De derde Miletische denker Anaximenes, sloeg den eersten weg in en
verklaarde de lucht als grondstof. Bij Anaximander vergeleken, is
dit een stap achteruit. Hij achtte uit de lucht door verdichting het
water ontstaan; daaruit kon hij dan weer, naar de wijze van Thales,
de andere stoffen laten voortkomen.
De beteekenis van Anaximenes ligt vooral hierin, dat hij zich
rekenschap zocht te geven van de wijze, waarop uit de lucht de andere
stoffen voortgekomen waren, en dit vond in eene andere ligging der
stofdeeltjes: een verdichting of verdunning.
Men rekent niet te ver te gaan, als men uit de brokstukken van zijn
geschriften besluit, dat hij reeds tot 't inzicht kwam, dat alle
stoffen in de drie aggregaatstoestanden [5] kunnen voorkomen, een
stelling, waartoe de natuurkundige wetenschap nog niet zoo lang
geleden gekomen is, en die zij ook meer op voldoende basis van
feiten heeft kunnen steunen, sedert ze methoden gevonden heeft om
ook die gassen, bij welke dat vroeger niet gelukt was, vloeibaar en
vast te maken. En omgekeerd leert de huidige natuurkunde zulke hooge
temperaturen voortbrengen, dat vele vaste lichamen tot gassen kunnen
vervluchtigd worden.
Het gemeenschappelijk kenmerk der drie Milesiërs is dus dit, dat
ze één stof als grond voor al het zijnde aannemen. Die stof heeft
in zich zelve beweging. Daarom heeten ze "levendmakers van stof,"
hun systeem hylozoïsme (Grieksch: hulê = stof).
We hebben dus gezien, hoe het eerste Grieksche denken getroffen werd
door de groote veranderlijkheid die ons de wereld biedt en hoe het
daarachter een bestaande oerstof zocht.
We zullen nog twee richtingen leeren kennen, waarvan de ééne het
meest getroffen is door de veranderlijkheid, de andere haar aandacht
het meest gevestigd heeft op 't zijnde en blijvende.
De man van de veranderlijkheid is Heraclitus. De denkers van het
zijnde zijn de Eleaten.
§ 3. Heraclitus van Ephese (± 536-470).
Leven en Karakter.
Heraclitus werd uit een koningsgeslacht te Ephese geboren. Later
verliet hij zijn stad en ging in de stilte peinzen. Hij is een
voorbeeld van den zich in stilte terugtrekkenden aristocraat. Groot
was zijne menschen-verachting. Voor niemand bijna heeft hij een woord
van lof of waardeering; smaad en hoon voor velen. De dichters moesten
met roeden gegeeseld en met zweepen verjaagd worden. Het volk is
schaamteloos in zijn mysteriën, het vult zijn buik als 't vee.
Zijn boeken zijn onduidelijk geschreven. Hij wordt reeds in de oudheid
"de duistere" genoemd en Aristoteles klaagt over zijn moeilijk te
ontwarren zinsbouw. Zelf acht hij dit geen nadeel. De aristocraat
van geboorte en van gezindheid schrijft niet voor de massa, maar voor
enkelen slechts.
Hartstochtelijk van karakter, rijk aan fantasie en gevoel, is hij niet
geschikt voor kalm, inductief denken, maar is hij een speculatief
filosoof van 't echte ras. (Vergelijk deel II over de speculatieve
filosofie). Vruchtbare elementen, die tot op dezen tijd nawerken,
zijn in zijn leer aan te treffen.
Panta rei.
Het meest wordt de aandacht van Heraclitus getrokken door de
wisseling der verschijnselen. Hij ziet niets blijvends in de wereld,
een voortdurend zijn is er niet, alles wordt. Gaarne drukt hij dit uit
in het beeld van den stroom, wiens water een volgend oogenblik op een
bepaalde plaats al weer anders is dan het oogenblik te voren. Vandaar
zijn spreuk: panta rei, alles stroomt.
Het beeld nu van deze wisseling vindt Heraclitus in het vuur: we
zien het, maar de vlam is nooit dezelfde. In zekeren zin neemt hij
dus het vuur als oerstof aan, maar vat dit toch veel anders op dan
de Milesiërs hun oerstof.
Uit de oerstof komt alles; tot de oerstof vloeit alles terug; ook
de werelden die er zijn. Zoo komt Heraclitus tot de aanneming van
een wereldbrand: de wereld gaat tot het oervuur terug, en komt daar
na verloop van tijd weer uit te voorschijn, bestaat weer, gaat weer
terug, enz.
Andere Stellingen.
Drie belangrijke stellingen van Heraclitus moeten nog
vermeld. Hij had inzicht in de relativiteit, de betrekkelijkheid
der eigenschappen. Zeewater, den visschen heilzaam, is den mensch
verderfelijk. Wat in 't algemeen goed is voor A, kan slecht zijn voor
B. Absoluut goed of kwaad kan men niets noemen.
Hetzelfde ding kan dus tegelijk goed en kwaad zijn. In een ding kunnen
twee tegengestelde eigenschappen tegelijk bestaan. Heraclitus leert de
coëxistentie van tegenstellingen. Gaarne drukt hij dat in schijnbaar
tegenstrijdigheden bevattende zinnen, in paradoxen, uit: De stroom
waarin ik daal, is niet dezelfde als die, waaruit ik opstijg en het
is wel dezelfde.
Een andere paradox van Heraclitus is deze: de krijg is de vader
van alle dingen. Jongere vondsten, die het vervolg behelsden van
het fragment, waarin hij dit zei, toonen aan, dat hij hier een
letterlijke beteekenis aan 't woord heeft gehecht. Daarbij heeft
hij een inzicht, dat eenigszins herinnert aan Darwin's strijd om
het bestaan en het overleven van de meest geschikte. De oorlog
toch heeft de tegenwoordige toestanden geschapen: de sterken hebben
gezegevierd, de zwakken verloren en met hun nageslacht zijn ze slaven
en onderworpenen geworden.
Intusschen is deze uitdrukking ook symbolisch en bedoelt hij er mee
het voortdurend te niet gaan van het eene, waardoor zich weer iets
anders ontwikkelt.
Causaliteit.
De grootste gedachte van Heraclitus is echter deze, dat hij is gekomen
tot het aannemen van een zonder uitzondering heerschende, alles
omvattende causaliteit. Het is een keerpunt in de ontwikkeling van
het menschelijk geslacht, dat het heerschen der causaliteit verkondigd
wordt. "Ging de zon van den regel afwijken, dan zouden de beschermers
van 't recht, de Erinyen, haar navliegen.--Wie verstandig wil spreken,
moet zich gronden op dat, wat allen gemeen is." Deze en dergelijke
uitspraken toonen, hoe streng Heraclitus het causaliteitsbeginsel
erkende.
Ethiek.
Het systeem van Heraclitus is reeds vollediger dan dat der Milesiërs
en het bevat ook aanduidingen voor de ethiek. Als opperste taak van
het verstand beschouwt Heraclitus het kennen van de Wet, volgens welke
de wereld loopt, van de wereldrede, die voor hem soms samenvalt met
het oervuur. De opperste wet voor 't handelen is dan zich buigen
voor die wet, eigenzinnigheid is 't kwade. Slechts zoolang duren
menschelijke inrichtingen, als ze in overeenstemming zijn met de
goddelijke wet. Maar is aan die voorwaarde voldaan, dan moet die wet
ook stipt gehoorzaamd worden.
Invloed.
Lang na Heraclitus leefden er menschen, die zich Heracliteeërs
noemden. Ze waren een geminachte secte en schenen weinig oog gehad
te hebben voor de groote beginselen, neergelegd in Heraclitus'
systeem. Veeleer schenen ze allerlei minder belangrijke dingen als
't voornaamste beschouwd te hebben.--Zoo wordt van Cratylus verhaald,
dat hij zelfs niet sprak, daar de veranderlijkheid der dingen het
onmogelijk maakte een uitspraak te doen: hij bewoog slechts een vinger.
De invloed van Heraclitus echter is zeer groot geweest op vele
richtingen en menschen.
Zijn conservatieve en historische gezindheid, zijn strenge causaliteit
vooral vinden we terug bij de Stoïcijnen (bl. 134). In Heraclitus'
systeem, dat eischt een buigen voor de wereldwet, dus een berusten in
de gebeurtenissen van het leven, vinden we al de sporen van de leer
der latere Stoïcijnen. Marcus Aurelius, de Romeinsche keizer (bl. 135),
verkondigde als levensleer het berusten in wat het lot ons toedeelt.
In de 19de eeuw vertoont Hegel [6] met zijn leer van de eenheid van
tegendeelen groote overeenkomst met Heraclitus. Wat bij Heraclitus
gebeurde, geschiedde ook bij Hegel. Op Hegel's filosofie steunen zeer
radicale richtingen in de maatschappij: Lassalle [7] b.v. wordt tot
de linkerzijde der Hegelianen gerekend.
Zoo doet zich het merkwaardige feit voor, dat zeer revolutionaire
richtingen steun vinden in het systeem van den conservatieven
Heraclitus. Want niet alleen de strenge Stoïcijnen vonden
aanknoopingspunten bij hem, maar ook bij tegenovergestelde richtingen,
vindt men sporen van zijn invloed.
Hoe is dit te verklaren?
De kern van Heraclitus' leer is het besef van de veelzijdigheid
der dingen. Dit nu brengt mee een inzicht, dat naast het gif het
tegengif aanwezig is. In toestanden van ellende en verwarring kan het
de voorbereiding zien voor betere verhoudingen op allerlei gebied
en rustiger, geordender tijden. In zooverre zit er een element van
optimisme in.
Men moet buigen voor het staatsgezag, in zooverre het met goddelijk
vernuft overeenkomt. Maar als het dit niet doet, heeft het geen
autoriteit. En het is duidelijk, dat licht de vraag òf het dat doet,
ontkennend beantwoord wordt door diegenen, welke zich niet kunnen
verzoenen met heerschende regels.
Het Heraclitisme is historisch en conservatief. Het wijst in al 't
negatieve iets positiefs aan. Maar... het erkent geen vast bestaande,
geen definitieve afsluiting eener ontwikkeling. En in zooverre bevat
het elementen van revolutionairen aard.
§ 4. De Pythagoreeërs.
Pythagoras.
Op 't eiland Samos werd, waarschijnlijk ± 570, Pythagoras
geboren. Zeker bezocht hij Egypte, waarschijnlijk ook Babylon. Daarna
ging hij zich in Kroton vestigen, in beneden-Italië, en stichtte
daar een broederschap, die wel eenigszins te vergelijken is met de
latere geestelijke ridderorden. Er waren verschillende graden, voor
iederen graad was een afzonderlijk stel plichten, en daardoor kon de
broederschap ook in ruimer kring verbreiding vinden. Omstreeks 500
werd het gebouw, waarin zich de broederschap bevond, verbrand door de
tegenstanders. Of ook Pythagoras zijn dood in de vlammen vond, is niet
bekend. Vervolgingen, ten doode toe, volgden in andere plaatsen. Weldra
bestond de bond niet meer. Er waren alleen nog maar Pythagoreeërs.
Van Pythagoras zelf weten we zeer weinig. Stellig is hij een
buitengemeen begaafd man geweest, die vele qualiteiten in zich
vereenigde, welke men meestal niet in één mensch aantreft: aan grondige
wiskundige kennis en belangstelling in astronomie paarde hij een warm
ethisch gevoel, een rijke fantasie, een innigen godsdienstzin. Op
twee gebieden zijn de Pythagoreeërs dan ook werkzaam geweest: op dat
der wis- en sterrenkundige wetenschap, en op dat der religie en ethiek.
Wat nu door Pythagoras zelf, wat door zijn jongeren en navolgers
gevonden is, valt niet te zeggen. Zeer schoone, opgesierde en totaal
onbetrouwbare levensbeschrijvingen van Pythagoras zijn tot ons gekomen
uit de 3de eeuw n. Chr.
Met den geestelijken eigendom nam men het zoo nauw niet in de
oudheid. Men verleende graag een zekere eerwaardigheid aan zijn
uitspraken, door ze terug te voeren op een geleerde van vroeger
tijd. Vooral in de Pythagoreïsche school was dit sterk. Als de
meester iets beweerd had, dan was daarmee alles bewezen. "Autos epha"
(hij heeft het zelf gezegd) lag Pythagoras' jongeren in den mond
bestorven. Het is niet de eenige maal in de geschiedenis, dat de
jongeren zweren bij de woorden huns meesters.
We spreken dus van de Pythagoreeërs en gaan hunne denkbeelden na.
De getallentheorie.
Het is niet ongewoon, de meening aan te treffen dat gevoel en
gemoedsbehoeften altijd vijandig zijn aan het weten. Dit is ook
inderdaad dikwijls het geval. Menigeen omhelst een leer, omdat
die zijn gemoedsbehoeften bevredigen kan, weigert nieuwe inzichten
aan te nemen, omdat ze niet strooken met innerlijke begeerten of
wenschen. De geschiedenis van het wijsgeerig denken zal ons dan
ook telkens voorbeelden doen zien, hoe de tegenstand tegen bepaalde
systemen niet ontsproten is uit vijandschap tegen het systeem, omdat
het als niet-waar erkend werd, maar uit het besef, dat het inging
tegen lang-gekoesterde gevoelens, wier verlies pijnlijk zou zijn.
Daarom ziet men zelfs tot op onzen tijd wijsgeeren pogen, hun systeem
meer aannemelijk te maken, door het meer of min in overeenstemming
te brengen met een leer, die tot dusver 't gevoel bevredigde. Het
is echter zeer de vraag, of een dergelijk pogen steeds gepaard kan
gaan met die volkomen eerlijkheid en met die scherpheid van bepaling,
die absolute eischen zijn voor het filosofisch denken, en we hebben
trouwens geheel geen recht, van te voren aan te nemen, dat de wereld
is ingericht op bevrediging der behoeften van ons gemoed.
Deze opmerking gaat vooraf, omdat we nu een voorbeeld zullen
aantreffen, hoe wetenschappelijke ontdekkingen hun oorzaak vonden in
aesthetische en ethische behoeften. De Pythagoreeërs deden veel aan
muziek. Men spande nu een snaar op een klankbodem, wist die snaar
langer en korter te maken en ontdekte toen, dat er een verhouding
bestond tusschen de lengte van de snaar en de toonshoogte. Hoe langer
de snaar, hoe lager; hoe korter de snaar, hoe hooger de toon. Hiermee
was een der eerste ontdekkingen gedaan op 't gebied van de leer van
het geluid en een belangrijken stap gezet op 't gebied der physica.
Men zie echter goed in, dat er in deze ontdekking nog iets anders
school. Men kwam tot inzicht in de beteekenis van quantitatieve
verhoudingen. De huidige natuurkundige wetenschap tracht alles zoo
precies mogelijk in getallen uit te drukken. Ze is niet tevreden, met
te weten, dat een lichaam bij verwarming uitzet, maar wenscht ook te
kunnen zeggen: bij zooveel graden warmtevermeerdering zal die stof
precies zooveel uitzetten. En ook daarmee is ze niet tevreden. Ze
vraagt, wat die warmte eigenlijk is: waarom zet een lichaam uit als
't warmer wordt. Nu neemt de natuurkundige aan, dat een lichaam
uit allerkleinste deeltjes bestaat, die in voortdurende beweging
zijn. Warmer worden van een lichaam wil zeggen: vermeerdering
der snelheid, waarmee die deeltjes zich bewegen. De uitzetting is
teruggebracht tot een sneller bewegen der deeltjes en een vergrooten
van de afstanden, waarop die deeltjes zich van elkaar bevinden. Maar
die bewegingssnelheid en die afstanden kunnen berekend worden en
wiskundig geformuleerd. Zoo voert de natuurkundige de veranderingen
terug op verandering van meetbare grootheden en tracht alle gebeuren
vast te leggen in wiskundig geformuleerde stellingen. Het getal,
de quantitatieve bepaling is dus van overwegende beteekenis
voor de moderne wetenschap. En het is bekend, hoe niet alleen de
natuurwetenschappen zich van het getal bedienen, maar hoe men ook
maatschappelijke verschijnselen (b.v. de sterfte, de misdaad) in
statistieken brengt.
Van de enorme beteekenis van het getal voor de beoefening der
wetenschap, hebben de Pythagoreeërs een zoo diepen indruk gekregen
(al zagen ze natuurlijk niet al de aanwendingen der toekomst vooruit)
dat ze het getal verklaarden voor den grond van al 't zijnde, voor
't eenig wezenlijke.
Niet water, vuur, lucht, niet het oneindige, maar 't getal gold hun
als grondstof.
Nu hebben ze met hun levendige fantasie, daaraan allerlei wonderlijke,
mystieke gedachten geknoopt. Gold de eenheid hun als 't volmaakte,
de twee, die deelbaar was, was minder volmaakt. Drie = 1 + 1 + 1,
is een zeer volmaakt getal, het heeft begin, midden en einde.
Als ze eenmaal alles in het wezen als getal verklaard hadden, dan
konden ze niet nalaten, op hun standpunt ook geestelijke eigenschappen
voor getallen te verklaren. Want tot nu toe kennen de denkers nog niet
het onstoffelijke en abstracte. Zoo wordt gerechtigheid een kwadraat
getal, enz.
Hoe vreemd ons dit alles ook moge lijken, in die fantasterij zit
een kern van waarheid: de groote beteekenis van 't getal; en het
beduidt ook een voortschrijden van 't denken, wanneer men gaat inzien
dat men eerst dàn een verschijnsel goed kan begrijpen, als men de
getallenverhouding kent, waarin het zich voordoet. We zullen later
zien, hoe in het begin van den nieuwen tijd de groote sterrenkundige
Kepler dit heeft beseft.
Astronomie.
Groote verdiensten hebben de Pythagoreeërs voor de sterrenkunde.
Het is gewenscht, hier met een enkel woord te herinneren aan de
gegevens.
Aan onze oogen vertoont zich de aarde steeds als een plat vlak. Is
ons uitzicht niet beperkt, dan zien we dat platte vlak als een
cirkel. Daarover welft zich als een halve bol het hemelgewelf, waaraan
de zon zijn dagelijkschen loop voltrekt, nu eens hooger, dan lager aan
't hemelgewelf. De maan heeft eveneens haar dagelijksche beweging,
daarnaast haar maandelijksche schijngestalten. Sommige "sterren," de
planeten, zijn dan eens weer zichtbaar, dan weer niet. Andere zijn
altijd zichtbaar, als de Groote Beer, andere ook komen geregeld op
en gaan geregeld onder.
Ook den Grieken waren deze verschijnselen niet onbekend en ze
moesten naar verklaringen zoeken. Aanvankelijk waren die kinderlijk
en fantastisch-dichterlijk, maar we zagen reeds hoe Anaximander den
schijfvorm der aarde niet meer aannam.
Deze verschijnselen nu kunnen we thans, sedert Copernicus in 1543
zijn "Over de omwenteling der hemellichamen" uitgaf en allerlei
sterrenkundige waarnemingen zijn hypothese gestut hebben,
in een eenvoudig stelsel samenvatten en uit een gering aantal
veronderstellingen verklaren.
In het midden van ons zonnestelsel staat de zon. Daaromheen bewegen
zich, in ellipsvormige banen de planeten. Onze aarde is een dezer.
Haar as staat met een hoek van 66 1/2° op haar baan. In 24 uren wentelt
ze om haar as; vandaar de verschijnselen van dag en nacht. In een jaar
wentelt ze om de zon: oorzaak van de afwisseling der jaargetijden. De
duur van den omloopstijd der planeten hangt af van hun afstand van
de zon, bij sommige is die 88 dagen, bij andere vele jaren. De zon,
aarde en andere planeten staan dus op verschillende tijden in anderen
stand ten opzichte van elkaar: vandaar het dwalen, dat de planeten
aan den hemel schijnen te doen.
Toen Copernicus dit stelsel leerde, plaatste hij dus de aarde uit het
middelpunt. De Middeleeuwen hadden haar nl. op voetspoor van Ptolemaeus
in het middelpunt geplaatst, en om haar, in allerlei kunstige banen,
zon en planeten laten wentelen.
Het stelsel van Copernicus bracht een omwenteling in het denken. De
kerk aanvaardde het eerst niet. Galileï moest de aswenteling der
aarde loochenen. Giordano Bruno, ook om andere ketterijen vervolgd,
stierf in 1600 op den brandstapel. Cartesius durfde zich niet dan
voorzichtig en niet duidelijk zijne bedoeling verradend, over de
nieuwe leer uitlaten. [8]
Al deze strijd was ons gespaard gebleven en het denken wie weet hoeveel
verder, indien men voortgegaan was op het voetspoor der Pythagoreeërs.
Want dit staat vast:
De Pythagoreeërs hebben de hoofdtrekken van het Copernicaansche
stelsel geleerd.
Niet ineens kwamen ze er toe.
Den bolvorm der aarde namen ze reeds spoedig aan, 't zij op grond
van waarnemingen, 't zij omdat de bolvorm de volmaakste was en dit
het best in hun systeem paste.
Ze namen 10 hemelsferen aan; die der vaste sterren, die der zon, die
der 5 planeten, die der maan en die der aarde vormen 9. Tien was echter
een heilig getal en ze meenden dus, dat het aantal hemelsferen ook 10
moest zijn. Ze fantaseerden er dus een tiende bij: de tegenaarde. Later
echter, toen uitgebreide reizen hun wereldkennis hadden verruimd,
lieten ze die vallen.
De hemellichamen maakten bij hun beweging om één groot centraal vuur
geluiden, die samen klonken als de tonen van een octaaf. Dit noemt
men de harmonie der sferen. Dat wij ze niet hooren, verklaarden ze
op de volgende wijze, die getuigenis aflegt van hun psychologische
waarneming. Als een smid langen tijd op een aambeeld slaat, hoort
hij 't niet meer. Zoo ook hooren wij de harmonie niet meer. Ze
beroepen zich dus op het verschijnsel, dat in de huidige zielkunde
"het afvloeien" heet.
Met de tegenaarde liet men weldra het centraal vuur vallen. Ecphantes
leerde de aswenteling der aarde. Daarna liet men sommige planeten
om de zon bewegen. En ten slotte plaatste Aristarchus van Samos
(280 v. Chr.) de zon in 't middelpunt en liet aarde en planeten om
haar wentelen.
Ethica.
Langzamerhand verbond de Pythagoreïsche zedeleer zich eng met de
Orphische mystiek en in latere perioden is het niet gemakkelijk te
onderscheiden, wat nu speciaal van de Orphiek, wat van de Pythagoreeërs
kwam.
In 't middelpunt stond de leer der zielsverhuizing. Na den dood van
den mensch gaat de onsterfelijke ziel het lijf verlaten en vindt,
als ze niet genoeg gelouterd is, haar plaats in een of ander
dier. Ze verlaat dit weer voor een mensch en doorloopt zoo vele
stadiën, tot ze ten slotte gereinigd is en weer één kan worden met
de godheid. Hoewel oudere berichten zeggen dat Pythagoras de leer
der zielsverhuizing uit Egypte invoerde, valt dit te betwijfelen,
nu jongere Egyptische onderzoekingen ons doen zien, dat de leer der
zielsverhuizing bij de Grieken heel anders is geweest dan bij de
Egyptenaren. Meer overeenkomst vertoont ze met de leer der Hindoe's,
waaraan ze misschien, door bemiddeling der Perzen, ontleend kan zijn.
Met het geloof aan zielsverhuizing hangt vegetarisme samen. In de
oudheid vertelde men van Pythagoras de anecdote, dat hij eens gezegd
had: "Sla dien armen hond niet, de ziel van een vriend is in hem,
ik heb zijn stem in 't jammeren herkend."
De Pythagoreeërs leidden een ascetisch, onthoudend leven, vrij van
zingenot en wellust.
De leer der zielsverhuizing bracht een nieuw element in de Grieksche
waardeeringsoordeelen. Tot dusver had bij hen gegolden: het lichaam
meer dan de geest, het lichamelijk leven 't voornaamste.
Thans werd dit anders: de hoofdaandacht werd gevestigd op 't geestelijk
[9] leven.
Plato zou deze idee weer opnemen en met zijn groote genialiteit
en machtigen blik verder ontwikkelen; door hem ook heeft deze idee
onwankelbaar post gevat in 't Westersch denken, waaruit ze misschien
nimmer zal verdwijnen (bladz. 105).
Tegen 't einde der Grieksche wijsbegeerte leeren we de
Neo-Pythagoreeërs kennen, bij wie de religieuse vraagstukken op den
voorgrond staan. We zullen ze daar niet afzonderlijk behandelen,
omdat ze veel overeenkomst vertoonen met andere, meer belangrijke
richtingen, die we dan zullen ontmoeten.
§ 5a. De Eleaten.
De Eleaten vormen de richting, welke, in tegenstelling met Heraclitus
niet op het worden maar op het zijn haar aandacht vestigt. Gewoonlijk
laat men de school met Xenophanes beginnen, maar deze was meer een
godsdienstig reformator. Stichter der eigenlijke wijsgeerige school
is Parmenides.