SLOTSOM.

Het Grieksche denken begon, in tegenstelling met de mythe, zich los

te maken van de oude godsdienstige voorstellingen. Het vroeg naar

den oorsprong der natuur. Scheiding van mensch en natuur, van geest

en stof was er niet. De mensch was een deel der natuur, de stof zelf

bezield.--Het eerste probleem was: van waar zijn en worden?

De Ionische natuurfilosofen zochten achter de verandering de

oerstof. De Eleaten brachten het tot het begrip van het Eeuwig Zijnde,

niet te kennen, niet te aanschouwen. Alle kennis der verschijnselen

was doxa.

Daartegenover staat Heraclitus met zijn negatie, zijn "alles stroomt":

er is alleen worden, geen zijn of blijven.

Tusschen deze twee uitersten nu krijgen we pogingen tot

verbinding. Anaxagoras door aan te nemen, dat er even veel oerstoffen

zijn als er kwaliteiten bestaan: zijn en worden is er niet, slechts

verbinding en scheiding van stoffen. Empedocles door als zijnde vier

elementen aan te nemen, waaruit de wereld opgebouwd wordt. Democritus

stelt de atomentheorie op.

Zoo was men zich op 't gebied der natuur bewust geworden van de

tegenstelling tusschen zijn en worden, van de noodzakelijkheid ze

met elkaar in verbinding te brengen.

Men had reeds de grondslagen gelegd van bijzondere wetenschappen

(sterrenkunde, natuur- en scheikunde) en gedachten uitgesproken,

die nog als leidende beginselen zijn aan te zien.

Maar ook op 't gebied van de theorie der kennis was men zich bewust

geworden van een zekere tegenstelling; de Eleaten hadden volkomen

betrouwbaarheid toegekend aan de rede alleen, Anaxagoras verklaarde

de zinnen volkomen betrouwbaar.

Toen kwam de wending.

Niet meer de natuur, de mensch is middelpunt van het denken. Taal,

geschiedenis, ethiek nemen hun plaats. Wat is goed voor den mensch,

wordt gevraagd.

Deze wending dreigde uit te loopen op scepticisme, was niet Socrates

gekomen, die het geloof herstelde in de vindbaarheid der waarheid.

Nu komt zijn leerling Plato en bouwt een grootsch geheel op. Hij

vindt de immateriëele wereld der ideeën. Zwak is echter zijn poging,

de ideeën met de ons omringende verschijningswereld te verbinden.

Wat Plato niet gelukte, zal Aristoteles trachten te volbrengen door

zijn leer der ontwikkeling: de vorm ontwikkelt zich in de stof en

verwezenlijkt zich in het ding.

Aristoteles vat al 't Grieksche weten samen in één groot systeem. Hij

sticht een nieuwe wetenschap, de logica, legt grondslagen voor

andere wetenschappen en leert de wetenschap wetenschappelijk te

behandelen. Bij hem vinden we het zuiver monotheïstisch godsbegrip,

de immateriëele godheid vloeit samen met de geestelijke: de scheiding

van physisch en psychisch, stoffelijk en geestelijk, is voltooid.

Eene nieuwe wending treedt in. De wijsbegeerte verbreedt zich, strekt

zich uit over alle beschaafde en Helleensche landen, later over

't Romeinsche rijk.

Twee ethische scholen ontstaan en stellen machtige principes op:

de Stoïcijnen en Epicuristen.

Het Grieksche denken schijnt dood te loopen in scepticisme en

eklecticisme.

Maar nog eenmaal vlamt het op: de religie vervult de gemoederen;

na Philo Judaeus komt Plotinus, maar niet voor het volk is zijn

leer. Het Grieksche denken loopt naar het einde. Het Christendom zal

nu de wereld beheerschen.

Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2 · 第 30 / 105 题