DE RENAISSANCE.

§ 33. Inleidende Opmerkingen.

De Middeleeuwen waren niet geheel zonder doorgaande ontwikkeling

geweest. De aanraking der drie groote monotheïstische religies in de

kruistochten, de groeiende bekendheid met de oudheid waren merkwaardige

factoren voor den vooruitgang.

Geleidelijk--geleidelijker misschien dan men zich zoo algemeen

voorstelt--gaan de Middeleeuwen in den nieuwen tijd over. Door eenige

groote feiten is die overgang mee veroorzaakt.

De uitvinding en steeds verdere toepassing van het buskruit

verminderden de gevechtswaarde van den enkeling: den dapperen,

geoefenden ridder, en deden de waarde dalen van zijn burcht als

verdedigingsplaats. Zoo kwam er een verandering in de maatschappelijke

verhoudingen, die ook zeer gewijzigd werd door de groote zeereizen:

de ontdekking en voortgaande verovering van Amerika, het vinden van

den zeeweg naar Indië opende den handel nieuwe wegen. Meteen had er

eene groote verruiming van gezichtskring plaats.

De uitvinding der boekdrukkunst maakte sneller verbreiding van kennis

mogelijk. Het opnieuw bestudeeren van de klassieken deed het geestelijk

leven stijgen. Dante (bladz. 185) had reeds teruggewezen op vroegere

tijden; het Romeinsch keizerschap was zijn ideaal, Vergilius [57]

zijn dichter geweest. Maar aan die liefde voor de oudheid had hij

gepaard belangstelling in het heden. Hij schiep zijn taal.

Petrarca († 1324) en Boccaccio (1313-1375) waren in dezelfde richting

werkzaam geweest.

In 395 was het groote Romeinsche rijk verdeeld. Het westelijk gedeelte

bezweek in 476 voor de invallen der van alle zijden opdringende

stammen. Het Oostersch keizerrijk met Byzantium--Konstantinopel--tot

hoofdstad bleef, onder al zijn felle burger- en godsdiensttwisten en

bij toenemend inwendig verval, iets van de antieke traditie bewaren. In

de 15de eeuw komen Byzantijnsche geleerden naar Italië (1430 Gaza;

1438 Georgios Gemistos). Ze brengen den Italianen grooter kennis

der oudheid.

En als in 1453 Constantinopel bezwijkt voor de aanvallen der Turken,

wijken meerderen uit naar Italië.

Hier ontstaat de herleving der klassieken, de Renaissance in engeren

zin. Deze beperking voegen we er aan toe. Immers de geheele geestelijke

beweging van pl. m. 1450-1600 of 1650 pleegt men ook Renaissance te

noemen en deze is veel meer dan een terugkeer tot- en bestudeering

van de oudheid.

Individualiteit.

Dat zij in Italië ontstaan was, behoeft niet te verwonderen. Niet

alleen de sterke belangstelling voor de oudheid, is haar oorzaak.

Er waren ook andere invloeden. Zij bewerkten, dat het individu los

werd van de boeien der M.E. Eenerzijds was er een sterk nationaal

gevoel, anderzijds waren er vele steden en staatjes in voortdurenden

strijd, waarbij de steden weer in partijen verdeeld waren: zoo werd

het individu minder kuddedier, zoo kon het meer gelegenheid krijgen,

zijn eigen plaats te zoeken in den strijd. Het individu kon zich

naar buiten uitleven. Daarnaast kwamen persoonlijkheden, die, al het

gehaspel moede, zich uit de wereld terugtrokken en in de stilte hun

persoonlijkheid naar binnen cultiveerden.

Zoo zijn dit de eerste kenmerken der overgangsperiode: Terugkeer naar

de oudheid; cultus der persoonlijkheid. En meer dan terugkeer naar 't

oude geeft ze vernieuwing en verjonging te zien; nadat eeuwen lang de

mensch lid en onderdaan is geweest van een geestelijke en wereldlijke

gemeenschap, wordt hij nu een zelfstandige persoonlijkheid: dit is

de ontdekking van den mensch.

De mensch, die zich voelen gaat, rukt aan zijne ketens: kerk,

scholastiek, Aristoteles. Gehoorzaam zoon der kerk blijven velen, maar

Aristoteles moet het ontgelden. Vrij van diens leiband, kan het jonge

denken echter zelf nog niet alleen loopen, het zoekt naar een anderen

steun, en vindt dien in onderscheidene Grieksche systemen; bij Plato,

zooals die gekend werd door de Neo-Platonici, vooral. Maar deze reactie

tegen Aristoteles wekt eene actie vóór hem. Zijn aanhangers willen hem

verdedigen (niet alleen geestelijk, maar soms werden bij de groote

disputen de vormen van A. met de vuisten verdedigd tegen de ideeën

van P.). Ze zijn genoodzaakt de puntjes op de i te zetten, en zich

klaar uit te drukken over A's bedoeling. Zoo komen er verschillende

opvattingen, die samenhangen met het onderscheid tusschen de afwijkende

teksten van A. en de zoo wijd uiteenloopende commentaren daarop.

Zoo is dan het begin, de tijd van 1450-1550, vol van strijd tusschen

de aanhangers van Aristoteles en Plato en zien we vertalingen van en

toelichtingen op hun werken verschijnen.

Toch was het nieuwe leven te krachtig, dan dat het vrede kon houden

bij den enkelen terugkeer naar het oude.

Op 't gebied der natuurfilosofie, van de staatsleer, van den godsdienst

streeft men naar nieuwe systemen.

Toch komen nog niet de groote wijsgeerige systemen. Maar voor de

moderne natuurkundige wetenschap worden de grondslagen versterkt en

de methoden aangegeven.

Dan, als de band van het oude gebroken is, de jeugdige kracht zich

een weinig heeft uitgeraasd, en het feitenmateriaal belangrijk

is vermeerderd, komen de groote denkers. Met Descartes mag men

de geschiedenis der nieuwere wijsbegeerte laten aanvangen na de

Renaissance.

De overgangstijd is vol van namen. Ons bestek zou niet dan de

korte opsomming hiervan gedoogen. Liever bepalen we ons dus tot de

vermelding van enkelen, die meer beteekenis hebben en die we als

vertegenwoordigers van hun tijd kunnen beschouwen.

Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2 · 第 44 / 105 题