De Armadil.--Het Stekelvarken en de Egel van Guiana.--Gevecht
tusschen een Slang en een Kikvorsch.--De Colonel FOURGEOUD
trekt naar de Wana Kreek.--Hy ontrust den vyand door herhaalde
aanvallen.--Beschryying van den Palmboom.--Verscheiden
gebruiken, waar toe dezelve dient.--De Kokosboom.--Tocht naar
den mond der Rivier Cormoetibo.--Waarneemingen omtrent de
Vogelen van Guiana.--Distelen en Doornen.--Eenige muitelingen
krygsgevangen gemaakt.--Ysselyke behandeling, door eenen
gevangen en gewonden Neger ondergaan.
Den 25sten October, alles tot mynen tweeden veldtocht gereed zynde,
begaf ik my ten zes uuren des avonds naar den oever: in plaats van
een goed vaartuig, vond ik aldaar een sloep, walgelyk van vuiligheid,
met eenige Hollandsche matroozen, die dronken waaren. Zy moesten my
laaten op eene Plantagie aan de Commewyne, alwaar zy hunnen Capitain
gingen haalen, om denzelven naar Paramaribo te rug te brengen. Op deeze
Plantagie aangekomen zynde, stond het aan my, om tot het volvoeren
van myne reize gelegenheid te zoeken. Ik had reeds den eenen voet
in deeze sloep gezet, toen ik overwegende, dat ik my vrywillig naar
eenen gevaarlyken tocht begaf, alleen om ondankbaaren te dienen, myn
bloed voelde koken, en weder aan land stapte, alwaar ik ernstig en
stellig verklaarde, dat ik zelfs de zwakste poging tot verdediging der
Volkplanting niet doen zoude, voor dat men my een geschikt vaartuig
bezorgt had. Ik wierd daar in ondersteund door alle de Engelschen
en Americaanen, die zig in de Stad bevonden, en daar op volgde een
algemeene oploop. De Hollanders schreeuwden over de kosten, die op
dertig Engelsche schellingen beloopen zouden, terwyl zy van deeze
gelegenheid voor niet gebruik konden maaken. Myne landgenooten en de
Americaanen gaven hun ten antwoord, dat zy elendige vrekken waaren,
onwaardig om door de krygsbende van den Colonel FOURGEOUD verdedigd
te worden. De meenigte groeide aan, en men kwam van woorden tot
daaden voor de herberg van HARDEGEN, aan den waterkant gelegen,
alwaar men onder de vensters wel dra de hoeden, paruiken, glazen,
flessen zag onder één vliegen.
De Regeering vertoonde zig, om het vechten te doen een einde nemen,
maar dit was vruchteloos; het bleef op straat voortduuren tot tien
uuren des avonds. Myne vrienden bleeven meesters van den grond, na een
groot getal Matroozen, Planters, Joden en Opzichters volkomen geslagen
te hebben. Ik verloor by dit voorval één myner pistolen, welke ik,
in een oogenblik van woede, eenen schelm naar het hoofd wierp. De
zaaken zouden daar by niet gebleven zyn, zonder mynen vriend KENNEDY,
lidt van de Kamer van Politie, die met twee of drie anderen van zyne
medeleden daar ter plaatse kwam. Men deed de vechtenden uit elkander
gaan, verklaarende, dat men my niet wel behandelt had, en dat ik des
anderen daags een geschikt vaartuig hebben zoude.
Ik begaf my vervolgens eenige uuren ter rust, en ontfing des morgens
een bezoek van vier Americaansche Capitains, die my met nadruk
verzogten om alle vaartuigen der Volkplanting te weigeren, en my
aanboden, om my in één van hunne sloepen, die door hunne eigene
matroozen bestuurd zoude worden, op de plaats myner bestemming te
bezorgen; ik nam hun voorstel aan. De heer KENNEDY deed my vervolgens
een brief ter hand stellen voor den heer REEDER, Capitain der Militie,
die zig aan de Commewyne bevond; zy bevatte een last, om my een
goed vaartuig te bezorgen, ten einde daar mede naar myn wachtpost te
vertrekken. Over alle myne goederen beschikking gemaakt hebbende in
dier voegen, dat noch de Colonel FOURGEOUD, noch de Kakkerlakken my
geen hinder doen konden, omhelsde ik myne geliefde JOANNA, en ten zes
uuren des avonds, keerde ik naar den oever te rug, vergezeld van myne
vrienden, Engelschen en Americaanen; wy dronken aldaar een kom punch,
en scheidden van elkander. Toen myne sloep van wal stak, waaiden de
vlaggen van alle de schepen op de reede leggende, er begroetten my
met drie vreugdegalmen, welke my zoo veel genoegen deeden, als zy aan
de meenigte, die my aanschouwde, smart veröorzaakte: wy voeren voort,
en wel dra verloor ik Paramaribo uit het gezicht.
Aan het Fort Amsterdam gekomen zynde, waaren wy genoodzaakt ons aldaar
op te houden, om de Commewyne te kunnen opvaaren. Het krygsvolk der
Compagnie, op dit Fort in bezetting leggende, bezorgde my eene zeer
fraaije en aangenaame avond-maaltyd. Te middernacht ging ik aan boord,
en na het geheele overige gedeelte van den nacht al vaarende te hebben
doorgebracht, ontbeet ik met den Capitain MACNEY, die, in 't jaar 1791
onder den Generaal SPORK den zelfden rang bekleedde. Myne reize op
nieuw vervorderd hebbende, stapte ik op de Plantagie Charlottenburg
aan Land, alwaar ik den brief van den heer KENNEDY aan den heer
REEDER ter hand stelde, die beloofde, my des anderen daags morgens
een goed vaartuig te zullen bezorgen. Ik was zoo verontwaardigd over
de behandeling, die men my te Paramaribo had aangedaan, en over myne
Americaansche matroozen zoo te vreden, dat ik hun twaalf gebraden
eendvogels voor een middagmaal liet toedienen; ik gaf hun daarenboven
een guinie, en zes-en-dertig flessen goeden rooden wyn, die mynen
geheelen voorraad uitmaakten; zy keerden met het vallend water te rug,
en verlieten my zoo wel te vreden en zoo dronken, als maar mogelyk was.
Van mynen kant vervolgde ik myne reize tot aan de Plantagie Myn
Genoegen. Na de puinhoopen van die Plantagiën, welke verbrand waaren,
toen ik het bevel op Devil's Harwar voerde, bezigtigd te hebben, kwam
ik op de Plantagie van LE PAIR. Alhier verhaalde my een der Opzichters
de verwonderlyke manier, op welke hy aan de muitelingen ontsnapt
was. "Zy hadden reeds, zeide hy, het voornaamste huis omringd, toen
ik nog niet wist, dat zy zig op de Plantagie bevonden, en bezig waaren
met dezelve aan vier hoeken in brand te steeken. Te willen wegloopen,
was niets anders, dan zig aan een wissen dood bloot te stellen. In dit
dringend gevaar, nam ik de vlucht naar den zolder, alwaar ik op een
balk plat op den buik ging leggen, in de hoop, dat de vyanden wel dra
verdwynen zouden, en dat ik zoude kunnen ontsnappen, eer de vlammen
tot my kwaamen, maar ik bedroog my, en zy bleeven 'er bestendig. De
brand nam te gelyker tyd dermaten toe, dat op de plaats, alwaar ik my
bevond, de hette ondraaglyk wierd, en dat my niets overbleef, dan één
van beiden, of levend te verbranden, of van een hoogen zolder naar
beneden te springen, midden onder woedende vyanden. Echter besloot
ik tot deezen laatsten maatregel, en ik had niet alleen het geluk,
om op myne voeten neêr te komen, maar zelfs om my te redden zonder
eene enkele kwetsuur, schoon de Negers met sabels en haaken gewapend
waaren. Ik nam oogenblikkelyk de vlucht naar de Rivier, alwaar ik met
het hoofd naar beneden dadelyk in sprong. Doch niet kunnende zwemmen,
zonk ik wel dra naar den grond; maar ik verloor den moed niet; het
gelukte my eenige takken van een Palmietboom te vatten, en myn hoofd
boven water te steeken, om vryelyk te kunnen adem haalen. Door middel
van het dik geboomte, waar agter ik my verborg, bleef ik aldaar, tot
dat de muitelingen vertrokken waaren, het geen zy deeden na alle de
andere blanken vermoord te hebben; en een vaartuig kwam my eindelyk
verlossen uit den deerniswaardigen staat, waar in ik my bevond."
Den 30sten January, kwam ik te Devil's Harwar aan, en des anderen
daags voer ik de Cormoetibo-Kreek op. Het vaartuig aldaar aan een
boom hebbende doen vast maaken, waar van de takken ons overdekten,
besloot ik den nacht aldaar door te brengen: ik ging op de banken
leggen, en myn kleine QUACO plaatste zig by my; de andere Negers
gingen onder hunne roeiriemen leggen slapen, uitgenomen die geenen,
welke beurtelings de wacht hielden, en wien ik gelastte my op het
minste gerucht, dat zy in de bosschen hooren mogten, wakker te maken;
ik droeg ook zorge om hun volstrektelyk te verbieden van te spreken,
of eenig gerucht te maken, uit vreeze dat de muitelingen, die aan
den kant van deeze Kreek rond zworven, ons niet hooren en verrassen
zouden; want de eenige blanke onder myne bende zynde, was ik zeer
zeker hunne woede niet te zullen ontsnappen. Alle deeze voorzorgen
genomen zynde vielen wy in eenen diepen slaap, van negen uuren des
avonds tot drie uuren des morgens, toen QUACO en ik van onze banken
wierden afgeworpen door eene beweeging van het vaartuig, het welk
oogenblikkelyk zoodanig op zyde overhelde, dat alle de Negers in
't water vielen. Ik greep naar myn pistool, en dadelyk op staande,
vroeg ik, wat 'er te doen was. Ik had besloten my tot het uiterste te
verdedigen, liever dan om in de handen van eenen onverzoenbaaren vyand
te vallen. Geduurende eenige minuuten gaf my niemand antwoord: maar na
deeze korte tusschenpoozing, hernam het vaartuig zyne rigting door eene
tegenovergestelde beweging, en die my het evenwigt deed verliezen. Toen
riep my één van de Negers al zwemmende toe: "Masera da wan sea cow";
en hy had gelyk, want het was niet anders dan een Manati, of Zee-koe,
aan wien men in Cayenne den naam van Lamentin geeft. Volgens het
verhaal van myne Negers, had dit dier onder het vaartuig geslapen;
toen hy wakker wierd, had hy het zelve op zyde geworpen, en zig van
daar verwyderende, had hy het in zyne natuurlyke rigting hersteld. Ik
zag hem niet, en de Negers zelven vernamen hem ter naauwer nood, uit
hoofde der donkerheid van den nacht, die nog eenige uuren duurde, maar
geduurende welken tyd wy geen meer lust tot slapen hadden. Eindelyk
begonden de straalen van een schitterende zon dwars door de takken
der boomen heen te schieten, en aan de bladeren een gouden glans te
geven. Toen voeren wy de Carmoetibo-Kreek, die zeer naauw wierd, weder
bovenwaarts op. Dit duurde tot den middag, wanneer wy rook ontdekten,
en eindelyk kwamen wy aan den mond van de Wana-Kreek, die in de
Rivier Maroni uitloopt, en het geen de plaats der bestemming was,
alwaar echter het krygsvolk nog niet was aangekomen. Aan de overzyde,
waaren eenige Neger-Jagers gelegerd, die de krygsbehoeften bewaarden.
Een van deeze Jagers een Armadil, of Tatou, een dier, in Surinamen den
naam van Capasce dragende, gedood hebbende, zal ik deeze gelegenheid
waarneemen, om denzelven te beschryven. Hy word zomtyds gepastelyk het
geharnast varken genoemd. Zyn kop en ooren gelyken veel naar die van
een gebraden varken. Zyn geheele lyf is met schubben bedekt, zo als die
op een schild zyn afgebeeld, en hebbende de gedaante van beweegbaare
ringen, even als de Que-que, een dier, waar van ik reeds gesproken
heb. Deeze ringen loopen over elkander, uitgenomen op de schouders
en op het gat; zy zyn met eene beenachtige zelfstandigheid bedekt,
even als de kop van een schildpad, en waar aan zommigen den naam
van een stormhoed of harnas geven. 'Er zyn verscheiden zoorten van
dieren van deezen naam in Guiana. De grootste heeft van den bek tot
agter aan de staart, meer dan drie voeten lengte. De Armadil is van
een roodachtige kleur, en heeft het lyf met zeshoekige beeldtenissen
geheel bedekt. Zyne oogen zyn klein, en zyn lange staart, die aan
den wortel dik is, word trapsgewyze al langer hoe dunner, eindigt
puntsgewyze, en is even als het lyf met beweegbaare ringen bedekt. Dit
dier heeft vier laage, maar langwerpige pooten, elk met vier nagels,
met klaauwen gewapend; de voorpooten hebben 'er slechts twee, maar de
agterpooten vyf. De Armadil gaat alleenlyk des nachts uit; zelden ziet
men hem over dag; hy brengt dien slapende door in zyn hol, het welk
hy met het grootste gemak graaft. Hy zinkt daar zoo diep in, dat de
sterkste man niet in staat is 'er hem uit te trekken, schoon hy hem
dikwils de staart aftrekt. Wanneer men op hem aanvalt, of wanneer
hy verschrikt is, wind hy zig in elkander, zyn stormhoed en harnas
dicht by één voegende, waar in de kop en pooten dan besloten zyn.
De vogelen, de insecten, de vruchten, de wortelen, enz. dienen hem
tot voedzel. Ik heb niet bevonden, dat hy kwaad was om te eeten; maar
de Europeaanen maaken 'er weinig werk van. De Indianen integendeel
houden ongemeen veel van deszelfs vleesch.
Het is tans, zoo ik meen, ook eene gepaste gelegenheid om te spreken
van het Stekel-varken van Guiana, het welk men alhier Adjora noemt,
Dit dier heeft zomtyds drie voeten lengte, gerekend van den bek
tot het begin der staart. Hy is geheel met harde stekels bedekt. De
kop, de staart, en de pooten echter, hebben 'er geene. Deeze stekels
hebben omtrent de lengte van drie duimen, een geele kleur by het lyf,
een donker kastanje bruin in 't midden, en wit aan het einde. Zy zyn
zeer scherp, zeer glad, zeer beweegbaar, en dienen tot verdediging
van het dier, het geen dezelve in de hoogte steekt, wanneer het
booshartig is; en zyn gezicht is dan één der verschriklykste voor
zynen vyand. Op alle andere tyden leggen deeze stekels op zyn rug,
ten naasten by als de varkens-borstels. De kop van het Stekel-varken
is van eene ronde gedaante, en door een ongemeen dikken en korten
hals aan het lyf vast. Zyne oogen zyn groot, zeer schitterend,
en by zyne kleine en ronde ooren geplaatst; aan elke kant van den
neus heeft hy groote knevels, gelykende naar die van een Otter of
Kat. Dit dier byt nooit. Zyne pooten hebben byna de gedaante van die
van een aap; hy bedient 'er zig van, om op de boomen te klauteren,
en aldaar zyn voedzel te zoeken; zyne lange staart is hem tot dat
einde zeer dienstig; hy hecht die aan de takken, en zy dient hem
tot een vyfde lidt; aan het einde is dezelve bedekt met hair, even
als hoofdhair, uitgenomen echter het benedenste gedeelte, het welk
volmaakt eeltachtig en zwart is; zoo zyn ook insgelyks de binnen-kanten
van zyne vier pooten.
De Egel is, zoo ik meen, in dit Land niet veel verschillende van
die van het oude vaste Land. Hy heeft zeven of agt duimen lengte,
en is geheel bedekt met stekels van een ligt geele kleur; maar hy
heeft geen hair op den kop, nog onder den buik, en de zyne is veel
zachter en langer, dan die van den Europeeschen Egel. Hy heeft op de
oogen bruine vlakken, even als wenkbrauwen; maar hy is zonder ooren, of
heeft alleenlyk gaaten, om tot een doorgang voor het gehoor te dienen,
en hy heeft vyf klauwen met kromme nagels aan elke poot. Zyn staart
is zeer kort, en zyne verdediging bestaat daar in, dat hy zig, even
als de Armadil, in elkander rolt. Hy voedt zig met vrugten, wortelen,
plantgewassen, insecten, enz. De Indianen eeten zyn vleesch ook.
De Colonel FOURGEOUD nog niet aangekomen zynde, vermaakte ik my
met my te baden, en een kano aan den mond der diepe Wana-Kreek te
stuuren. Geduurende deezen tyd, zag de heer ROUBACK, één van onze
Officiers, die my vergezelde, boven op een Palmietboom, een gevecht
tusschen een slang en een kikvorsch. Ten bewyze dat men dieren
van dit laatste zoort op de boomen vind, verwyze ik den leezer
naar de Monthley Review, voor de maand Maart 1783, bladz. 199,
in de Verhandeling van den Abt SPALLANZANI, over de Kikvorsschen,
alwaar de boom, die dezelve bevat, in 't byzonder beschreven is. Het
verwonderde my niet, dit dier op de takken te zien, maar wel deszelfs
gevecht tegen den slang, een gevecht, het geen ik zal beschryven, en
het welk de arme kikvorsch verloor. Toen ik de laatstgemelde vernam,
was zyn kop en halve lyf reeds in den bek van den ander, die my
in de lengte uitgerekt voorkwam, en wiens staart om een tak van den
Palmietboom gewonden was. De kikvorsch scheen de grootte van een vuist
te hebben, en haakte met zyne voor- en agterpooten in een tak. In deeze
gesteldheid streeden zy, de één voor zyne maaltyd, de ander voor zyn
leven, en maakten eene rechte linie tusschen twee takken. Geduurende
eenigen tyd bemerkte ik, dat zy geheel in stilstand waaren, en geen
beweging maakten. Ik had nog hoop, dat de arme kikvorsch zig door haare
pogingen uit het ongeval redden zoude; maar het tegendeel had plaats;
want de kakebeenen van den slang zig trapsgewyze vergrootende, en
door middel van haar opspannend vermogen, eene ongeloofbaare opening
maakende, verdweenen het lyf en de voorpooten van den kikvorsch
langzamerhand. Wel dra zag men niets meer dan de agterpooten en
klaauwen, die eindelyk van den tak los geraakten. Het arme beest wierd
ras geheel en al in de keel van zynen geduchten vyand ingezwolgen,
die het zelve eenige duimen diep liet nederzakken. Hy bewaarde het
op die plaats, alwaar het een dikte of zwelling vormt; terwyl het
kakebeen en de keel van den slang weder te zamentrokken, en derzelver
natuurlyken staat dadelyk hernamen. Dewyl hy buiten ons bereik was,
konden wy hem niet dooden, het geen wy wel gewenscht hadden, om hem
met des te meer naauwkeurigheid te onderzoeken. Dus lieten wy hem
zonder beweeging, en altoos rondom den tak gedraait.
Den 3den November, kwam een gedeelte van het krygsvolk aan, en sloeg
zig aan den oever neder, ten zuidwesten van de Cormoetibo-Kreek,
omtrent een myl van den mond van de Wana-Kreek. Ik ging met twee
jagers naar hen toe. De Majoor RUGHCOP, die het bevel over hen voerde,
berigtte my, dat de krygsbende van den Colonel FOURGEOUD, laatstelyk
de Patamaca-Kreek in twee colommen verlaaten had; de Majoor geleide
'er ééne van, en de andere verwagtte men alle oogenblik. Deeze Officier
deed my ook verstaan, dat het overig gedeelte deezer zelfde krygsbende,
uitgenomen de zieken, die op Paramaribo waaren, verscheide divisiën
aan de Rivieren Peréca, Cottica en Commewyne uitmaakte. Ik was toen
in goeden welstand, en had een gerusten geest. Hoopende dat dit
vrywillig bewys van mynen yver voor den dienst my met den Colonel
verzoenen zoude, keerde ik naar de legerplaats der Neger-Jagers te
rug, om aldaar zyne aankomst af te wagten. Ik kende, wel is waar,
de onbuigzaamheid van zyn caracter; en aan den anderen kant was
ik niet onbewust, hoe moeielyk ik my gemaakt had, toen ik meende
onrechtvaardig behandelt te zyn; maar ik vergat wel dra het ongelyk,
en op dit oogenblik had ik besloten, om, zoo mogelyk, door myn yverig
en schikkelyk gedrag, de vriendschap van mynen Oversten te verkrygen.
Het verlangde uur kwam eindelyk aan. Ik vernam de aankomst van
den Colonel, en ik ging hem, op den afstand van een halve myl van
de legerplaats, te gemoet. Ik zeide hem, dat ik gekomen was, om in
zynen roem te deelen, en onmiddelyk onder zyne beveelen te dienen. Hy
antwoordde my met een groet, waar op ik hem weder groette, en tot in
de legerplaats vergezelde.
Het krygsvolk van den Colonel maakte zig in zynen optocht meester
van drie dorpen der vyanden, by één van welke men een uitgestrekt
veld vond, met rype en in bloei staande ryst bedekt, maar het
welk geheel en al verwoest wierd, na dat de muitelingen waren op
de vlucht gedreven. Zy stonden onder het bevel van eenen Mulat,
genaamd BONNY, die in de bosschen gebooren was. Deezen maakten
eene party uit, geheel afgescheiden van die van BARON, welke men
laatstelyk van Boucou verjaagd had. Ik vernam ook, dat men op een
ledig vak hoofden van lyken gevonden had, die op staaken, in den
grond geplant, gestoken waaren. Het waaren de overblyfzels van den
ongelukkigen Lieutenant LEPPER, en zes van zyne soldaaten. De anderen
waaren grootendeels levendig gevangen genomen, en door de Negers naar
hun dorp gebragt. Aldaar had BONNY hen geheel naakt doen uitkleeden,
en om de vrouwen en kinderen der muitelingen te vermaaken, had men
hen laaten dood geesselen. Wy ontfingen dit bericht uit den mond van
eene Negerin, welke de Colonel op zynen tocht gevangen genomen had,
en door ons wel behandeld wierd.
Dit onmenschelyk gedrag van BONNY was juist het tegenövergestelde van
dat van BARON, die, in weêrwil van alle de bedreigingen, verscheide
soldaaten, welke hy had kunnen ombrengen, naar Paramaribo had te
rug gezonden. Hy hielp hun zelfs om te ontsnappen, en verschafte hun
levensmiddelen, want hy gevoelde wel, dat het onbillyk was hun iets
te wyten. Maar gelyk ik hier boven reeds gezegd heb, elke Neger-Jager,
die het ongeluk had in zyne handen te vallen, kon de ontembaare woede,
waar mede hy bezield was, niet ontduiken.
Ik vergat te zeggen, dat de geheele krygsbende van den Colonel,
byna uitgehongerd zynde, met een groot geschreeuw om brood gevraagd
had. 'Er was een meenigte brood in de legerkisten; maar men had
geduurende drie dagen de uitdeeling daar van opgeschort, en ryst
in de plaats gegeven. Om dit zoort van muiterye te doen eindigen,
wierpen zig de Officiers gewapend midden onder de soldaaten, en naamen
zonder onderscheid de eersten, die hun in handen vielen, gevangen,
waar onder zig bevond zekere SCHMIDT, dien die de anderen verklaarden
onschuldig te zyn. Men sloeg geen acht op hunne betuigingen, en dewyl
men een voorbeeld stellen wilde, wierd hy verwezen tot de straf van
stokslagen, welke hy ook onderging, tot dat hem het bloed als een
fontein uit den mond sprong.--Op die wyze eindigde deeze opstand. Een
der geleiders, genaamt MANGOL, een walg hebbende om onder de beveelen
van den Colonel FOURGEOUD te dienen, verliet hem zonder zyn afscheid
te vragen, en kort daar na liet hy den dienst geheel en al vaaren. Zie
hier de byzonderheden van deezen tocht in twee kolommen, van Crawassibo
aan de Commewyne tot de Wana-Kreek.
Op zekeren dag, tegen den middag, leggende in myn hangmat te slapen,
kwam de Lieutenant CAMPBELL, myn vriend, my met de traanen in de
oogen zeggen, dat des avonds te vooren de Colonel FOURGEOUD, in
tegenwoordigheid der Officiers van 's Compagnies krygsvolk, van de
Engelschen ongemeen veel kwaad gesproken had. Ik beefde van kwaadheid,
en stond oogenbliklyk op. Na my het gezegde van CAMPBELL door anderen
te hebben doen bekragtigen, ging ik naar den Colonel, en vroeg hem naar
de reden van de door hem gehouden lasterlyke redeneeringen. Hy ging
een stap agter uit, en antwoordde my, dat de gemaakte aanmerkingen
alleen betrekkelyk waaren geweest tot myn lange broek en borstrok,
welke ik als de gemakkelykste en koelste kleeding droeg, zoo als
verscheiden Engelsche zeelieden doen, maar het geen de Colonel op de
Zwitsersche bergen niet gezien had. Voor 't overige leide hy de schuld
geheel op den Capitain STOELMAN, die afwezig was. Ik moest my dus te
vreden houden met opentlyk tegen deezen eerdief wraak te roepen. Ik
beloofde vervolgens aan den Colonel myne kleeding te veranderen,
en wy scheidden zeer koeltjes van elkander.
Een uur daar na, ontfing ik last, om de Rivier Cormoetibo over te
steken, en aldaar onder het bevel van den Majoor RUGHCOP te verblyven,
die met zyn detachement of kolom aan den zuidelyken oever van den
mond der Wana-Kreek gelegerd was. Ik gehoorzaamde oogenblikkelyk.
Op de legerplaats van den Majoor aangekomen zynde, met twee Negers,
om my te bedienen, was myne eerste zorg, om voor my een hut te doen
oprigten, of, om netter te spreken, een zoort van overdek, ten einde
myne hangmat voor zon en regen te beveiligen; het werk was in een
uur ten einde gebragt. Dewyl deeze hutten van een zeer algemeen en
belangryk gebruik zyn in het open veld, en op de tochten, die onder
den zonne-keerkring geschieden, alwaar men geene tenten kan oprichten,
zal ik de manier van derzelver zamenstelling, die allermerkwaardigst
is, beschryven. Men heeft geen spykers, nog hamer, nog eenig ander
timmermans gereedschap noodig; men behoeft niets meer, dan een
sabel of snoeimes. Deeze hutten, schoon in een oogenblik gebouwd,
maaken eene vry geschikte en aangenaame wooning, die zomtyds zelfs
twee verdiepingen heeft. Om deeze te bouwen, gebruikt men het hout
van den Latanusboom, alhier genoemd Parasalla, (Pinot, in Cayenne,)
en banden van heestergewassen, genaamd Bejucos by de Spanjaarden,
en Tay-tay in Surinamen.
De Latanusboom is een zoort van Palmboom, die men voornamelyk op
moerassige plaatsen vind, en altyd, een bewys van een ryken grond
is. Hy is ten naasten by zoo dik als de dyë van een mensch, en
verheft zig tot de hoogte van dertig tot vyftig voeten. De stam,
die zig eerst op den afstand van twee of drie voeten van den grond
vormt, is van een helder bruine kleur, van buiten zeer hard, tot op
de dikte van een halve duim, maar na dit zoort van schors, is hy vol
merg, als de Engelsche vlierboom, en is van geene waarde, dan in de
hoogte, alwaar hy groen word, en een lekkere en witte vrucht bevat,
genaamt Chou, die aan alle zoorten van Palmboomen eigen is, en welke
ik by vervolg beschryven zal. Op den top van deezen boom verspreiden
zig zeer schoone groene takken, welker bladeren, even als zyde linten,
lynrecht naar beneden hangen, en een zoort van zonnescherm uitmaken. De
manier, om zig tot het bouwen van hutten van den stam te bedienen,
bestaat hier in, dat men denzelven aan stukken hakt, zoo hoog als men
zyne verblyfplaats hebben wil, het geen wy voorönderstellen op zeven
voeten, als de gewoone maat zynde. Vervolgens splyt men deeze stukken,
neemt 'er het merg uit, en maakt 'er een zoort van planken van, ter
breedte van de hand van een mensch, die goed zyn om oogenblikkelyk
te gebruiken. Na zoo veele van dezelve gemaakt te hebben, als men
noodig heeft, blyft 'er niets meer overig, dan om ze recht over
einde te plaatsen, de eene naast de andere, op twee dwarshouten,
aan de hoekpaalen vast gemaakt. Alles hangt aan elkander vast door
middel van banden van heestergewassen, wier naam Tay-tay, afkomstig
is van het Engelsch werkwoord to tie, (zamenbinden,) het geen niet
te bevreemden is, dewyl wy deeze Volkplanting bezeten hebben. Deeze
heerstergewassen, wat daar ook van zy, leveren koorden op van
allerleije zoort, groote of kleine, die in de bosschen groeien,
en zig in allerleije richtingen om de boomen winden. Zy zyn in
zoo grooten getal, en zoo wonderbaarlyk verspreid, dat zy aan het
bosch de gedaante geven van eene groote vloot, die ten anker ligt;
zy doen verscheiden boomen sterven, alleenlyk door hun gewicht, en
vlechten zig de een om de ander, tot dat zy de dikte van een kabeltouw
vertoonen. Zy klimmen, zomtyds kruisgewyze, tot in den top der hoogste
boomen, van waar zy weder op den grond vallen, om wortel te schieten,
en dan weder naar boven te klimmen. De dunste heestergewassen zitten
dikwils zoo in elkander verwardt, als visschers netten, en het wild
kan ze niet aan stukken breken. Zy zyn uittermaten taay, en men kan
'er zig van bedienen, om groote Schepen aan vast te leggen. Ik zal 'er
alleenlyk byvoegen, dat 'er eenige vergiftige zoorten zyn, voornamelyk
die plat of hoekig zyn, en ik zal tans myne beschryving vervolgen,
met op te geven, hoe men het dak der hutten maakt.
Dezelfde boom, de Latanusboom, levert 'er al mede de stof voor op;
men gebruikt daar toe deszelfs takken of armen. Elk van dezelve, wier
gedaante ik niet beter, dan by die van een veder, vergelyken kan, is
zoo breed als een mensch. Men splyt dezelve van boven naar beneden in
twee gelyke deelen, en men knoopt die beide met hunne eigene bladen
te zamen: men neemt vervolgens verscheide van deeze alzoo te zamen
verëenigde takken, waar van men bondels maakt, met banden aan elkander
gehecht, zorg dragende, dat het groen naar beneden valt, even als de
maanen van een paard. Dit overdekzel, het welk in 't begin, groen
is, krygt wel dra een roozenkleur. Het is zeer fraay, zeer sterk,
zeer vast in elkander; en, zoo als ik reeds gezegd heb, het gebouw
word zonder hamer of spykers voltooit. De vensters, de tafels, de
stoelen, zyn op dezelfde wyze gemaakt. 'Er is geene andere sluiting
voor de tuinen en waranden, waar in men beesten houd. Dus ontbreekt
het de kastanje-bruine Negers nooit aan goede wooningen, dewyl, zoo
men een dorp van hun verbrand, zy morgen een nieuw gebouwd hebben;
maar wel zorge dragende, dat zy het niet weder bouwen op de plaats,
alwaar de Europeaanen het eerste dorp ontdekt hebben. De Indianen,
in plaats van takken van den Latanusboom te gebruiken, bedekken
doorgaans hunne karbetten met de takken van eenen anderen boom,
dien zy Tas noemen, en waar van ik by vervolg spreeken zal. Ik moet
niet vergeeten te zeggen, dat het zaad van den Latanusboom vervat
is in een bloei-hoos of kelk by den top des booms, en bestaande uit
dertig of veertig houtächtige vezels, die de gedaante van een zoort
van bezem hebben, waar van men zig in deeze Volkplanting bedient;
dus levert deeze boom de bouwstoffen tot een huis op, tevens met de
gereedschappen, om het zelve schoon te houden.
De hut, welke ik voor my liet bouwen, was niet ingericht op de manier,
als ik zoo even beschreven heb; dit was der moeite niet waardig
voor den korten tyd, dien wy doorgaans op eene en de zelfde plaats
verbleeven: zy bestond slechts in een enkel overdek, zonder eenige
afschutting. Dit zoort van schuilplaats, welke ieder soldaat voor zig
zelven opricht, kost weinig arbeid. Men begint met vier puntige staaken
in den grond te steeken, zoo verre van elkander af staande, dat iemand
gemakkelyk tusschen dezelve leggen kan. Vervolgens maakt men daar aan
twee dwarshouten vast, het één aan de voorstaaken, en het ander aan
de agterstaaken; en men draagt zorge om ze zoo sterk te nemen, dat ze
het gewicht van 't lichaam dragen kunnen. Om het dak te ondersteunen,
maakt men twee afschuttingen van eene schuinsche gedaante; de takken,
die men daar over heen spreid, behoeven niet gespleeten, nog vast
gebonden te zyn, en men werpt 'er zoo veele op, als 't jaargetyde
vordert. Zoo dra deeze hut afgemaakt is, is dezelve voldoende, om
den bewooner tot eens schuilplaats te dienen. Daarënboven hangt men,
door middel van banden van heestergewassen, en als aan een kapstok,
den snaphaan, degen, pistoolen, enz.
Na den Latanusboom beschreven te hebben, zal ik insgelyks beschryven
den Kokosboom, die, onder alle zoorten van Palmboomen, met denzelven
de meeste gelykheid heeft. Deeze boom, zoo geroemd, dat ze aan den
mensch voedzel, kleederen, huisvesting, enz. verschaft, heeft, naar
myne gedachten, alle deeze hoedanigheden niet; maar niettemin is
hij steeds merkwaardig. Hy groeit als de Latanusboom, met een hooge
stam, die zelfs tot de hoogte van zestig, ja zomtyds van meer dan
tachtig voeten opwast; hy is groot in evenredigheid, maar zeldzaam
recht. De bast is grauw; het hout, van buiten hard, is van binnen vol
merg. De takken zyn breeder, en van een donkerer groen, dan die van
den Latanusboom, en van weerskanten van bladeren voorzien, als die
geene, welke ik in den laatstgemelden boom by groene linten vergeleken
heb. Deeze bladen echter hangen niet lynrecht neder: de takken zyn ook
zoo regelmatig niet gebogen, maar zy hebben het voorkomen van groote
vederen, en groeien aan den top des booms. De Kokosboom brengt ook een
zoort van kool of moes voort, maar van al te weinig waarde, om zig
door het afsnyden van dezelve aan het verlies van den boom bloot te
stellen; het geen, zoo dikwils men dit doet, onvermydelyk gebeurd. Na
verloop van vyf of zes jaaren draagt hy nooten, en zulks in alle
jaar-getyden. Deeze nooten groeien doorgaans zes of agt by elkander,
die uit den stam van den boom voortspruiten. Zy hebben de grootte van
een menschenhoofd, maar eene meer kegelachtige gedaante.--Men weet,
dat de noot, wanneer zy van haar buitenste bast ontdaan is, zoo hard
is, dat men een hamer noodig heeft om dezelve te breken, en de daar in
besloten pit 'er uit te haalen. Wanneer deeze vrucht jong is, bevat ze
een wit vocht, het welk ik niet beter kan vergelyken, dan by water en
melk met suiker, en een zoo aangenamen, als frisschen drank verschaft:
wanneer zy ryp word, vormt zy zig tot een breekbaare pit, ter dikte van
een duim, zig aan het binnenste der schaal vast hechtende, waar van het
overige volmaakt ledig is. Deeze kern of pit, van een lekkeren smaak,
en gelykvormig aan den smaak der melk, waar van zy is voortgekomen,
is goed om te eeten, het geen verscheiden myner lezers ongetwyffeld
zoo wel als ik weeten. Dog laaten wy ons verhaal vervolgen.
Op zekeren morgen, geduurende myn verblyf op deezen wachtpost, van eene
ronde, die ik met twintig zee-soldaaten en twintig Neger Jagers gedaan
had, te rug komende, wierd ik grovelyk gehoond door den heer MEYLAND,
Capitain van 's Compagnie's krygsvolk, die, zoo als ik gezegd heb,
met den Lieutenant FREDERIK, de vesting Boucou had ingenomen, en de
landgenoot en vriend van den Colonel FOURGEOUD was. Wy zaten met andere
Officiers rondom een zoort van tafel te eeten. MEYLAND, hun allen van
een zekere wyn gediend hebbende, waar van hy niet meer dan eene enkele
fles had, zonderde my op eene beledigende manier uit, schoon ik myn
glas in de hand had, om 'er mede van te ontfangen. Verdenkende, dat
deeze hoon door den Bevelhebber moest zyn ingeblazen, en het voorkomen
niet willende hebben van geschil te zoeken, zeide ik aan den Capitain,
dat ik door onöplettenheid gezondigd had, my niet verbeeldende, dat ik
van myne medgezellen moest onderscheiden worden. Ik verzekerde hem,
dat het niet de trek tot den wyn was, die my deeze aanmerking deed
maken, en ik verzogt den geen, die naast my zat, my een glas wyn in te
schenken, het geen hy ook deed. Deeze inschikkelykheid van myn kant had
geen ander gevolg, dan dat het mynen vyand nog meer verbitterde, die
zig waarschynlyk verbeeldende, dat dit uit lafhartigheid voortsproot,
een onbeschaafden en gekscheerenden toon aannam. Hy wierd door alle de
Duitschers en Zwitsers, die zig aldaar bevonden, zonder uitzondering,
verwonderlyk geholpen; ik sprak geen woord; ik sneed een vlerk van
eenig gevogelte af, dat voor my stond; ik at dezelve op, en verliet
oogenblikkelyk de tafel, met het vast besluit, om myn caracter te
handhaven of te sterven. Met dit stellig voorneemen, begaf ik my naar
de hut van eenen zieken soldaat, en leende van hem zyn sabel, (de myne
was gebroken,) onder voorwendzel, dat ik dien noodig had, om één of
twee stokken te snyden. Vervolgens ging ik den heer MEYLAND opzoeken:
ik vond hem zyn pyp rookende aan den waterkant, en naar één van zyne
vrienden, die met visschen bezig was, kykende. Ik sloeg hem op den
schouder, en zeide hem, dat zoo hy my niet oogenblikkelyk voldoening
gaf, zoo als een eerlyk man betaamde, ik my over hem wreeken zoude,
door hem met het platte van den sabel op zyn gezicht te kloppen. Hy
antwoordde my, dat hy niets dan gekscheerende gedaan had, en scheen
eene bevrediging te verlangen; maar ziende dat ik daar niet heen
wilde, stootte hy met veel koelbloedigheid de asch uit zyn pyp;
vervolgens zyn wapentuig hebbende gaan haalen, gingen wy te zamen, en
zonder medehelpers, in het bosch, op den afstand van byna een halve
myl. Toen hield ik stil, en myn sabel trekkende, waarschuwde ik den
Capitain van op zyn hoede te zyn. Hy deed dit; te gelyker tyd deed
hy my opmerken, dat wy met ongelyke wapenen streden; dit was waar:
maar zoo al de punt van zyn sabel was weggenomen, was dezelve wel een
voet langer dan de myne. Ik antwoordde hem, dat het scherp van den
sabel veel meer diende dan de punt, en ik bood hem aan te ruilen. Om
hem daar toe te bewegen, stak ik die geene, welke ik in de hand had,
in den grond, en trachtte hem de zyne te ontwringen, tot dat ik myne
vingers geheel bebloed zag, want ik had de kling aangevat. Toen nam ik
myn wapentuig weder op, en zocht verscheiden maalen, maar vruchteloos,
hem te raaken: hy keerde my met het grootste gemak af. Hy zelf, alle
zyne krachten inspannende, wilde my een slag op 't hoofd toebrengen;
maar gevoelende, dat myne handigheid onvoldoende zoude zyn, bukte
ik om den slag te ontwyken. Ik maakte van dit myn postuur gebruik,
trachtende hem in den hals te raaken; ik slaagde daar niet in, maar
ik bragt hem een houw van zes duimen lang in het vleezigste gedeelte
van den rechten arm toe. Ik zag dezelve dadelyk dwars door de opening
van zyn rok, en zyn hand hing op zyde. Ik zelf echter was het gevolg
van den slag, dien hy op myn hoofd gemunt had, niet geheel ontsnapt;
die slag was op myn rechter schouder neergekomen, en maakte my aldaar
een wond van een duim diepte. Toen vorderde ik, of dat MEYLAND my
vergiffenis vragen zoude, of dat wy het gevecht met de pistool zouden
vervolgen, schietende met de linke hand; maar hy verkoos het eerste. Ik
deed hem gevoelen, dat de kortswyl van een Zwitser geen beuzeling was,
die een Engelschman verdragen konde. Vervolgens gaaven wy elkander
de hand, en ik bragt hem, geheel bebloed, by den Heelmeester van
ons krygsvolk, die zyne wonde verbond. Dit afgeloopen zynde, kwam
hy by zyn hangmat te rug, en het was hem, verscheiden weeken lang,
onmogelyk eenigen dienst te doen. Op deeze wyze verzoende ik my met
den Capitain MEYLAND; maar het geen my het grootst genoegen deed, was
zyne verklaaring, dat hy my alleenlyk beledigd had in 't denkbeeld,
dat de Colonel FOURGEOUD veel vermaak zoude scheppen, met my eenige
onaangenaamheid te doen ondervinden. Zedert uit voorval verkeerden wy
te zamen als de beste vrienden. De vreede echter mocht myn deel niet
zyn, want denzelfden achter-middag was ik genoodzaakt twee andere
Officiers uit te dagen, die zig op deeze maaltyd in het geschil van
den Capitain tegen my gemengd hadden. Ik had echter het geluk, om hun
zonder geweld of bloedvergieten myn caracter te doen kennen. Deeze
heeren erkenden hunnen misslag; en dadelyk wierd ik onder ons volk
met een goed oog aangezien.
Den 9den November, ontmoetten de twee kolommen elkander, en sloegen
zig gezamentlyk neder aan den westelyken oever van de Wana-Kreek,
omtrent daar dezelve in de Cormoetibo-Kreek uitloopt. Aan beide Kreeken
plaatsten wy voorposten een myl van elkander. Dien zelfden avond had
ik gelegenheid, om den Colonel FOURGEOUD te doen verstaan, dat ik aan
zynen landgenoot in een tweegevecht byna het hoofd had ingehouwen. Ik
had besloten hem dit zelf te zeggen, wel wetende, dat hy vroeg of laat
door anderen 'er van zoude zyn onderrigt geworden. Hy antwoordde my,
dat hy my dit verlies vergeven zoude hebben, en dat ik een braave
jongen was; maar deeze woorden gingen met een glimlach gepaart, die
'er een geheel anderen zin aan gaven.
Indien ik aan deeze betuiging van vriendschap geloof gegeven had,
zoude hy 'er my niet lang mede misleid hebben, want myn eenigen vriend,
den heer CAMPBELL, ziek geworden zynde, en zig in een vaartuig naar
het Hospitaal te Devil's Harwar begeevende, wilde de Colonel hem
niet toestaan te wagten, tot dat ik een brief, waar by ik aan JOANNA
om linnen verzogt, had afgeschreven. Een Neger-jager bezorgde my
echter een kleine kano, waar mede ik my by den jongen en ongelukkigen
CAMPBELL vervoegde, dien ik voor de laatste maal omhelsde, want hy
stierf eenige dagen daar na.
De Colonel FOURGEOUD toen besloten hebbende, om den westelyken oever
van de Cormoetibo-Kreek van muitelingen te zuiveren, trokken wy in
twee kolommen op. Hy zelf was aan het hoofd der eerste; de Majoor
RUGHCOP voerde het bevel over de tweede, waar toe ik behoorde; en wy
lieten agter ons eene sterke wacht met voorraad voor de zieken. Zie
hier den zakelyken inhoud van onze beveelen op deezen tocht.
ART. I. De vreedzaamheid en matigheid wierden daar by ten sterksten
aanbevolen.
II. Niemand vermogt, op doodstraffe, vuur geven, zonder dat het hem
bevolen was.
III. De straffe des doods tegen een iegelyk, die zyne wapenen zoude
verliezen of wegwerpen.
IV. Gelyke straffe tegen den geenen, die geduurende den slag zoude
durven plonderen.
V. Een Officier en een Sergeant moesten op de uitdeeling der
levensmiddelen ten allen tyde toezicht houden.
VI. Het getal der Negers, tot dienst van elken Officier, wierd daar
by uitgedrukt en bepaald.
Verdere beveelen bragten bovendien mede, dat ingevalle onze
zee-soldaaten in twee of drie kolommen zouden optrekken, zy de boomen
met een sabel of snoeimes zouden merken, om aan de overige krygsbenden
te kennen te geven, dat zy aldaar reeds waren voorby-getrokken. Elk
derzelve was door byzondere teekenen onderscheiden. Het krygsvolk
der Compagnie had ook de hunne. Men moest die merken alleenlyk op de
boomen aan de linke hand stellen. Het volk wierd ook aanbevolen, om,
wanneer zy de Zand-woestynen of Savanen doortrokken, de takken van
het geboomte of der heestergewassen kruisgewyze op te binden. Elke
divisie, de legerplaats opbreekende, moest een fles en een stuk wit
papier daar ter plaatse laaten; en zoo aan haar iets byzonders was
voorgekomen, moest het worden opgeschreven. By eenen aanval lag het
bevel om eene kleine verschanssing met de legerkisten te maaken,
agter welke de Neger-Slaven op hun buik plat op den grond zouden
gaan leggen. De achterhoede alleen moest zig verdedigen. Aan de
slagleverende krygsbende was voorgeschreven, om zig niet tot enkele
verdediging te bepaalen, maar integendeel met de bajonetten voor uit,
op den vyand, in weêrwil van deszelfs vuur, in te dringen. Niettemin
wierd bevolen, om 't leven te schenken aan elken muiteling, die zig
zoude willen overgeven, en de gevangenen op eene menschelyke wyze te
behandelen. Deeze waaren de regels, die wy by vervolg moesten in acht
nemen, want ik moet zeggen, dat tot heden toe alles in de grootste
verwarring was. Intusschen trokken wy op die manier naar den mond
der Cormoetibo-Kreek voort. Elke Officier had een zak-compas by zig,
om zynen tocht dwars door de dikke bosschen naar te richten, vermits
men midden in dezelve niets dan boomen en lucht bespeurt, gelyk men
op zee niets dan water en wolken ziet. Die geenen derhalven, welke de
Zeevaart-kunde het best verstonden, liepen het minste gevaar, om in
de eenzaame bosschen, wier uitgestrektheid schier zonder einde was,
verdoold te geraaken. De ongelukkigen, die thans myn mededogen het
meest gaande maakten, waaren die arme Neger-slaaven, die onder hunnen
last gebukt gingen, en slechts een halve portie eeten kreegen, schoon
hunne arbeid twee maalen zwaarder dan de gewoonlyke was. Tot overmaat
van elende, begon de regen stroomsgewyze te vallen, en hield alzoo
den geheelen nacht aan, schoon wy nog in het jaargetyde van droogte
waaren. Intusschen moesten wy zonder hutten, of andere zoorten van
schuilplaatsen woonen. Wy waaren dus genoodzaakt, om onze hangmatten
aan takken van boomen op te hangen, en ons schiet-geweer daar onder
te plaatsen, om het voor de vochtigheid te bewaaren. Op die wyze
had de Colonel zyne gemaakte schikkingen voorgeschreven. Niettemin,
in weêrwil van wind en regen, viel ik in eenen diepen slaap.
Den 14den, des morgens ten vyf uuren, wierd ik wakker gemaakt door
een geroep van staat op! staat op! De regen hield bestendig aan,
en de meesten van onze Officieren en soldaaten waaren ziek. Ik stond
uit myne hangmat op, zoo nat, als of ik uit een badkuip kwam. Op raad
der Neger-Jagers, de plaat van myn snaphaan met een stuk van den bast
van een Palmboom bedekt hebbende, at ik een weinig scheeps-beschuit
voor myn ontbyt, en wy trokken voort. Ik kan niet voorby alhier op
te merken, dat de Negers, die den geheelen nacht op den grond en
in het water hadden doorgebracht, veel welvarender waaren, dan de
Europeaanen. Indien de vyand toen op ons was aangevallen, waaren
wy onvermydelyk verlooren geweest. De loop van onze snaphaanen, en
onze kardoesen waaren geheel en al doorwatert. Men had dit ongemak
kunnen voorkomen, door onze wapentuigen met wasch te besmeeren,
en die in kokers te sluiten, gelyk de Vrybuiters in America deeden:
maar dit waaren beuzelingen, waar op men de moeite niet genomen had
te denken. Het was echter geen beuzeling, en het ontrustte ons zeer,
dat onze mond-behoeften byna op waaren, en dat de geene, die wy aan
de Kreek vermeenden aan te treffen, niet aankwamen. Men had verzuimt
dezelve af te zenden, en uit hoofde van dit toeval waaren wy toen
genoodzaakt, Officiers zoo wel als soldaaten, zonder onderscheid,
ten einde niet van honger te sterven, vier-en-twintig uuren lang
ons middel van bestaan in beschuit en water te zoeken. In het midden
deezer elenden, bood een Neger-Jager ons een groote vogel aan, alhier
genaamd Coussycalcou, en zynde een zoort van kalkoensche haan. 'Er
wierd besloten, om van deezen gelukkigen vondeling soup voor 's
avonds te maken. Op het oogenblik, dat de ketel begon te koken,
wierp elk 'er een stuk beschuit in; en het water, dat onophoudelyk
in de ketel liep, vermeerderde geduurig onze portie. Geduurende
deeze verschrikkelyke regenbui waaren wy zonder hutten, even als den
voorgaanden nacht. Zorge gedragen hebbende, om eenige kleederen om
myne schouders te hangen, bragt ik deezen nacht by het vuur door. Ik
had aldaar minder te lyden, dan myne ongelukkige medgezellen, die in
hunne hangmatten lagen, en zonder ophouden hoestten. Maar om tot den
gemelden vogel weder te keeren, alles wat ik 'er van zeggen kan, is,
dat hy weinig verschilde van de gewoone kalkoensche haanen, die hier
meer dan twintig ponden weegen.
De grootste vogel van Guiana word in Surinamen door den een Toijew,
en door den ander Emou genaamt. Hy behoord tot een zoort van vogelen
tusschen den Struisvogel en de Casoar, ten minsten zoo men my gezegd
heeft, want ik heb nooit een enkele in dit Land gezien. Men zegt,
dat deeze vogel zes voeten hoog is, gerekend van de pooten tot den
kop. Hy heeft een kleinen kop, en platte bek; de hals en pooten zyn
langwerpig; het lyf is rond, zonder staart en van een licht graauwe
kleur. De bouten zyn zeer dik en sterk; en elke poot heeft drie
nagels, verschillende daar in van den Struisvogel, die 'er slechts
twee heeft. Men geeft voor, dat deeze vogel niet kan vliegen, maar zeer
schielyk loopt; en dat hy, even als de eerstgemelde, met zyne vlerken,
zyn tred verhaast; men vind hem voornamelyk by het opvaaren van de
Maroni en de Saraméca.--Dewyl ik van vogels spreek, moet ik zeggen,
dat schoon men 'er geene in Guiana ontmoet, die eenen zachten zang
hebben, een gebrek, het welk de fraaiheid van hunne pluimaadje naar
den smaak van veelen vergoed, ik 'er op deezen tocht in 't byzonder
twee hoorde, wier gekweel my zoo veel genoegen deed, dat ik het
oogenblikkelyk opteekende.
Dit gezang was zoo regelmatig en zoo zacht, dat ik op alle andere
plaatsen gedacht zoude hebben, dat het een bekwaam zanger was, die op
de fluit speelde. Dewyl ik beide deeze vogels nimmer dan onvolkomen
en van verre gezien heb, bestaat alles wat ik van hun weet, hier in,
dat men hen dikwils in de nabyheid der moerassen hoort.
Des anderen daags morgens vervolgden wy onzen tocht door zulk een
zwaaren regen, dat wy in de bosschen tot de kniën toe door 't water
gingen, en dat wy een brug moesten maaken, om een kleine Kreek,
die op onzen weg was, over te komen.
Ik stelde de Neger-Jagers en eenige slaven te werk om die te maken,
en dezelve wierd in den tyd van een uur afgemaakt: zy hakten een zeer
recht staande boom om, en wierpen die op de kreek of beek, na aldaar
een hoop aarde of zoort van borstweering gelegt te hebben. De Majoor
RUGHCOP, onze Bevelhebber, die een ongemakkelyk man was, en wiens
lichaams gestel door zoo veele vermoeienissen begon te verzwakken, was
over deezen arbeid t'onvreden; hy betaalde de Jagers met vloeken en
verwytingen, maar zy beantwoordden hem met een verachtende glimlach:
zy lieten hem praaten, en gingen over de kreek, de een over de
brug, de ander zwemmende, en een derde klauterde over de boomen,
welker takken tot aan de andere zyde overhelden, en aldaar op den
grond nederhingen. Ik volgde het voorbeeld der laatstgemelden, en
wy wachten eenigen tyd naar den armen Majoor, die met twee derde van
zyne krygsbende, zoo zwak en ziek als hy, langzaam aankwam.
Ik was steeds welvaarend, maar de insecten en doornen reetten my van
één. Onder de laatstgemelde merkte ik een zeker zoort op, welks zwarte,
harde en lange punten, verscheide duimen lang zynde, zeer vinnig in
de huid indringen, en die op een zoort van lage Palmboom, Cocarita
genaamd, groeien, waar van de breede takken zig wyd verspreiden. Een
ander ongemak, waar aan men op alle de moerassige plaatsen der bosschen
is bloot gesteld, word veroorzaakt door een zoort van heestergewas,
genaamd Mataki, het welk twee of drie voeten uit den grond groeit. De
heestergewassen van dit zoort loopen op die wyze tot eenen merkelyken
afstand voort, en hunne draaden zyn zoo verward onder elkander, dat
een hond moeite heeft 'er door te komen: het is zeer moeielyk om 'er
over heen te gaan, de voeten blyven 'er in hangen, en men loopt gevaar
om alle oogenblik te vallen, zoo men niet zorgt om ze van elkander te
verwyderen, het geen voor kleine menschen volstrekt onmogelyk is. Wy
ontmoetten dezelve op onzen geheelen tocht, maar wy zagen nog rivieren,
nog plantgewassen, nog eetbaare vruchten, uitgenomen eenige Maripas:
dit zyn nooten, die aan een grooten Palmboom groeien, en vry veel
overëenkomst hebben met die van de Aouarra, welke ik reeds beschreven
heb; zy zyn echter veel grooter, en van een minder hoog roode kleur:
de pit en de noot zyn volmaakt gelykvormig.
Het weder wierd eindelyk een weinig beter, en wy kwamen voor den middag
te Jerusalem, by den mond van de Cormoetibo-Kreek, alwaar ik geduurende
mynen eersten tocht had stil gehouden. De Colonel FOURGEOUD bevond zig
aldaar zedert eenige oogenblikken, met zyne afgematte soldaaten. Geene
beschryving is in staat, om een naauwkeurig denkbeeld te geven van
de akelige gesteldheid, waar in wy waaren: het zal genoeg zyn te
zeggen, dat dit geheele legertje, uitgenomen eenige manschappen,
door vermoeienis en honger was uitgeput; verscheiden Soldaaten konden
niet meer gaan, en de Negers moesten hen dragen in hunne hangmatten,
aan stokken hangende. Zoo veele onheilen werkten niets, hoe genaamt,
uit, want wy hadden niets ontdekt. De Colonel intusschen, schoon een
man van jaaren, wederstond alles, als of hy van yzer was; het geen
ons voor een gedeelte het recht van klagen benam. Wat my betrof, ik
dompelde my, als naar gewoonte, in de Rivier, om my te wasschen, en
my van de modder en het bloed, waar mede ik bedekt was, te zuiveren:
ik zwom 'er ook eenigen tyd in, en uit 't water gekomen zynde, zogt
ik myne Negers, om my een hut op te richten; maar de Majoor gebruikte
hen, om voor hem een keuken te bouwen, schoon 'er niets viel klaar te
maken. Ik sloeg geen acht op deeze onwellevenheid. De Jagers maakten
my een eenvoudig bed van bladeren van een Latanusboom, want 'er waaren
aldaar geene boomen, om myne hangmat aan op te hangen; zy leiden een
goed vuur aan dicht by dit bed, waar op ik ging leggen, en zeer gerust
sliep, in weêrwil dat de maan my in de oogen scheen, het geen minder
onäangenaam was, dan de regen. Ik ontwaakte egter twee uuren eer de
dag aankwam; het vuur brandde niet meer, de maan was verdwenen, en ik
was byna dood van koude. De vochtigheid, die uit den grond opsloeg,
en de dauw, waar aan ik was bloot gesteld geweest, hadden my zoodanig
verstyft, dat ik moeite had, om op handen en voeten voort te kruipen,
ten einde één van myne Negers te doen ontwaken. Ik liet hem het vuur
aan brand maken, het geen my in staat stelde, om ten zes uuren op te
staan; maar dit geschiedde met zulk een pynlyke steek in de zyde,
dat ik my niet wederhouden konde overluid te schreeuwen. Van den
Colonel en zyne vrienden niet gehoord willende worden, nam ik de wyk
naar den kant van het bosch. De pyn intusschen steeds verdubbelende,
was het my wel dra niet meer mogelyk, om zonder de grootste moeite adem
te halen, en eindelyk viel ik aan den voet van eenen boom neder. Een
der Neger-slaven, die hout ging hakken, my in die gesteldheid ziende,
dagt, dat ik dood was, en bragt dezen alarm-kreet naar de legerplaats
over. Men nam my dus op, en droeg my naar myne hangmat, op last van
den Capitain MEDLER, die my onder eene goede hut deed plaatsen, en
my dadelyk één van 's Compagnies Heelmeesters zond, om voor my te
zorgen. Ik was oogenblikkelyk door toekykers omringd, en myne pyn
in de zyde wierd zoo nypend, dat ik myn hembd met myne tanden van
één scheurde, en in alles beet wat my naderde: door eene aanhoudende
wryving met de hand, en een zoort van smeering, verdween echter de
pyn schielyk, en ik gevoelde my volmaakt hersteld.
Om eene instorting voor te komen, ging ik, zoo dra myne kragten
het toelieten, een stok snyden, waar mede ik zwoer den schelm, die
het opzicht over de Neger-slaven had, te zullen vernielen, zoo hy my
niet oogenblikkelyk een hut liet maken, al had hy zelfs tegenstrydige
beveelen; want myn leven was tog de eerste zaak, waar op ik acht moest
geven. Ik kwam by hem, met myn stok op den schouder, en hem myn oogmerk
hebbende te kennen gegeven, volgde ik hem zoo kort agter op, dat ik
in den tyd van twee uuren het genoegen had van my wel gehuisvest te
zien. Ik moet niet vergeeten te zeggen, dat, toen myne ziekte op het
ergst was, de Colonel FOURGEOUD my had aangeboden, om my naar Devil's
Harwar te doen overvoeren; maar ik stemde daar in niet toe.
Den 18den, vernamen wy, dat de arme CAMPBELL des avonds te vooren was
overleden. De Majoor RUGHCOP zelve ging mede vertrekken, uitermaten
ziek zynde: hy was de elfde Officier, die onder de vermoeienissen
van deezen korten veldtocht bezweek. Een byna volkomen gebrek aan
levensmiddelen hebbende, vervulden wy dit gebrek gelukkiglyk door
eene groote meenigte visschen, waar onder de Jacky was, die ik reeds
beschreven heb, en zig in een kikvorsch verandert. 'Er was ook een
visch, genaamd Warappa, die dezelfde gedaante heeft, en mede goed is;
beiden hebben veel vleesch, en zyn zeer vet. Deeze visschen wierden
zoo overvloedig in de moerassen gevonden, alwaar het afloopend water
dezelve agterlaat, dat de Negers hen met de hand vongen; maar nog
meer, wanneer zy by toeval met hunne snoeimessen of sabels in den
modder hakten; zy verzamelden vervolgens de stukken by elkander,
en wy namen die mede: zy vongen in de Kreek ook nog een andere
visch, genaamd Coemma-coemma, zynde van één tot drie voeten lang:
hy is van een zeer zoeten smaak, maar zoo lekker niet, als die ik
bevoorens genoemd heb. De Negers laaten denzelven droogen, door hem
op stokken voor het vuur te plaatsen. Dan is hy veel beter, en men
eet hem zonder andere toebereiding. Deeze visch alzoo gerookt zynde,
kan verscheiden weken bewaard worden.
Den 20sten, wierd een Capitain met twintig Zee-soldaaten en twintig
Neger-Jagers afgezonden, om de verwoeste vesting Boucou te gaan
opzoeken. Daags daar aan overleed de Majoor RUGHCOP. De Colonel,
op dien dag naar den bovengemelden post zelf willende vertrekken,
liet my het bevel over vier honderd mannen, blanken en zwarten, waar
van de helft ziek was. Ik zond 'er dertig van naar Devil's Harwar om
te sterven, en gaf aan zestig Jagers verlof om zig naar Paramaribo
te begeeven. Zy verklaarden aldaar, dat de onderneemingen van den
Colonel FOURGEOUD meer geschikt waaren om zyn eigen krygsvolk, dan dat
van den vyand, van kant te helpen. Zoo bestaan de Negers; wanneer zy
denken dat 'er niets te doen valt, willen zy niet optrekken. Het is
zeer moeielyk de krygstucht onder hen te bewaaren; en wanneer zy zig
voorstellen den vyand te zullen ontmoeten, kan men hen niet wederhouden
om voorwaarts te rukken. Het is verwonderlyk, met welke behendigheid zy
de voetstappen van anderen ontdekken. Terwyl een Europeaan den minsten
voetstap van een mensch in het bosch niet kan onderscheiden, bemerkt
het doordringend oog van den Neger den gebroken tak, het verdorde
blad enz. Indien deeze de voetstappen van den vyand zyn, is niets in
staat om hem te rug te houden. Zulk eene drift is ongetwyffeld met
de hedendaagsche krygskunde niet overëen te brengen; maar zy kondigt
dien geest van vryheid aan, die in oude tyden den dapperen soldaat
uitmaakte. Zie daar, welk op dit oogenblik het caracter der menschen
was, die slechts zedert korten tyd de slavernye kenden.
Des anderen daags, zynde den 21sten, maakte ik gebruik van het
voorrecht, dat ik had met het bevel te voeren, door twee vaartuigen
met krygsbehoeften geladen, het een naar den post van la Rochelle,
het andere naar Devil's Harwar te zenden. De laatstgemelde bragt
my een kist met Bostonsche beschuit mede, die aan my van Paramaribo
was afgezonden.
Op deezen dag wierden twee slaaven, die beschuldigd waaren van
varkensvleesch uit het magazyn gestolen te hebben, in gevangenis
gezet, en het krygsvolk verzogt my om daar over eene voorbeeldige
straffe te oeffenen. De Zee-soldaaten beschouwden de Neger-slaven met
verachting; zy zagen hen dwaaslyk aan als verre beneden hen zynde,
en als de oorzaak van alle hunne onheilen. Men vond, wel is waar, een
stuk varkensvleesch in den zak van de beschuldigden; maar 'er waaren
geene bewyzen, die den diefstal konden zeker stellen, en ik vond my
zeer verlegen om naar den zin van beide partyen recht te doen. De
Europeaanen mishandelden de ongelukkige slaven met woorden; en deezen
beantwoordden zulks vry vinnig, en al het volk was in beweging. De
eersten verweeten den beschuldigden, dat zy dit vleesch gestoolen
hadden; de beschuldigden beweerden, dat zy het op hun aandeel hadden
uitgespaard, om het aan hunne nabestaanden of vrouwen te geven. Als
toen den toon van eenen onafhanglyken alleenheerscher aanneemende,
deed ik de klagers in het rondt plaatsen, en gelastte om de gevangenen
in het midden te zetten. Vervolgens gaf ik met een luide en sterke
stem bevel, om een blok en byl te brengen. Deeze plechtige vertooning
deed zulk eene uitwerking op de soldaaten, welke voor de uitvoering
van eene ysselyke en barbaarsche daad vreesden, dat alle wraakzucht
in hun hart wierd uitgedooft; en zy verzogten my zelve om genade
te bewyzen. Ik leende het oor aan hunne aanzoeken, en gaf bevel aan
den Negerslaaf, om den byl op te ligten; hy deed het, maar dit was
alleen, om het stuk spek, dat zoo veel beweging veröorzaakt had,
in driën te klooven. De beschuldigers kregen 'er één deel van, de
beschuldigden het tweede, en de uitvoerder het derde, om dat hy zyn
plicht zoo wel betracht had. Alles eindigde tot algemeen genoegen,
en ik hoorde van geene dieveryen meer spreken.
De Colonel FOURGEOUD kwam, den 26sten, van Boucou te rug. Hy had
aldaar drie Negers der muitelingen, zynde Jagers en ongewapend,
verrast, op het oogenblik, dat zy een Chou van een Palmboom sneden
tot hun levens-onderhoud. Men had 'er egter maar twee van gekregen;
en één van hun door een snaphaan-schoot het dye-been gebroken hebbende,
had men hem handen en voeten zamengebonden, en alzoo gehangen aan een
stok, door twee slaven gedragen. Men kan over zyne akelige gesteldheid
oordeelen: het geheele gewicht van zyn lichaam deed hem de ledematen
uit elkander zakken. Niets hebbende, waar op zyn hoofd rustte, viel
dit onöphoudelyk naar den grond. Men had geen het minste verband om
zyne wonden gelegt, en zyn bloed verwde de plaatsen, waar hy was voorby
gekomen. Op die wyze wierd deeze ongelukkige jongman, (want hy scheen
niet meer dan twintig jaaren oud te zyn,) in de legerplaats gebragt,
welke zes mylen af lag van de plaats, alwaar men hem had gevangen
genomen. Men had hem immers wel in een hangmat kunnen leggen, en door
dit middel zoude men hem voor verschrikkelyke folteringen bewaard
hebben. Ik was verwonderd, en met misnoegen aangedaan over deeze daad
van wreedheid in den Colonel, wien ik in koelen bloede nimmer wreed
gezien had. Ik moet hem zelfs het recht doen van te zeggen, dat hy
zig nooit moeielyk maakte, dan wanneer men zig tegen hem aankantte;
het geen ik nu en dan wel eens gedaan had. Maar op dit oogenblik was
hy over zyn zegepraal zoo verrukt, dat alle gevoel van menschelykheid
in hem uitgedoofd scheen. De gewonde Neger op een tafel gelegt zynde,
verzogt ik een Heelmeester om hem te bezichtigen en te verbinden. Hy
leide hem eenige pleisters, en verklaarde, dat hy 'er niet van zoude
opkomen: dit ongevoelig mensch zong, terwyl hy dit werk verrigtte.--De
arme Neger! wat moest hy al lyden! De koorts verdubbelende, verzocht
hy om een weinig water. Ik schepte wat met mijn hoed, en bood het
hem zelf aan. De ongelukkige, over deeze oplettenheid gevoelig,
zeide my: Moi, remercie vous, masera; vervolgens loosde hy een zucht,
en stierf. Hy wierd door de Neger-slaven begraven, die hem blyken van
mededogen beweezen, zoo als zyn ongelukkig lot ook verdiende. Volgens
hunne gewoonte overdekten zy zyn graf met Palmboom-bladeren, en zy
plaatsten aldaar een gedeelte van hun eeten als eene offerhande. De
andere gevangen, genaamt SEPTEMBER, was gelukkiger. De Colonel,
hoopende, dat hy hem met het doen van eenige ontdekking behulpzaam
zyn mogte, behandelde en onthaalde hem met meerder onderscheiding,
dan hy immer voor eenigen zyner Officiers betoond had. SEPTEMBER had
nochtans het voorkomen van een vos, die in den strik gevangen is,
en des nachts sloot men hem in een magazyn op.
Des anderen daags kwam de heer STOELEMAN, Capitain der Militie,
in onze legerplaats aan, alwaar hy den dag moest doorbrengen: ik
nam deeze gelegenheid waar, om aan den Bevelhebber te herïnneren,
het geen hy my omtrent de gesprekken van deezen Officier gezegd had,
en verzogt hem zulks in zyne tegenwoordigheid te herhaalen; maar de
Colonel stelde alles op rekening van den Majoor RUGHCOP, die overleden
was, en verzogt my over die zaak niet meer te spreken: ik verliet hem
oogenblikkelyk. Myne vooronderstelde tegenpartye weder ontmoetende,
drukte ik hem de hand, en verhaalde hem het voorgevallene. Zyne
verwondering was ongemeen; vervolgens vertrok hy, in minder dan twee
uuren van Jerusalem, en wierd gevolgd door alle de Neger-Jagers,
die ons nog overig waaren.
Den 29sten, wierd de Capitain DE BORGNES tot Majoor aangesteld, maar
'er geschiedden geene andere bevorderingen. De Colonel verklaarde,
dat hy niemand in staat kende om Officier te zyn: dit konde waar zyn
met opzigt tot de Sergeants; maar wy hadden onder ons twee braave
jongelingen van goeden huize, die als vrywilligers dienden, en die de
vermoeienissen en gevaaren van deezen veldtocht hadden doorgestaan;
men liet hen zonder eenige belooning: zoo gaat het, als men geene
voorspraaken en middelen heeft.