penningen, en vercierselen van verschillende koraalen. Alle
deeze lievelingen leven met Europeanen, het geen voor de Creoolsche
vrouwen een groot hartzeer is. Indien men echter wist, dat eene
Europeaansche vrouw met een slaaf iets uitstaande had, zoude zy by
de blanken in verachting zyn, en de minnaar zoude zonder genade ter
dood verwezen worden.--Dusdanig zyn, in Hollandsen Guiana, de wreede
wetten der mannen tegen de schoone kunne.
Maar laaten wy van onderwerp veranderen.--De dwinglandye van onzen
Bevelhebber, den Colonel FOURGEOUD, vermeerderde van dag tot dag. De
Lieutenant Graaf van RANDWYK, die ziek was, en zig gereed maakte,
om met den Colonel WESTERLOO te scheep naar Holland te vertrekken,
ontfing bevel, om in de Volkplanting van Surinamen te verblyven,
alleenlyk vermits hy gezegd had niet wel behandeld te zyn geworden. Om
van des Colonel's rechtvaardigheid een denkbeeld te geven, zal ik
eenvoudig opmerken, dat de Officiers moesten leven van eene gelyke
portie gezouten vleesch, als de soldaaten kregen; alleenlyk geduurende
het verblyf van eenige weeken te Paramaribo, wierd deeze levens-regel
niet gevolgd. Deeze schikking kostte my dertig ponden sterling; maar ik
heb reeds gezegd, dat de Colonel ons onze betaaling onthield; waarom
zou hy ons ook ons eeten niet onthouden hebben? Dit zyn beuzelingen,
waar over een soldaat zig niet ontrusten moet.
Den eersten February egter wierd ons bericht, dat wy geene kosten
zouden behoeven te maken, zoo wy ons, met het geen men ons gaf, wilden
te vreden houden; en dat, zoo wy daar over niet voldaan waren, men ons
tien ponden sterling s'jaars voor de kosten van ons gezouten ossen-
en varkens-vleesch in rekening zoude brengen.
Den 2den, vernam ik, dat de Lieutenant Colonel BECKER schielyk
gestorven was. Zyne compagnie kwam my, van wegen den rang, dien ik
bekleedde, toe; het zoude een zoort van vergelding geweest zyn voor
zoo veele moeiten en afmattingen. Om echter een evenwicht tegen dit
voordeel te maken, deed eene getrouwde vrouw, wier man my de grootste
vriendschap betoonde, toen een aanbod, het welk de eerbaarheid my
verbood aan te nemen. Zy hield aan, en ik bleef haare gunsten en
geschenken weigeren; maar wel dra ondervond ik de gevolgen van den haat
en wraakzucht van eene vrouw. Haar man wierd eensklaps myn doodelykste
vyand. Verzekerd van myne onschuld, en grootsch, dat ik geene misdaad
begaan had, waar op verscheide anderen roem gedragen zouden hebben,
verdroeg ik dit ongeluk met geduld. Kort daar na egter, toen de man
zag, dat hy misleid was, schonk hy my zyne vriendschap weder, en
wy waren betere vrienden dan ooit. Ik breng dit geval alleenlyk by,
om te doen zien, welke over 't algemeen de zeden in dit Land zyn.
Den 6den, bragt een arme trommelslager van het krygsvolk der Societeit
my een geschenk van orange-appelen, en West-Indische Abricoosen, om dat
ik hem, zoo hy zeide, in Holland tegen myn knecht, die zig veroorloofd
had hem te slaan, de hand had boven 't hoofd gehouden. Deeze daad van
erkentelykheid deed my meer genoegen, dan de verkoeling van mynen
vriend my moeite gedaan had. De West-Indische Abricoos is groot,
en naar myn smaak de uitgelezenste van alle vruchten, welke men in
deeze Volkplanting, en misschien in de weereld vindt. Van binnen is
dezelve geel, en de pit is omwonden in een zoort van huid, even als
de kastanje. Het vleesch van deeze vrucht is zoo voedzaam en gezond,
dat men het zomtyds het merg der Planten noemt; en men eet het dikwils
met peper en zout. Ik kan dezelve niet anders vergelyken dan by een
persik; zy smelt ook als zoodanig in den mond; zy is minder zoet,
maar onvergelykelyk lekkerder. De boom, waar aan deeze vrucht groeit,
is meer dan veertig voeten hoog, en gelykt veel naar den nooteboom.
In Surinamen zyn drieërleije zoorten van oranje-boomen; met zuure,
met bittere en met zoete vruchten: de jonge boomen zyn uit Spanjen
of Portugal aangebragt. De zuure oranje-appelen zyn een uitstekend
hulpmiddel tegen de zweeren, die in dit Land zoo gemeen zyn; maar
het is zeer pynlyk; men gebruikt het daarom niet, dan voor de Negers,
welken men meent dat alles verdragen moeten. De bittere oranje-appelen
worden alleenlyk gebruikt, om met suiker in te maken. De smaak van de
zoete is uitgelezen, en men kan er zonder schroom van eeten; dit kan
men niet zeggen van de China's-appelen, welken ik hier na beschryven
zal. Alle deeze verschillende oranje-boomen zyn zeer fraay, en brengen,
in alle jaar-getyden, bloemen en vruchten voort.
Den 16den, vernamen wy, dat de Colonel FOURGEOUD, met het overschot
van zyne manschappen, den post van la Rochelle verlaten had, en door
de muitelingen aangetast was geworden. Hy had verscheiden gekwetsten,
en in 't byzonder den Capitain FREDERIK, die voor uit trok, en aan
beide de dyen gewond wierd. Deeze dappere Officier, uit vreeze dat zyn
volk den moed verliezen mogt, hield de beide handen op zyne wonden,
en zat tot de borst toe in het water, op dat men het loopen van zyn
bloed niet bemerken zoude. Hy bleef in die gesteldheid tot op het
oogenblik, dat de Heelmeester hem verbonden had; en toen droegen hem
twee Negers in zyne hangmat.
Het is onmogelyk meerder yver te betoonen, dan gemelde Capitain
FREDERIK, en de Capitain VAN GUERIKE, adjudant van den Colonel,
geduurende deezen geheelen tocht betoonden. Zy waren altyd op de been,
of hunne gezondheid het toeliet, of niet. De eer was byna de eenige
vrucht, die zy van eenen buitengewoonen en aanhoudenden dienst van
vyf jaaren, trokken; de Colonel FOURGEOUD, naar myn inzien, beloonde
hen nimmer naar verdiensten; en hy behandelde de hoogere zoo wel als
de laage Officieren, zoo als ik myne Corporaals niet zoude willen
behandeld hebben.
Ik deed hem op dit oogenblik het aanbod, om my by hem in de bosschen
te vervoegen; maar in plaats van myn verzoek toe te staan, zond hy
my bevel, om my naar de Plantagie, de Hoop genaamd, en gelegen aan
de Commewyne, te begeven, om aldaar, geduurende zyne afwezigheid,
over al het krygsvolk, het welk by deeze Rivier gelegerd lag, het
bevel te voeren. Zulk een last was nieuw voor my, en ik maakte my
gereed om denzelven met blydschap te volvoeren.
Na mondbehoeften gekocht, en my van eene volkomene uitrusting tot
een veldtocht voorzien te hebben, maakte ik aanstalte, om my naar
de plaats myner bestemming te begeven. Maar alvoorens Paramaribo
te verlaten, moet ik opmerken, dat men, geduurende myn verblyf in
deeze Stad, aan een getal van negen Negers elk een been afzette,
om dat zy van de Plantagie hunner meesters waaren weggeloopen. Het
Hof van Justitie in Surinamen gelastte, op verzoek van den eigenaar,
deeze strafoeffening, en de Heelmeester van het Hospitaal, GREUBER,
voerde het vonnis uit. Geduurende deeze onmenschelyke daad, rookten
de lyders gerust hun pyp tabak. De Heelmeester ontfing zes ponden
sterling voor het afzetten van elk been: maar niettegenstaande zyne
groote bekwaamheid, stierven vier van deeze ellendigen oogenblikkelyk
daar na. Een vyfde hielp zig zelven van kant, door zyn verband af te
rukken, en des nachts zyn bloed te laten uitloopen. Zulke verminkte
Negers zyn in deeze Volkplanting gemeen, en hunne meesters gebruiken
hen tot het roeijen van hunne schuiten en vaartuigen. Men ziet 'er
ook, die eenen arm missen: dit is de straf, als men een Europeaan
heeft durven slaan.
Den 17den February, scheepte ik in naar de Plantagie de Hoop, in een
open en zeer net vaartuig, door zes Negers voortgeroeit wordende. Des
avonds kwam ik voorby de Plantagie Sporksgift aan de Matapaca
Kreek. Des anderen daags kwam ik aan de Plantagie Arentrust, aan de
Commewyne, na de Orelana-Kreek te zyn voorby gevaaren, als mede het
Fort Sommelsdyk, gelegen zestien mylen boven het Fort Amsterdam, ter
plaatse, alwaar de Cottica zig met de eerstgemelde Rivier vereenigt,
en van waar de batteryen den oever der beide Rivieren bestryken. Dit
Fort wierd, in het jaar 1684, door den Gouverneur SOMMELSDYK gebouwd,
wiens naam het ook draagt: het heeft de gedaante van een vyfhoek,
en deszelfs vyf bolwerken zyn van geschut voorzien; het word door een
gracht omringd, en bevat krygs-magazynen: schoon het van geene groote
uitgestrektheid is, is het niettemin van goede verdediging, voornamelyk
uit hoofde van deszelfs laage en moerassige ligging. Op eenigen
afstand van dit Fort is eene fraaije Kreek, genaamd Comite-Wana.
Den 19den, op den middag, kwam ik op de Plantagie de Hoop: ik vond de
oevers van de Commewyne veel aangenamer, dan die van de Cottica; zy
zyn bedekt met fraaije Suiker- en Koffy-Plantagiën, maar vooral met de
eerste, in 't byzonder aan den mond van deeze Rivier. Een halve myl van
die Rivier en van de Cottica, is eene Protestantsche Kerk, alwaar de
Colonisten den dienst gaan hooren: dezelve onderhouden den Predikant.
De Plantagie de Hoop, alwaar ik tans het bevel over het krygsvolk op
my nam, is eene uitmuntende Suiker-Plantagie, gelegen aan den linker
oever van de Commewyne, aan den mond van eene kleine beek, genaamd
Bottle-Kreek, en byna tegen over eene andere, Cassivinica genaamd. De
Bottle-Kreek heeft gemeenschap met de Commewyne en de Peréca, zoo
als de Wana-Kreek heeft met de Cormoetibo-Kreek en de Rivier Maroni.
Het krygsvolk was alhier gehuisvest in barakken, van Latanus-boomen
hout gemaakt; maar men had dezelve op eenen zoo moerassigen en laagen
grond geplaatst, dat zy by den vloed geheel onder water stonden. De
Officiers waren allen in een gebouw van denzelfden aart opgesloten;
en ondertusschen wierd het fraaije huis van den Planter, het welk
voor hun zeer gemakkelyk en gezond geweest zoude zyn, door niemand
dan door den Opzigter der Plantagie bewoond.
Een kanon-schoot verder, als men de Rivier opvaart, ligt de Plantagie
Klarenbeek alwaar ik, den 22sten, naar toe ging, om den staat van
het Hospitaal te onderzoeken. Het volk had het op deezen post veel
aangenamer, dan op de Hoop, uit hoofde van eene onbegrypelyke meenigte
rotten, waar door dezelve geplaagd wierd: zy doorknaagden de kleederen
der soldaaten, en hunne levensmiddelen, en des nachts liepen zy met
dozynen over het aangezicht. Het eenig middel om dit verschrikkelyk
ongemak te keer te gaan, bestond in het booren van gaaten in den
bodem van flessen, en de koorden der hangmatten, zoo aan de voeten
als aan het hoofd-einde, daar door te steken. Wanneer dit werk wel
verrigt wierd, belette de gladheid van de fles deeze dieren, om by
het doek te komen.
De meenigte van zieken, die in het Hospitaal van Klarenbeek op één
gestapeld waren, maakte eene elendige vertooning. De menschelykheid
word op het gezicht van zulke treurtoneelen dermaten getroffen, dat
ik my zeer gelukkig rekende, toen ik op de Plantagie de Hoop was te
rug gekeerd. Myn last was hier dezelfde, als aan de Cottica, namelyk,
dat ik de Plantagiën tegen den aanval des vyands moest beschermen;
en het order-woord wierd my regelmatig door den Colonel FOURGEOUD
toegezonden. Een der Neger-Capitains uit de Volkplanting de Berbices,
genaamd ACKERAW, ontdekte op deeze Plantagie eenen ouden afgeleefden
slaaf, dien hy voor zynen vader herkende; hy omhelsde hem met de
levendigste teederheid, en dit toneel van dankbaare erkentenis was
één der belangrykste. In myne wandelingen rondom deezen post, had
ik gelegenheid, om verscheiden merkwaardige vogelen te ontdekken,
welken ik tans beschryven zal.
De quise-quidi, dus genoemd, uit hoofde van zynen zang, heeft ten
naasten by de grootte van een leeuwrik. Zyne pluimaadje is bruin,
uitgenomen aan de borst en den buik, alwaar hy eene fraaije geele kleur
heeft. Deeze vogel doet veel schade aan de Plantagiën. De wilde duiven
zyn hier zeer gemeen; ik doodde eene zeer groote, veel gelykende naar
die, welke men de Jamaicasche duif met een gekrulde staart noemt. De
rug en de zyden waaren aschkleurig, de staart loodkleurig, de buik
wit, en het voorste van den hals van een purper-kleur met een groene
weerschyn, de oogbal en de pooten rood. Ik zag op deeze plaats ook
andere duiven van een klein zoort, die by paaren loopen. Zy hebben ten
naasten by de grootte van een Engelsche musch, en een helderder kleur;
ik nam ze voor de Picui-nima van Markgraaf; zy hebben schitterende
oogen, met een geele oogbol, en over 't geheel zyn deeze diertjes
zeer aartig. De Hollanders noemen dezelve Steenduifje, om dat men ze
dikwils op rotzige en zandige plaatsen vindt. Men ziet ook tortelduiven
in Guiana, maar zeldzaam by Plantagiën. Zy leven met vermaak in het
binnenste der somberste bosschen; zy maken hunne nesten op de boomen,
in het midden van het dikste lommer; ik heb 'er met de hand aangevat,
zonder dat zy pogingen deeden om weg te vliegen; in kleur verschillen
zy weinig van de Europeesche; maar hunne grootte is minder, en hunne
vlerken hebben eene grootere uitgebreidheid, dan die van alle andere
tortelduiven of duiven.
Ik was over mynen staat steeds zeer te vreden. Ik koude vryelyk adem
haalen, en had het vooruitzigt, om myne geledene vermoeienissen en
hartzeeren vergoed te zien. Men eerbiedigde my, als den Oppervorst
der Rivier: de nabuurige Planters beweezen my alle vriendelykheid,
zonden my wildt, visch, groenten en vruchten ten geschenke; ik kende
my naauwlyks voor het zelfde mensch, en byna alle myne wenschen
waren voldaan.
Op zekeren dag, den 5den Maart, geduurende myn verblyf alhier, wierd
ik verrast, door op een schuit, die de Rivier opvoer, met een witte
neusdoek te zien waaijen; het was myne geliefde JOANNA, door haare
moeije vergezeld, die deeze beweging maakte. In plaats van in de Stad
te blyven, verkoos zy tans liever naar Fauconberg te gaan, slechts
vier mylen van de Plantagie de Hoop af liggende: ik vergezelde haar
dadelyk tot aan deeze Plantagie.
Ik vond aldaar een ouden slaaf, dien JOANNA my zeide haar grootvader
te zyn, en die my zes stuks gevogelte ten geschenke gaf. Deeze oude
man had gryze hairen, en konde niet meer zien; maar zyne talryke
afkomelingen onderhielden hem ordentelyk: hy verhaalde my, dat hy
in Africa geboren was, alwaar hy in meerder aanzien was geweest,
dan zyne meesters immer in Suriname waren.
Misschien zal de lezer het vreemd vinden, dat ik zoo dikwils spreeke
van eene Slavin, en dat ik voor haar zoo veel achting betoone;
maar ik kan met geene onverschilligheid spreken van eene vrouw,
die de teedere liefde van elk gevoelig mensch waardig is, en wier
genegenheid my tot een tegenwicht in alle myne onheilen verstrekte:
haare deugd, haare jonkheid, haare schoonheid deeden haar meer en
meer myne achting winnen: het ongeluk van haare geboorte en staat,
wel verre van myne genegenheid te verminderen, dienden, integendeel,
om dezelve te doen aanwassen.
Den 6den Maart, kwam ik op de Hoop te rug, beladen met geschenken van
gevogelte, aubergines, koolspruiten, agoma, en eenige Surinaamsche
kerssen. De aubergine is een soort van vrucht, hebbende de gedaante
van een komkommer, eene purper-kleur van buiten, en wit van binnen;
men snydt dezelve in schyven, en eet ze als salade; zomtyds laat
men ze koken; zy is zeer goed en zeer gezond. De bladen van den
boom, die deeze vrucht voortbrengt, zyn breed, groen, en met een
purperverwig dons bedekt. De agoma is een kruid, dat eenigzints bitter
is. De koolspruiten zyn dezelfde als in Europa, maar vry zeldzaam. De
kerssen zyn zeer zuur; ten minsten, indien ze niet volkomen ryp zyn,
deugen ze niet, dan om in suiker in te leggen.
Den 8sten, den geboorte-dag van den Prins van Oranje, noodigde ik
verscheiden lieden, om dien dag met my te vieren. De Colonel FOURGEOUD
hield zig al dien tyd bezig met de bosschen te doorkruissen: maar zyne
krygsverrigtingen hadden geen ander gevolg, dan den dood van eenigen
zyner soldaten, die door de Negers vermoord wierden; het verlies
van eenige anderen, die in de bosschen verdwaalden; en de vlucht
van CUPIDO, die in weerwil van alle zyne ketenen ontsnapte. Van twee
mannen, welken de Colonel my in 't Hospitaal te Klarenbeek zond, was
de één door de muitelingen op eene afgryzelyke wyze verminkt geworden.
Den 17den, ontfing ik van zekeren heer ONIS een reebok ten geschenke;
en denzelfden dag bragt één der slaven my een hagedis, genaamd
Sapagala, zynde van een minder groot zoort, en minder aangenaam van
smaak, dan de Iguan, welken de Indianen den naam van waya-maca geven:
ik at 'er niet van, en gaf dit dier aan den Opzichter der Plantagie. Op
't wildt onthaalde ik myne Officiers.
'Er zyn in Surinamen twee zoorten van harten. Het hart, dat men aldaar
bajew noemt, heeft ten naasten by de gedaante van een Engelschen
reebok. Hy heeft de hoornen niet zeer lang en gebogen, de oogen
levendig en vol vuur, en een korte staart; zyn hair is van een
bruinachtig roode kleur, uitgenomen onder den buik, die wit is. Dit
dier, wanneer men het vervolgt, loopt met een verwonderlyke kragt en
vaardigheid: men vindt hem dikwils in de nabyheid der Plantagiën,
alwaar hy aan het suiker-riet groote schade toebrengt; de Planters
hebben zelfs Neger-Jagers of Indianen, om hem te vervolgen en te
dooden. De jacht kan in dit Land, uit hoofde van de dikte der bosschen,
voor een Europeaan geen vermaak opleveren. Zomtyds vangt men het
hart levend, wanneer hy een Rivier overzwemt; het geen hy dikwils
doet, het zy om zynen dorst te lesschen, het zy om zynen vyand te
ontvluchten. Zyn vleesch is noch sappig, noch vet, noch malsch, en
is van weinig waarde, in vergelyking van het vleesch der Europeesche
harten, hoe zeer het by de inwooners van Surinamen in groote achting
is. Het ander zoort van harten word bouzi-cabritta door de Negers,
en wirre-bocerra door de Indianen genoemd. Hy is kleinder en ligter in
't loopen dan die van het eerste zoort; zyne huid heeft een geel-achtig
bruine kleur, en kleine witte vlakken; zyne oogen zyn levendig, en zyn
gezicht doordringend; hy heeft naauwe en korte ooren; hy heeft geene
takken aan de hoornen; zyne ledematen zyn klein, maar sterk gespierd;
zyn vleesch is lekkerder dan van eenig ander wildt, het welk ik in
dit Land geproefd heb.
Den 21sten, aan den heer en mevrouw LOLKENS, op Fauconberg, een bezoek
hebbende gaan geven, gingen wy in de nabuurschap eene steenbakkery
zien, genaamd Appe-cappe, en aan den Gouverneur NEPVEU toebehoorende:
men werkte aldaar zoo schielyk en zoo wel als in Europa. Zulk een
trafiek brengt groote voordeelen op, want van dit zoort zyn ze in
deeze Volkplanting zeldzaam. Ik spreek hier van egter alleenlyk,
om in 't algemeen de groote voordeelen van dit Land te bewyzen,
alwaar men het hout voor niet heeft: 'er is in dit geval niets dan
vlyt noodig. De Plantagie Fauconberg was zoo besmet met insecten, die
men monpeiras noemt, dat ik zeer te vreden was met afscheid van myne
vrienden te nemen, en naar de Hoop te rug te keeren. De monpeiras zyn
muggen van het kleinste zoort, maar in het steken zoo kwaadaartig,
als de grootste muggen. Zy vliegen in zulk een groot aantal, en in
zulke dikke zwermen, dat wanneer ze in diervoegen by elkander zyn,
men dezelve voor een wolk van zwarten rook zoude aanzien. Zy zyn zoo
klein, dat ze verscheiden te gelyk in de oogen vliegen, van waar men
ze niet zonder pyn en gevaar kan doen verhuizen.
Ik leide alle myne bezoeken te water af; want ik had een fraay
vaartuig tot myne beschikking, met zes Negers tot roeiers, die ook
voor my jaagden en vischten: om kort te gaan, ik was zoo gelukkig en
zoo wel gezien op deezen post, dat ik my byna verbonden zoude hebben,
om van staat niet te veranderen.