Nicolaus Chrypffs, naar zijn geboorteplaats Kues Cusanus geheeten,
ontving zijn opvoeding in 't Fraterhuis te Deventer, studeerde te
Padua en werd later kardinaal. Hij biedt een interessant beeld van
den uitgang der M.E. Toch zijn er in hem ook nieuwere elementen,
b.v. zijn bestrijding van het bijgeloof, dat aan heksen hecht.
Zijn belangstelling voor theologische vraagstukken de vele mystieke
elementen in zijne leer plaatsen hem in de Middeleeuwen. Tot
den nieuwen tijd behoort zijn liefde voor natuur- en wiskundige
wetenschappen. Groot is zijne bewondering voor Plato en Plotinus en
in zijn leer zijn dan ook zekere pantheïstische elementen; voor hem
valt alles samen in God; Hij omvat alles en is met geen praedicaat
te bepalen.
Twee dingen zijn het vooral, die Cusanus voor ons merkwaardig maken.
a. Zijn beschouwing der aarde. Hij plaatst haar niet langer in het
middelpunt: de oneindige wereld kon geen middelpunt geven. Maar
waar Cusanus het geocentrisch systeem bestrijdt, stelt hij er geen
heliocentrisch stelsel voor in de plaats.
b. Merkwaardig is zijn boek: de docta ignorantia (letterlijk: over de
geleerde onwetendheid.) Al ons weten is eigenlijk maar vermoeden. De
geheele, volle waarheid valt ons nooit ten deel.
Maar zooals een veelhoek steeds meer den cirkel naderen kan, zoo kan
vermoeden steeds meer tot weten komen. Het bewustzijn, dat onze kennis
ontoereikend is, mag ons niet ontmoedigen: het is een aansporing,
om te onderzoeken.
In Duitschland hebben sommigen in Cusanus den vader der nieuwere
wijsbegeerte willen zien. Misschien is het sterke Duitsche
nationaliteitsgevoel hieraan niet vreemd.
§ 34. Natuurfilosofen.
De natuur is de geheime liefde der Renaissance geweest. Wordt
de taalwetenschap druk beoefend in de laatste helft der 15de en
't begin der 16de eeuw en kampen in Italië aanhangers van Plato
en Aristoteles--in de 16de eeuw treffen we een groot aantal
natuurfilosofen aan.
Bij scherpzinnige gedachten voegen ze veel fantasterij; naast
gezonde, vruchtbare beginselen, staan allerlei speculaties,
gespeend aan de vruchtbare bron van natuurkennis: ervaring en
feitenonderzoek. Opmerkelijk, hoewel niet bevreemdend, is dat sommige
dezer denkers ook in hun uiterlijk leven een zekere overeenkomst
met hun leer vertoonen; zooals hun leer fantastisch is, zoo is hun
leven avontuurlijk.
Velen trekken van land tot land, doceeren op verschillende plaatsen,
wat door een gemeenschappelijke taal, het Latijn, vergemakkelijkt werd.