DE HELLEENSCH-ROMEINSCHE WIJSBEGEERTE.

§ 23. Inleidende opmerkingen.

We schetsten in enkele omtrekken de Grieksche geschiedenis, en zagen,

hoe na 404 Athene's grootheid vervallen was en nooit weer opkwam. Dit

was eveneens zoo met geheel Griekenland. De slag bij Chaeronea,

waar Filippus van Macedonië in 338 de Grieken overwon, had de

republikeinsche vrijheid ten onder gebracht. In naam bondgenooten,

waren de Grieksche steden in werkelijkheid onderdanig aan Macedonië

geworden. Onderdanig waren ze ook geweest aan den Macedoonschen koning

Alexander, die in zijn regeeringsjaren (336-323) snel een wereldrijk

stichtte door 't geheele Perzische rijk, Egypte, Syrië, Klein-Azië,

Babylonië te veroveren en tot den Indus door te dringen. Maar dit

staatkundig onderworpen zijn aan Alexander maakte hun beschaving tot

heerscheres der wereld. Alexander had een hoog ideaal: zijn uitgestrekt

rijk wilde hij tot een eenheid maken, door beide, Oostersche en

Grieksche cultuur gelijkelijk tot hun recht te laten komen, en daaruit

een nieuwe beschaving te doen ontstaan. Doch de Grieksche cultuur,

als de sterkere en hoogere, overwon: Alexander's poging kwam neer

op verbreiding der Grieksche beschaving. Stichting van steden met

Grieksche bevolking, gelijkheid in munt, bevordering van handel en

verkeer, omgang tusschen de verschillende volkeren, 't waren allemaal

factoren, die meewerkten tot verbreiding van Grieksche kunst en kennis.

Zelf ontving die kennis ook weer zekeren invloed van Alexander's

tochten: onbekende verschijnselen (b.v. eb en vloed niet in de

Middellandsche zee bekend) werden waargenomen, andere natuur werd

gezien, afwijkende zeden en gebruiken aangetroffen, nieuwe planten

en dieren leerde men kennen. Toch heeft al dat nieuwe niet machtig

gewerkt. Gevolg van Alexander's tochten en de stichting van zijn

wereldrijk is niet geweest een groote vooruitgang van Grieksche

wijsbegeerte. Aristoteles heeft ongetwijfeld iets te danken gehad

aan 't Oosten, maar verreweg 't meest aan zijn voorgangers in

Griekenland. Met hem eindigt de echt-Grieksche wijsbegeerte.

Na deze komt de Helleensch-Romeinsche: de filosofie niet meer van

Griekenland, nog veel minder van de wijzen in Athene, maar van al

de beschaafde landen der oudheid, waar Grieksche beschaving ingang

had gevonden.

Dit waren dus niet alleen Griekenland, Zuid-Italië, Klein-Azië,

Cyprus en kleinere eilanden, Macedonië; dit was ook Egypte, waar

Alexander's stichting Alexandrië een middelpunt werd van wetenschap.

Het wereldrijk van Alexander stortte na zijn dood in elkaar. Een

aantal staten en staatjes hadden zich gevormd na een gewirwar van

groote en kleine oorlogen, maar de Helleensche beschaving bleef

gemeenschappelijk goed van vele dier deelen.

Een nieuw wereldrijk begon ± 200 op te komen. In Italië lag een

boerenstaatje: Rome. Het had eerst wat gevochten met naburige staatjes,

had ze overwonnen. Het had oorlogen gevoerd met de stammen van

midden-Italië, had naar 't noorden zijn gebied uitgebreid, had ± 275 de

Grieksche steden in Zuid-Italië onderworpen. Toen had het zich verder

opgewerkt tot wereldmacht en was op de groote mogendheid gestooten, die

het westelijk bekken der Middellandsche Zee beheerschte: Carthago. In

drie oorlogen (tot 146) was dit ten slotte vernietigd. Tezelfdertijd

had het ook naar 't Oosten zijn macht verbreid: het had Macedonië

schatplichtig gemaakt en geannexeerd; Griekenland eerst in schijn

zijn vrijheid gelaten: maar de Grieken der 2de eeuw konden die nog

minder gebruiken dan die der vierde: Griekenland werd ook ingelijfd;

Klein-Azië verging het eveneens, Syrië zag zich bedreigd.

Terwijl zoo deze staat zijn macht uitbreidde over de wereld, onderwierp

het zichzelf aan de Hellenen. Rome was oorspronkelijk een boerenstaat,

zonder manieren, zonder gevoel voor kunst, met geringe fantasie.

Maar nu kwam er rijkdom. De veroverde provinciën werden

uitgezogen. Slaven waren goedkoop te krijgen om het land te bebouwen of

de kudden te hoeden. De "ridders," de equites van het oude Romeinsche

rijk, dreven groote bankierszaken.

Zoo ging, met uitbreiding van rijkdom en groeiende weelde, ook de

behoefte gepaard aan meer kennis, beschaving en uiterlijke vorming, dan

het oude Rome kon geven. Waar anders dan bij de Helleensche beschaving

was die te zoeken? Rijke jongelui gingen naar de rhetorenscholen,

later haalde men de rhetorica in Rome. Grieksche kunst werd gezocht en

gekocht. De voorname Romeinen schreven Grieksch. Een oorspronkelijk

Romeinsche letterkunde ontstond eigenlijk niet. Ook wat in 't Latijn

verscheen, had in 't Grieksch zijn modellen en voorbeelden.

Nu was Rome nog betrekkelijk frisch en jong en het eigende zich

die beschaving eenerzijds langzaam toe, met zekere voorzichtigheid;

anderzijds niet, zonder er een eigen stempel op te drukken.

Rome werd ouder en grooter.

De opeenhooping van proletariaat in de hoofdstad, de verdrijving

van den boeren-middenstand, die geen geld meer kon maken van zijne

producten, daar ze uit de provincie kwamen en òf goedkoop òf gratis

werden uitgedeeld, die niet kon concurreeren met de slaven-bezittende

grootgrondbezitters--hadden de Romeinsche revoluties doen ontstaan

onder de Gracchen (133-122).

In een hevige, lange worsteling had de democratie gestreden met de

aristocratie: het einde was geweest de militaire opperheerschappij van

Caesar en Augustus. Voor Rome was dit keizerrijk de vrede. Oorlogen

werden slechts gevoerd aan de grenzen. Het keizerschap zelf wijdde zijn

zorgen aan de provincie en onder zijn bestuur kwam in het uitgestrekte

Romeinsche gebied stoffelijke vooruitgang en geestelijke bloei.

Doch ook dit keizerrijk wist niet meer nieuwe beschaving te geven. Zijn

cultuur is "niet anders dan de laatste en minst eigenaardige schakel

eener lange ontwikkeling. Ze is een cultuur, die partij trekt van

het beste, wat eeuwenlang gevonden is, maar die ternauwernood meer

bij machte is, zelf iets nieuws voort te brengen." (Van Gelder).

In dezen algemeenen toestand deelde de wijsbegeerte. Het was een

uitleggen van oudere systemen, een vernieuwen, een vermengen, een

voortzetten in enkele punten. Het volk zelf had zijn oud geloof en

zijn oude moraal verloren. De hoogere standen vonden bevrediging

of ook geen bevrediging in een of ander wijsgeerig stelsel, omlaag

gehaald dikwijls tot een leer voor het dagelijksch leven.

Allereerst werd gevraagd naar een levensleer. Niet de theoretische,

maar de practische filosofie stond op den voorgrond. De verschillende

stelsels trachtten een beeld van den wijze te ontwerpen, dat als

ideaal kon dienen.

In deze maatschappij leefde sterk de behoefte aan ontzondiging,

heiligmaking. Merkwaardig viel die samen met grove onzedelijkheid en

hoe veiler een deerne, hoe ijveriger ze somtijds was in den godsdienst.

Tot de komst van het Christendom schetsen we in groote trekken

het verdere verloop van het denken. Twee groote ethische stelsels,

dat der Stoïcijnen en dat der Epicuristen steken hoog uit boven het

omringende en als geweldig slotstuk van het Grieksche denken staat

een machtig godsdienstig systeem: het Neo-Platonisme.

§ 24a. De Stoa.

Een Semitisch koopman, Zeno (± 300) te Citium op Cyprus geboren, die,

in Athene gekomen, verschillende wijsgeeren gehoord had, grondvestte

in een, met muurschilderingen voorziene hal, in de "bonte gaanderij"

(stoa poikilê) een school, waarin vooral een strenge zedeleer

gehuldigd werd. Het derde schoolhoofd, Chrysippus (280-207) bracht

de leer tot een volledig systeem. Later gingen de scherpe kanten er

af. In het midden der 2de eeuw v. C. kwam ze door Panaetius (143) naar

Rome, vond daar veel aanhangers en kreeg meer en meer het karakter

van een religieus systeem. Seneca, Nero's bekende leermeester, (†

65 n. C), Epictetus (± 94), de schrijver van het onlangs ook nog in

Nederland vertaalde "Handboekje der moraal," en de edele keizer Marcus

Aurelius (120-180 n. C.), auteur der bekende "Zelfbespiegelingen"

(eis heauton), zijn de bekendste vertegenwoordigers van een richting

die, wetenschappelijk weinig beteekenend, door den karakteradel van

haar voorstanders den hoogsten bloei vertoont van nobele Romeinsche

zedeleer.

De wijsbegeerte omvatte voor de Stoïcijnen drie doelen: logica, physica

en ethica. Het voornaamste was hun de ethica, studie der andere deelen

was slechts noodzakelijk voor de ethiek, was als middel iets waard. De

zedeleer was de dooier van het ei, waarvan de physica het wit, logica

de schaal was; of met een ander beeld: de vrucht, terwijl de physica

de grond, logica de omheining van den tuin was. Deze drie deelen

hangen niet innig samen. Ze passen wel goed bij elkaar, maar niet

noodwendig vloeit 't een uit 't andere voort. Uit tal van elementen

van andere stelsels hebben de Stoïcijnen een goed en ordelijk geheel

samengesteld, dat bij meerdere ontleding evenwel verraadt, dat het

gemaakt is en samengevoegd, niet als één geheel gegroeid.

Logica.

Aristoteles' onderzoekingen hebben zij voortgezet en ook werkelijk iets

verder gevoerd, tegelijk echter er een dood vormensysteem van gemaakt.

In de theorie der kennis huldigen ze 't sensualisme: onze

gewaarwordingen geven afdrukken in de (stoffelijk gedachte) ziel als

in een onbeschreven wastafel, of bewerkten er, zooals elders gezegd

wordt, verandering. Uit de verschillende waarnemingen ontstonden

sommige begrippen of wij vormden ze.

De zoo van zelf ontstane begrippen ontstaan bij elk mensch: ze zijn

aldus aan elk gemeen. Andere vormen we ons door nadenken en bezinning.

De aan alle menschen gemeen zijnde begrippen (notiones communes)

ontstaan in ons met en door onze waarneming. Ze zijn voor zeker en

waar te houden. De overeenstemming bij de menschen (consensus gentium)

is dan ook een bewijs voor verschillende dingen.

Zoo is b.v. het aanwezig zijn van een Godsbegrip bij alle menschen

voor de Stoa het bewijs van het bestaan Gods.

Later heeft Cicero aangenomen, dat wij ze reeds vóór de waarneming,

vóór de geboorte bezaten, ze meebrachten in het leven. Zoo ontstond

de leer der aangeboren begrippen, die zulk een belangrijke rol in

het denken spelen zou en later zoo energiek bestreden werd door

Locke. (§ 46).

Bij 't begrip kan geen sprake zijn van waar of onwaar; maar eerst bij

't oordeel. Zeg ik: Socrates is een mensch, dan is dit een oordeel,

niet door de samenvoeging der begrippen, maar door eene verrichting

van mijn bewustzijn, dat die verbinding toestemt of ontkent. De

voorstellingen en hunne verbindingen ontstaan buiten mijn wil,

het oordeelen is een bewuste beslissing van mij zelf. Eerst als ik

overtuigd ben van de waarheid in de voorstellingsverbinding vervat,

eerst dan bestaat een oordeel.

Hoe weten we nu, of zoo'n combinatie van voorstellingen waarheid

bevat? Wat is het kenmerk der waarheid?

De onmiddellijke verzekerdheid van den wijze, die deel heeft aan het

wereldvernuft is de grond voor de waarheid.

Physica en metaphysica.

De Stoïcijnen vatten de oerstof weer op: als zoodanig geldt het vuur

van Heraclitus, dat zich weer in de andere elementen omzet. Met den

denker van Ephese erkennen ze dan ook de strenge wettelijkheid van al

't wereldgebeuren.

De geheele wereld is doorstroomd "bezield" met de godheid, die ook

stoffelijk gedacht wordt: het pneuma [39]. De godheid is oorzaak van

al 't gebeuren, alles loopt af naar haar beschikking. De Stoïcijnen

hebben ontkend, dat er een tweestrijd zou bestaan tusschen causaliteit

en voorzienigheid. Wel had de godheid, de logos (de rede, naam voor

het pneuma ook gebruikt), alles vastgesteld, maar de ontwikkeling

geschiedde volgens vaste wetten [40]. Aan elke gebeurtenis lag een

vorige ten grondslag, die haar volle oorzaak was.

De Stoïcijnen hebben streng vastgehouden aan de causaliteit. Waar

Aristoteles nog zich richtte op 't algemeene, of het vele, daar hebben

zij vastgehouden dat ook het toevallige, het bijzondere, het enkele

onderworpen was aan strenge wetten en bepaalde oorzaken had.

In hun causale natuuropvatting stemmen de Stoïcijnen dus overeen

met Democritus. Maar ze missen zijn atomisme; dat er geen

qualiteitsverschillen zijn, nemen ze niet aan. De qualiteiten

bestaan voor hen ook weer als stoffelijke dingen, als lichamen

en lichaampjes. Ze denken zich met Democritus de ziel stoffelijk;

bestaat bij deze de ziel uit een bijzonder soort atomen (de fijnste,

gladde, ronde), bij hen bestaat ze uit een bijzondere stof: het

pneüm, een deel, een uitvloeisel van het wereldpneuma en daardoor

heeft de mensch deel aan de godheid. De ziel is onsterfelijk, tot de

groote wereldbrand ontstaat. Ze nemen met Heraclitus een periodiek

verschijnen en verdwijnen aan; een ontstaan uit en een opgaan in de

oerstof. Volgens sommigen Stoïci blijft alleen de ziel der wijzen

zoolang bestaan.

Zooals de godheid de wereld beweegt en vervult zoo beweegt de ziel

het lichaam en vervult het.

Daar ze de godheid als den grond der wereld aanzien, en de wereld als

causale verwezenlijking van zijn wil, is hun wereldbeschouwing dus

teleologisch: ze beschouwen de wereld en den mensch als doelmatig

georganiseerd en bewijzen dat, tot in 't kleine en belachelijke

afdalend. (Muizen b.v. zijn nuttig, omdat ze ons op ons bezit acht

leeren geven).

Theologie.

Tot dusver hadden de denkers zich afgewend van de volksreligie:

Xenophanes had de vermenschelijking der goden gegeeseld, bij Anaxagoras

en Socrates vinden we nadering tot het monotheïsme. Protagoras was

van asebie beschuldigd, Plato's hoogste idee staat tegenover de

dagelijksche verschijnselen, Aristoteles stelt den eenen God op,

die zichzelf beschouwt, de Cynici hadden de goden geloochend.

Bij de Stoïcijnen ontmoeten we een poging om het oude volksgeloof,

het polytheïsme in hun systeem op te nemen en een geloofsleer te geven.

Naast den eenen God erkennen ze tal van anderen--pneuma's, uitvloeisels

van het pneuma, ieder een deel bezielende en bewegende. Zoo

zijn de sterren goden, enz. Ze duidden het volksgeloof om tot

hun opvatting. Demeter, godin van den landbouw werd het pneuma

van de velden, enz. Ja, ze gingen zoover dat ze de waarzeggerij en

vogelwichelarij in hun systeem erkenden. Daar alles streng oorzakelijk

samenhing in de wereld, kon er best fijner verband bestaan tusschen

dingen, die schijnbaar niets met elkaar te maken hadden, en kon men

van 't eene tot 't andere concludeeren.

De erkenning van vele goden en de waarde toegekend aan de waarzegging,

maakt hun leer niet ongeschikt voor de Romeinen, wier staat zooveel

hechtte aan de goden en wier staatsaangelegenheden nooit zonder

ritueel en wichelarij volbracht werden.

Theodicee.

De Stoïcijnen hebben voor 't groote raadsel gestaan, hoe het kwaad,

het zedelijke kwaad en de ellenden van het leven, in overeenstemming

zijn te brengen met de doelmatigheid. Bij hen ontmoeten we de eerste

pogingen eener theodicee.

Theodicee's zijn al oud. Het is bekend, dat velen in 't boek Job

er een willen zien en onlangs heeft men een Babylonische theodicee

ontdekt. In den jongeren tijd vindt men nog een van Leibniz. (§ 44).

Hoe verklaren nu de Stoïci het leed?

Allereerst ontkennen ze het physieke leed. Dood, lichamelijk lijden,

armoede, dat alles is geen leed voor den wijze. Voor hem is het hoogste

de deugd, en wat daarbuiten ligt is hem onverschillig. Leed, kwaad kan

't alleen worden door onze toestemming.

Zeer dikwijls komt ziekte ook door verkeerd gebruik. Men zou hier

hun meening kunnen weergeven door Coornhert's vers:

Der dinghen recht gebruyck brengt vroolickheit en baet,

Maar 't misbruik geeft niet dan schade met schuldigen pijne.

Wijst men erop, dat het den booze soms zooveel beter gaat dan

den goede, dan zegt de Stoïcijn: het geluk van den booze is het

schijngeluk, niet het ware, want het is de deugd niet. Het ongeluk

der goeden is geen ongeluk, want het is de ondeugd niet.

Maar kon men zoo de ellenden, het stoffelijk kwaad omduiden of

wegredeneeren, de Stoïcijnen, die zoo roerend konden klagen over de

verdorvenheid van 't menschelijk geslacht, konden moeilijk de zedelijke

slechtheid wegpraten. Ze stelden zich er dan ook mee tevreden, in

algemeene wendingen een antwoord te geven op de vraag. Vooral betoonden

ze daarbij, dat het goede alleen bestaan kan, indien zijn tegendeel,

het kwade, aanwezig is: was er geen zonde, zoo was er ook geen deugd.

Misschien zou ook een dieper inzicht in de wereld leeren, dat de

Voorzienigheid het booze slechts als middel had gebruikt, dat,

schijnbaar weerstrevend, tòch het goede verwezenlijken moest.

Ethiek.

De kern van de Stoïsche leer ligt in haar ethiek; hier hebben

ze ook met groote kracht gewerkt en het hoogste zedelijke ideaal

van alle Helleensche scholen bereikt. En met dat ideaal hebben ze

ernst gemaakt. De deugd is niet alleen het hoogste goed (summum

bonum), het is ook het eenigst goed. Deugd zelf was te bereiken door

overeenkomstig de natuur te leven (natura convenienter vivere.) Hun

begrip natuur was echter een heel ander dan dat der Cynici, voor

wie natuur de tegenstelling tot beschaving was. De tegenstelling

die de oudheid maakte tusschen de natuur als 't geheel der dingen

en de specifiek menschelijke natuur kende de Stoa niet. De mensch

is een deel der natuur, ook in hem werkt iets van het albezielende

pneuma. De natuur wordt geregeerd door een goddelijke rede, die ook

in den mensch leeft. Leven overeenkomstig de natuur is dus, leven

overeenkomstig ons diepste wezen, d. i. als redelijk, maatschappelijk,

naastenlievend mensch.

Deze stelling nu bewezen ze niet. Ze is voor hen klaarblijkelijk.--Ze

gaan uit van het natuurlijk plichtbesef, dat in ieder leeft: ze voeren

het beginsel van den plicht in.

Tegenover de Cynici kenden ze noch aan andere dingen waarde toe, noch

ontkenden ze de waarde van andere dingen. Ziekte of gezondheid, dood

of leven, kracht of zwakte, rijkdom of armoe zijn onverschillig. De

Cynici kenden rijkdom en beschaving als rampen, Aristoteles als middel,

noodig om tot een beschouwend, wetenschappelijk leven te komen. Zij

achtten ze niet begeerenswaard; zoo men ze bezat niet te verwerpen. Het

leven was onverschillig: kon men met zijn leven geen goed meer doen,

dan was zelfmoord ook geoorloofd.

De deugd mag dan ook nooit gezocht worden om de bevrediging die ze

geeft: deze kan er hoogstens het gevolg van zijn, en de wijze zal

dan het genot, dat hij vindt, niet verlengen.

De deugd is één. Vier kardinaaldeugden kennen ze dus niet. Zoo ze die

vier bekende deugden aannemen, dan zijn deze eenvoudig verschillende

uitingen der ééne deugd.

Ook bij hen staat het inzicht bovenaan. Vooral moet men oppassen voor

de gemoedsberoeringen (perturbationes animi), de emotie, zouden wij

zeggen. Deze hebben steeds de tendentie, ons verstand te benevelen,

ons oordeel minder helder te maken. De Stoïci zijn dus door en door

verstandsmenschen.

De deugd is één. Men bezit haar of bezit haar niet. De Stoïcijnsche

leer doet eenigszins denken aan de oude romans, waarin de engelen

des lichts strijden tegen de duivelen der duisternisse. Men is

deugdzaam--een wijze--, of niet-deugdzaam--een dwaze--. Als men

naar Rome wil en er niet komt, dan doet het er voor 't bereiken van

't doel niets toe, of men er 1000 mijlen of één mijl van verwijderd

blijft. Zoo ook met de deugd.

Daarbij letten ze op de gezindheid, niet op de handeling. Een handeling

kon wel volkomen in den haak zijn, zonder goede gezindheid. Iemand

kan b.v. (om een modern voorbeeld te nemen) zijne betrekking met

stiptheid en volkomen eerlijkheid vervullen, omdat hij begrijpt, dat

het hem anders zijn betrekking zou kunnen kosten. Hij doet dan een

betamende handeling. Maar het motief is niet zedelijk plichtbesef,

doch eigenbelang.

Hiertegenover staat de echt deugdzame, die handelt uit inzicht en

zedelijken wil. Dit alleen is zedelijk goed.

Deze onderscheiding is van veel belang. Kant heeft haar later geteekend

in de uitdrukkingen: legaal en moraal. Legaal is het overeenkomende met

de wet, de betamende handeling, moraal het zedelijk inzicht. Herbart

heeft met zijn scherpen paedagogischen blik deze onderscheiding

toegepast in de opvoedkunde, waarbij hij de zedelijke opvoeding

liet bestaan in regeering en tucht; waar het doel van de eerste is,

den discipel te brengen tot legaal, betamend handelen, wil de tweede

hem tot zedelijke gezindheid brengen. Deze belangrijke onderscheiding

doet zich ook nu nog dikwijls voor. B. v. in de leer der samenleving

kan men vragen, of de staat te rekenen heeft met de handeling of de

gezindheid zijner burgers, een nog niet beslist probleem.

In den staat zagen de Stoïcijnen niets. Ze achtten de vriendschap wel

als gemeenzaamheid van redelijke menschen, en komen tot de gemeenschap

van alle menschen; ze zijn de eerste cosmopolieten, wereldburgers,

en hechten weinig aan de idee Staat. In het Romeinsche keizerrijk

was hun ideaal ten deele verwezenlijkt.

Het is duidelijk, dat hun leer practisch groote gevaren moest

meebrengen. Ze kon aanleiding geven tot pessimisme; als alle

gradatie aan de deugd ontzegd werd, was het voor bijna niemand

mogelijk, deugdzaam te worden. Paedagogisch werkte deze leer niet. Een

vooruitkomen werd zoo goed als onmogelijk. Al kwam iemand nog zoo veel

vooruit, maar bereikte hij de deugd niet, dan bleef hij een dwaze. Zoo

kon een hoog, streng zedelijk ideaal in de practijk immoreel werken.

Reeds met Chrysippus begon de verflauwing der grenzen. De tegenstelling

tusschen wijze en dwaze werd verzacht door het invoeren van den

strevende, die, de deugd nog niet bereikt hebbende, er naar streefde

een wijze te worden.

De onverschillige goederen werden ingedeeld in echt-onverschillige,

te verkiezen en te verwerpen goederen. Streng hebben alle Stoïci zich

hieraan niet gehouden en hun verhouding ten opzichte van deze kwestie

is niet altijd gelijk.

De tijd vroeg vooral van de wijsbegeerte: teeken ons den mensch,

zooals hij zijn moet. En verschillende scholen hebben getracht een

beeld van den wijze te ontwerpen, een ideaal-wijze te teekenen.

De wijze der Stoïcijnen bewaart onder alle omstandigheden des levens

zijn gemoedsrust. Hij matigt zijn hartstochten niet, maar overheerscht

ze volmaaktelijk. Hij bezit dus de Stoïsche apathie. Niet door het

leed of de vreugde, die hij misschien nog wel gevoelt, laat hij

zich leiden, maar door wat zijn zuivere rede hem voorschrijft. Hij

vergist zich niet, hij verwondert zich niet, hij veronderstelt niet,

hij weet. Daar hij zich steeds door redelijke overwegingen laat leiden,

is hij consequent.

Medelijden is hem vreemd; toch zal hij wel helpen. Zijn practisch

leven is niet uit te beelden. Als armste zal men hem kunnen vinden,

ook als vorst op den troon. Voor zijn levensonderhoud zal hij zorgen,

tenzij hoogere plichten hem dit onmogelijk maken. Als privaat persoon

kan hij gelukkig zijn, maar werkzaamheid in den staat behoeft hij

niet te schuwen.

De wijze is de ware koning, de ware wijze de ware gelukkige. Want hij

heeft 't eenige, dat iets beteekent in de wereld: de deugd. Rustig

schrijdt hij voort door 't leven, niet geplaagd door berouw over

't verleden, waarin hij redelijk handelde, niet verontrust door de

toekomst, die hem de deugd niet rooven kan.

"Aan de Stoïcijnsche ethica komt de roem toe, dat in haar het rijpste

en hoogste, wat het zedelijk leven der oudheid voortgebracht heeft,

het best geformuleerd is: de waarde der zedelijke persoonlijkheid;

de overwinning der wereld in de zelfoverwinning van den mensch;

de onderwerping van den enkeling aan de wereldwet; zijn inlijving

in een ideaal verband van geesten, waardoor hij verre verheven

werd boven de grenzen van zijn aardsche leven; daarbij een energiek

plichtsgevoel, dat hem krachtdadig een plaats deed vervullen in het

werkelijk leven--het zijn alle kenmerken van een wereldbeschouwing,

die een der zegenrijkste en meest grootsche is in de geschiedenis

der menschelijke overtuigingen."

§ 24b. De Epicuristen.

Sluiten de Stoïcijnen met hun leer van de deugd als eenig en hoogste

goed aan bij de Cynici, aan de Cyrenaïci met hun verheffen van den

lust als eenig princiep toonen zich de Epicuristen verwant.

Hun school werd gesticht door Epicurus (341-270), die als zoon

van een Atheensch burger te Samos geboren werd. Hij had weinig

onderricht gehad, was een autodidact, waarmee zijn geringe liefde

voor de wetenschap schijnt samen te hangen. Hij heeft enorm veel

geschreven, maar dit is grootendeels verloren gegaan. In het leerdicht

van Lucretius Carus (96-55) vinden we een schoone, dichterlijke

behandeling der Epicurische leer.

Die leer is veel meer een gesloten geheel geweest dan de

Stoïcijnsche. Ze was meer geschikt voor 't practische leven, eischte

dus minder omvorming. De weinige belangstelling voor theoretische

wetenschap was geen prikkel tot verder onderzoek. Vele mannen van

beteekenis, die zich zelfstandig met de leer konden bezighouden,

hebben niet tot haar behoord.

Epicurus heeft zijn leer min of meer in "formules" gebracht, en die er

"ingestampt," zoodat er een zeker houvast was voor zijn jongeren.

In de physica zijn de Epicuristen aanhangers van het atomisme. Het

is wel een treurig lot geweest voor het stelsel van den grooten

Abderiet, dat het zoo energiek werd voorgestaan door een zoo weinig

wetenschappelijke richting, waardoor het bij anderen in discrediet

geraakte. In de leer zelf brachten ze een bedenkelijke wijziging

aan, door eene uitzondering op de strenge causaliteit toe te staan:

ten einde te verklaren hoe de atomen tot groote complexen waren

samengegroeid, had Democritus een ongelijke valsnelheid aangenomen,

een stooten van de zwaardere atomen op de lichtere; zij namen nu aan,

dat, buiten oorzaak, een atoom was afgeweken van zijn rechtlijnige

beweging en er zoo een wervel was ontstaan.

Voor 't overige maakten ze weinig ernst met de verklaring der

natuurverschijnselen. Als ze maar aangewezen hebben, dat er eene

natuurlijke verklaring is, zijn ze tevreden. Dan is de mensch van

vrees verlost.

Want daartoe is de natuurkennis vooral: tot verlossing van vrees. Of

dus de maansverduisteringen moeten worden verklaard uit een tijdelijk

uitgebluscht worden van het maanlicht of uit de schaduw, door de

aarde op haar geworpen, dit is tamelijk onverschillig. Men behoeft

niet bevreesd te zijn.

Nog minder dan met de natuurkennis hebben de Epicuristen zich met de

logica bezig gehouden en hier eigenlijk niets nieuws gepresteerd. We

kunnen dit dus overslaan om ons te wenden tot hun zedeleer.

Ze verklaren evenals de Cyrenaïci den lust tot moraal-principe. Maar

deze zijn de jeugdige Grieken, die den beker des levens in één teug

willen ledigen; de Epicuristen hebben de bedachtzaamheid van ouderen

leeftijd en drinken met kleine, fijne teugen. Niet dus de zinnelijke

lust is het voornaamste. Hij is kort, zijn nasmaak dikwijls wrang. Veel

schooner is de geestelijke lust.

Voor den wijzen Epicurist heerscht dan het ideaal van vredige

gemoedsrust (ataraxie). Zorgen moet men zich niet op den hals

halen. Het is beter niet te trouwen en zich ook niet met staatszaken in

te laten: groote verantwoordelijkheid geeft zorg en belemmert den lust.

In vriendschap, oorspronkelijk op egoïsme zich steunend, maar zich

verruimend tot waarachtige genegenheid, ziet de Epicurist veel

geluk. In den tuin, waarin de school stond, werd de vriendschap

druk "beoefend," tot het zoetelijk wederzijdsch bewonderen en tot

sentimentaliteit toe.

De goederen dezer aarde kunnen op drieërlei wijze genoten

worden. Weinige had men absoluut noodig om te leven: brood en

water. Vele had men noodig om gelukkig te zijn, maar niet om te leven,

b.v. mingenot. Andere waren eenvoudig tot bevrediging van ingebeelde

behoeften. Deze waren het gemakkelijkst te ontberen.

Uit het hier gezegde volgt, dat de Epicuristen niet de grove zinnelijke

genieters zijn, die men er later van gemaakt heeft. 't Zijn aangename,

beschaafde, welwillende menschen geweest, die een aesthetisch leven,

een leven "in stijl" geleefd hebben. Epicurus zelf was een waardig

man en zijn zwijnskudde bestaat slechts in de verbeelding van hen,

die hem niet kenden. Hun deugd was als bij de Stoïcijnen geen doel,

slechts middel tot persoonlijk geluk.

Het is te begrijpen, dat ze voor den staat weinig gevoeld hebben. Ze

zagen in hem slechts een middel, waardoor de menschen zich wederzijdsch

bestaan verzekerden.

De goden werkten niet in op de aarde. Ze dachten in de ruimten

tusschen de verschillende werelden (intermundiën) de goden die daar

een zalig-schoon leven leidden; ze stelden ze zich voor als een

hoog gezelschap van Epicuristische wijzen. Maar het was beneden de

gelukzalige goden, om zich met de miserabele aarde te bemoeien.

Epicurus vereerde hen dus niet, omdat ze macht hadden, maar als de

volkomen wijzen. Eigenlijk heeft hij daarmee (misschien is dit ook zijn

bedoeling) het zedelijk-aesthetisch ideaal van zichzelf vereerd. Zich

naar het uiterlijk aan de vormen van den volksgodsdienst te houden,

ontmoette bij hem geen bezwaar.

§ 25. De scepsis. Het eklecticisme.

We hebben gezien, hoe het de beteekenis van Socrates was, dat hij

een onderzoekmethode invoerde, en hoe na hem Plato en Aristoteles

groote systemen hebben opgebouwd. In het Epicurisme en de Stoa hebben

we twee, minder beteekenende, maar toch gewichtige, moraalsystemen

ontmoet. Afsluiting vindt het Grieksche denken in een zeer eigenaardig

religieus systeem: het Neo-Platonisme. Voor we daar echter toe

overgaan, moeten we kortelings op een paar verschijnselen wijzen,

die zoo omstreeks 300 v. C. opkomen en voortduren tot ver over het

begin van onze jaartelling.

Allereerst dan het scepticisme. Een gunstige beteekenis heeft

dit woord, als het wil zeggen, dat we niets zonder onderzoek,

nauwgezette waarneming en toetsing der verkregen uitkomsten moeten

aannemen. In zooverre moet ieder wetenschappelijk mensch een scepticus

zijn. Gewoonlijk wordt het echter in ongunstigen zin gebruikt,

en verstaat men onder scepticisme eene richting, die niet gelooft

waarheid, zekere kennis te kunnen bereiken. De scepsis als zoodanig

is dan consequent doorgevoerd de dood voor de wetenschap. Toch heeft

ze een enorme beteekenis. Ze is wel eens het voorportaal der kennis

genoemd. De scepsis toch wijst altijd weer op de moeilijkheden in

het verkrijgen van onze kennis, tegenstrijdigheden worden door haar

aangetoond. Daardoor dwingt ze eenerzijds tot nadenken over den

aard van onze kennis en is in haar eene machtige prikkel gegeven

tot studie der kennistheorie; anderzijds spoort ze anderen aan tot

verder onderzoek om de door de scepsis aangewezen tegenstrijdigheden

te verklaren.

Maar ook voor den scepticus zelf is zijn scepticisme niet zelden

de doorgang naar nieuwe kennis. Voor de practijk is natuurlijk de

scepticus onhoudbaar. Van kennis der buitenwereld doet hij afstand;

over verleden noch toekomst spreekt hij zich meer uit. Het eenige, wat

hem blijft, zijn zijne oogenblikkelijke bewustzijnstoestanden. Hieruit

wil hij nu geraken. Hij begeert weer een vaste basis, hij tracht

weer naar wetenschap. Die bouwt hij dan niet zelden veel vrijer

van veroordeelen op; hij heeft alles laten varen van vroegere

overtuigingen en meeningen. We zullen later een dergelijk proces

bij Descartes opmerken. En geldt dit proces voor enkele personen,

dikwijls geldt het voor een tijdvak: na eene sceptische richting komt

er eene andere, die weer opbouwt. Na de plotselinge aanvlieging van

't scepticisme is Socrates gekomen.

Is dus in 't algemeen scepticisme soms een verblijdend, een goede

toekomst voorspellend teeken, dit is het niet voor ons bijzonder

geval. Nu is het de richting, die zich begeert terug te trekken uit de

politieke beroeringen van haar tijd en onverschillig wordt voor alle

problemen van waarheid en moraal, hoogstens nog eenige belangstelling

behoudend voor de vraag: hoe worden we gelukkig?

De sceptici vormen niet een bepaalde school. Sommige schijnen geen

schoolverband gekend te hebben, andere waren in de academie. Als

eerste scepticus wordt genoemd Pyrrho uit Elis, ± 350 v. C. Dan

zijn leerling Timon 315-226. Met Arcesilaus en Carneades († 219

v. C.) vormde het de nieuwe academie, daarna vinden we het bij een

aantal artsen, waaronder Sextus Empiricus (180-210 n. C.).

Pyrrho zou drie vragen hebben gesteld:

1o. Hoe zijn de dingen, wat kunnen wij van ze weten?

Antwoord: Niets. De waarneming geeft slechts schijn.

2o. Hoe moeten we ons tegenover de dingen verhouden?

Antwoord: We moeten geen oordeel uitspreken, het eene is niet

zekerder dan 't andere, van elke uitspraak laat zich 't tegengestelde

beweren. Onze gedragslijn is dus de onthouding van een oordeel

(epochê).

3o. Welk nut vloeit daaruit voor ons voort?

Antwoord: De ataraxie, de zielerust.

Eigenaardig is het, dat Stoïci, Epicuristen en Sceptici ten slotte in

de gemoedsrust, in den innerlijken vrede, die, hoe dan ook verkregen,

niet gestoord wordt door de buitenwereld, het laatste en hoogste zien.

Voor 't overige acht Pyrrho op zedelijk gebied 't eene noch beter

noch slechter dan 't andere. Voor 't uiterlijk hield men zich dus maar

aan heerschende gewoonte. De sceptici zijn in den regel conservatief,

niet uit overtuiging, maar uit gebrek aan overtuiging.

Voor het dagelijksch leven moet men maar de ingeving van 't oogenblik

volgen. Zoo vertelt een der vele anecdoten van Pyrrho, dat hij voor

een bijtenden hond in een boom klom, zeggende: den mensch kan de

filosoof nooit geheel afleggen.

Latere sceptici hebben vooral veel werk gemaakt van het bestrijden

hunner tegenstanders. Carneades b.v. hield zich zoo uitsluitend bezig

met polemiek tegen het derde schoolhoofd der Stoa, Chrysippus, dat

hij zei: Als Chrysippus er niet geweest was, zou ik er niet zijn.

Carneades heeft, evenals latere Romeinsche sceptici, ook vele gevallen

van zinsbedrog aangewezen (b.v. de schijnbare diepte in een schilderij,

het gebroken zijn van riemen in 't water). Hij wees ook op de

subjectiviteit van onze kennis (de een vindt warm, wat een ander koud

vindt); op de wijzigende invloeden bij 't waarnemen (afstand brengt

verandering; gemoedstoestand bepaalt onze gewaarwordingen). Dit alles

moest dienen, om aan te toonen dat er geen kennis was te verkrijgen.

Eklecticisme.

Er bestonden ± 300 v. C. vier scholen: De academie door Plato gesticht;

de peripatetische van Aristoteles; de Stoa van Zeno; de Epicurische van

Epicurus. Oorspronkelijk hadden ze fellen strijd gevoerd. Langzamerhand

echter openbaarde zich een neiging tot verzoening, vermenging,

vereeniging. In 't algemeen zal een tijdperk, dat zelf geen sterke

en diep-gevestigde overtuigingen heeft, graag in alles het goede

waardeeren en de spreuk toepassen: Ik neem mijn goed, waar ik het vind.

Terwijl nu de scholen en hun uiterlijk verband gescheiden bleven,

naderde hun leer zich op vele punten en kwamen er menschen, die

niet meer tot een bepaalde richting behoorden, maar van alles iets

genomen hadden.

Het eklecticisme treedt op. Zoo nam de Stoa zeer veel in zich op van

de Platonische en Aristotelische leer, de Academie de Stoïcijnsche

elementen.

Speciaal vertoonde zich dit eklecticisme bij de Romeinen. Cicero

(106-43), de beroemde redenaar, heeft, zonder zelf groote

wijsgeerige verdienste te bezitten, in zijn helder, mooi Latijn de

voornaamste punten der Grieksche wijsbegeerte aan zijn landgenooten

geleerd. Daardoor kwam de Grieksche wijsbegeerte in 't Romeinsche

wereldrijk en daardoor ook was haar verder voortleven verzekerd.

Doordat Cicero in 't Latijn schreef, werden alle wijsgeerige

begrippen onder Latijnsche namen bekend. Hiervan zagen we reeds

enkele voorbeelden.

§ 26. Het Neo-Platonisme.

We merkten op, dat in het Romeinsche rijk zich hoe langer hoe meer

tegen het einde der Oude Geschiedenis de behoefte deed gevoelen aan

een religie, en hoe bij de lagere volksklassen vooral die behoefte

voldoening vond in allerlei extatische en mystische godsdienstvormen.

Plotinus (205-270) een der grootste denkers van den laat-klassieken

tijd, heeft getracht, die behoefte te bevredigen door zijn

wijsgeerig-godsdienstig systeem, dat aansloot bij sommige elementen in

Plato's leer en daarom ook Neo-Platonisme heet, maar een zelfstandig

stelsel vormt.

Plotinus werd in Egypte geboren en studeerde in zijn jeugd te

Alexandrië. Dit was, zooals we reeds zagen, een middelpunt van

geestelijk leven. In de eerste eeuw na C. had hier Philo Judaeus (30

v. C.-± 40 n. C.) gewerkt, die getracht had Oosterschen godsdienst

met Helleensche wijsheid te vereenen. In het Jodendom was reeds vroeg

het monotheïsme opgekomen. Toen langzamerhand de Joden zich over de

wereld verbreidden, (na de vernietiging van Jeruzalem door Titus in 70

n. Chr. maar ook reeds lang vóór dien tijd) werden ook andere volkeren

bekend met hunne godsdienstige ideeën. Omgekeerd raakten de Israëlieten

vertrouwd met de Helleensche beschaving. Zoo ontstonden pogingen, beide

te vereenigen en Philo Judaeus is een zeer merkwaardig voorbeeld van

een godsdienstig denker uit een Joodsch-Helleensch-Oostersch milieu

als in Alexandrië kon bestaan.

Hier kon nu ook Plotinus voedsel vinden voor zijn zucht naar kennis;

't meest schijnt hij geleerd te hebben van den filosoof-zakkendrager

(Ammonius). Betwijfeld mag echter worden, of zijn leer een uitwerking

is van die van zijn meester.

Plotinus erkent de godheid als het Eenige, het Eerste en het

Hoogste. Ze is zoo hoog en allesomvattend, dat we haar niet met

woorden kunnen noemen. Ten opzichte van Plotinus' God kunnen Vondel's

woorden gelden "Of faalt het aan begrip en stem." Men mag Hem het

praedicaat denken niet toekennen, maar nog veel minder het begrip

"niet-denken." [41]

Uit dit Eene nu gaat alles voort, zonder dat dit zelf iets

vermindert. Als beeld hiervoor gebruikt Philo de zon, die, zonder zelf

warmte en licht te verliezen toch haar licht uitstraalt en meedeelt aan

de aarde. Al het zijnde is eene uitstraling, een emanatie van het Eene.

Zooals nu, naarmate men verder van het licht afkomt, het duisterder

wordt en het ten slotte volkomen donker is, zoo wordt de wereld,

naarmate ze verder van de Godheid afstaat, onvolkomener: ten slotte

is de laatste uitstraling van de Godheid de stof, de materie.

Tusschen het Eene en de materie liggen nu verschillende trappen: de

geest--de ziel. De geest gelijkt op het Eene, maar is er geen volkomen

afbeelding van, de ziel weer op den geest maar ook minderwaardig.

In dit beginsel lag de mogelijkheid, om nòg meer tusschentrappen

aan te nemen, wat later ook gebeurd is door jongere Neo-Platonici,

die b.v. de demonen invoerden.

De stof, de materie is het waarachtig niet-zijnde, het booze, en

Plotinus' theodicee bestaat hierin dat hij het kwaad niet als iets

werkelijk bestaands erkent, maar het is de stof, het niet-zijnde.

De verhouding, die in de wereld heerscht, vindt haar evenbeeld in

den mensch. De menschelijke geest heeft ook onder zich de ziel,

die verstrikt is geraakt in de netten der zinnelijkheid. Het is het

beginsel der Plotinische ethiek, dat men moet trachten, om zoo, los

van de banden der zinnelijkheid, op te stijgen tot de zuivere kennis.

Hierin is een trek van 't Platonisme onmiskenbaar. Plotinus was een

te groote geest, dan dat hij die losmaking zou zoeken in allerlei

kleingeestige of speciale voorschriften, het kwam op eene algemeene

stemming aan. Dat hij ernst maakte met zijn leer moge blijken uit

wat zijn levensbeschrijver Porphyrius vertelt: hij scheen het bijna

als een schande te beschouwen, dat zijn ziel in zijn lichaam zat,

wilde niet over zijn afkomst of geboorte spreken en weigerde beslist

een beeld van zich te laten vervaardigen: het beeld van het lichaam

moest niet langer voortleven.

Door denken kan de mensch wel een klein eindje komen, maar langs den

gewonen weg kan de godheid toch niet gekend worden. Hiertoe wijst

Plotinus nu een anderen weg aan: we moeten trachten te komen tot

onmiddellijke aanschouwing der Godheid. De ziel heft zich hiertoe

op in een toestand van geestvervoering (extasis). Deze toestand

valt slechts zelden enkelen ten deel. Rustend, onbewogen aanschouwt

de mensch dan de Godheid. Wie eenmaal dezen toestand gekend heeft,

zal er niet van kunnen spreken, noch het begeeren of durven ondernemen.

Een voorbereiding voor dezen toestand kan zijn het deelnemen aan den

cultusvorm, maar noodig is deze niet.

Latere Neo-Platonici hebben in den uiterlijken vormendienst het

voornaamste gezien en deze veel meer op den voorgrond gesteld [42].

Plotinus is nog te veel Helleen van beschaving, om niet ook

de schoonheid een belangrijke rol toe te kennen en het gedeelte

zijner geschriften, dat over het schoone handelt, wordt als een der

uitnemendste deelen van zijn werk beschouwd.

Hij stelt een gansch ander schoonheidsbegrip dan het vroegere

Grieksche; terwijl dit in de stof en haar vormen, in de harmonie,

de regelmatige gelijkheid (symmetrie) een hoofdkenmerk zag van het

schoone, ziet Plotinus dat hierin, dat in alle stof en in alle vormen

iets van het Eene is uitgestraald. Niet het stoffelijk schoone, maar

het geestelijk schoone is voor hem beslissend. Niet de uiterlijke

vorm, maar de aanwezigheid van de Idee in de dingen en het kennen

daarvan maakt het ons schoon.

Hierdoor schiep Plotinus een geheel nieuw beginsel der aesthetica,

dat zeer invloedrijk werd.

Tegenover den staat verhoudt Plotinus zich vrij onverschillig. Naar

het gerucht wil, zou hij van een Romeinsch keizer de gelegenheid

verkregen hebben, om een stad te stichten in den geest van Plato's

republiek. Dat zou echter een staat worden, welke het alleen mogelijk

zou maken een leven te leiden, gewijd aan beschouwing en betrachting,

en aflegging der zinnelijkheid: een Helleensch klooster.

Gewoonlijk noemt men het Neo-Platonisme van Plotinus het

Egyptische. Daarna volgde de Syrische richting, die zich vrij wel

verloor in allerlei gewaagde speculatie's en mystische dweperij. Haar

typische vertegenwoordiger is Jamblichus (uit Syrië afkomstig),

die grooten invloed had op keizer Julianus den afvallige.

Met Proclus (412-485), die te Athene werkte, kwam de Grieksche

richting. Proclus was een geweldig systematicus, allerlei godsdienst,

mysterie, goden trachtte hij in zijn systeem op te nemen.

Het Neo-Platonisme of liever Plotinus wordt zeer verschillend

beoordeeld. Lange (Geschichte des Materialismus) spreekt van "de

ver afdwalende Neo-platonische Systemen" en van "de dweepzieke

Neoplatonici."

Hij ziet er niets anders in dan eene richting, waarbij de Grieksche

geest zijn eigen beginsel ontrouw is geworden en tot een jammerlijke,

totaal onwetenschappelijke dweperij is vervallen, een afwijking van

't gezond verstand.

Gunstiger oordeelen Windelband en Eucken. In zijn "Levensbeschouwingen

der groote denkers" kent Eucken het Neo-Platonisme zeer veel waarde

toe. Voor hem is Plotinus "een denker van den eersten rang." Zijn

leer heeft op velen invloed geoefend "als een werkelijk oorspronkelijk

denker blijft hij ook nu een bron van groote denkbeelden en vruchtbare

opwekkingen."

Deze ongelijkheid in oordeelen berust zeker mee op verschil in

inzicht van de taak der filosofie: Is ze een wetenschap die als

elke andere van ervaring moet uitgaan en zoo streng mogelijk langs

logisch-wetenschappelijken weg tot haar conclusies komen: dan is

voor haar Plotinus--bij wien veel in de ruimte vervaagt, met zijn

opheffing van 't zuivere denken, die zoo dikwijls aanleiding gaf

tot allerlei bijgeloof, door zijn "dwaasheden"--niet een der eerste

denkers, en schittert slechts flauw een straal van 't Grieksche licht

uit zijn werken.

Maar let men ook op wat iemand presteert in zijne levensbeschouwing,

voor het vervullen van de gemoedsbehoeften van den mensch, op den

invloed op 't nageslacht, op 't intuïtieve denken, dan komt Plotinus

in een ander licht. Hij wilde 't Griekendom bewaren en doodde het; hij

wilde 't Christendom bestrijden en diende het. Op zijn eigen tijd kon

Plotinus geen invloed uitoefenen. Zijn leer was een geleerde religie,

het Christendom was beter geschikt dien te voldoen.

Met het opkomen van het Christendom komt het einde der Grieksche

filosofie. De Middeleeuwen beginnen.

Maar trachten we eerst in enkele hoofdlijnen ons de resultaten van

het Grieksche denken voor oogen te stellen.

Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2 · 第 29 / 105 题