ANAXIMENES ± 546.

De derde Miletische denker Anaximenes, sloeg den eersten weg in en

verklaarde de lucht als grondstof. Bij Anaximander vergeleken, is

dit een stap achteruit. Hij achtte uit de lucht door verdichting het

water ontstaan; daaruit kon hij dan weer, naar de wijze van Thales,

de andere stoffen laten voortkomen.

De beteekenis van Anaximenes ligt vooral hierin, dat hij zich

rekenschap zocht te geven van de wijze, waarop uit de lucht de andere

stoffen voortgekomen waren, en dit vond in eene andere ligging der

stofdeeltjes: een verdichting of verdunning.

Men rekent niet te ver te gaan, als men uit de brokstukken van zijn

geschriften besluit, dat hij reeds tot 't inzicht kwam, dat alle

stoffen in de drie aggregaatstoestanden [5] kunnen voorkomen, een

stelling, waartoe de natuurkundige wetenschap nog niet zoo lang

geleden gekomen is, en die zij ook meer op voldoende basis van

feiten heeft kunnen steunen, sedert ze methoden gevonden heeft om

ook die gassen, bij welke dat vroeger niet gelukt was, vloeibaar en

vast te maken. En omgekeerd leert de huidige natuurkunde zulke hooge

temperaturen voortbrengen, dat vele vaste lichamen tot gassen kunnen

vervluchtigd worden.

Het gemeenschappelijk kenmerk der drie Milesiërs is dus dit, dat

ze één stof als grond voor al het zijnde aannemen. Die stof heeft

in zich zelve beweging. Daarom heeten ze "levendmakers van stof,"

hun systeem hylozoïsme (Grieksch: hulê = stof).

We hebben dus gezien, hoe het eerste Grieksche denken getroffen werd

door de groote veranderlijkheid die ons de wereld biedt en hoe het

daarachter een bestaande oerstof zocht.

We zullen nog twee richtingen leeren kennen, waarvan de ééne het

meest getroffen is door de veranderlijkheid, de andere haar aandacht

het meest gevestigd heeft op 't zijnde en blijvende.

De man van de veranderlijkheid is Heraclitus. De denkers van het

zijnde zijn de Eleaten.

§ 3. Heraclitus van Ephese (± 536-470).

Leven en Karakter.

Heraclitus werd uit een koningsgeslacht te Ephese geboren. Later

verliet hij zijn stad en ging in de stilte peinzen. Hij is een

voorbeeld van den zich in stilte terugtrekkenden aristocraat. Groot

was zijne menschen-verachting. Voor niemand bijna heeft hij een woord

van lof of waardeering; smaad en hoon voor velen. De dichters moesten

met roeden gegeeseld en met zweepen verjaagd worden. Het volk is

schaamteloos in zijn mysteriën, het vult zijn buik als 't vee.

Zijn boeken zijn onduidelijk geschreven. Hij wordt reeds in de oudheid

"de duistere" genoemd en Aristoteles klaagt over zijn moeilijk te

ontwarren zinsbouw. Zelf acht hij dit geen nadeel. De aristocraat

van geboorte en van gezindheid schrijft niet voor de massa, maar voor

enkelen slechts.

Hartstochtelijk van karakter, rijk aan fantasie en gevoel, is hij niet

geschikt voor kalm, inductief denken, maar is hij een speculatief

filosoof van 't echte ras. (Vergelijk deel II over de speculatieve

filosofie). Vruchtbare elementen, die tot op dezen tijd nawerken,

zijn in zijn leer aan te treffen.

Panta rei.

Het meest wordt de aandacht van Heraclitus getrokken door de

wisseling der verschijnselen. Hij ziet niets blijvends in de wereld,

een voortdurend zijn is er niet, alles wordt. Gaarne drukt hij dit uit

in het beeld van den stroom, wiens water een volgend oogenblik op een

bepaalde plaats al weer anders is dan het oogenblik te voren. Vandaar

zijn spreuk: panta rei, alles stroomt.

Het beeld nu van deze wisseling vindt Heraclitus in het vuur: we

zien het, maar de vlam is nooit dezelfde. In zekeren zin neemt hij

dus het vuur als oerstof aan, maar vat dit toch veel anders op dan

de Milesiërs hun oerstof.

Uit de oerstof komt alles; tot de oerstof vloeit alles terug; ook

de werelden die er zijn. Zoo komt Heraclitus tot de aanneming van

een wereldbrand: de wereld gaat tot het oervuur terug, en komt daar

na verloop van tijd weer uit te voorschijn, bestaat weer, gaat weer

terug, enz.

Andere Stellingen.

Drie belangrijke stellingen van Heraclitus moeten nog

vermeld. Hij had inzicht in de relativiteit, de betrekkelijkheid

der eigenschappen. Zeewater, den visschen heilzaam, is den mensch

verderfelijk. Wat in 't algemeen goed is voor A, kan slecht zijn voor

B. Absoluut goed of kwaad kan men niets noemen.

Hetzelfde ding kan dus tegelijk goed en kwaad zijn. In een ding kunnen

twee tegengestelde eigenschappen tegelijk bestaan. Heraclitus leert de

coëxistentie van tegenstellingen. Gaarne drukt hij dat in schijnbaar

tegenstrijdigheden bevattende zinnen, in paradoxen, uit: De stroom

waarin ik daal, is niet dezelfde als die, waaruit ik opstijg en het

is wel dezelfde.

Een andere paradox van Heraclitus is deze: de krijg is de vader

van alle dingen. Jongere vondsten, die het vervolg behelsden van

het fragment, waarin hij dit zei, toonen aan, dat hij hier een

letterlijke beteekenis aan 't woord heeft gehecht. Daarbij heeft

hij een inzicht, dat eenigszins herinnert aan Darwin's strijd om

het bestaan en het overleven van de meest geschikte. De oorlog

toch heeft de tegenwoordige toestanden geschapen: de sterken hebben

gezegevierd, de zwakken verloren en met hun nageslacht zijn ze slaven

en onderworpenen geworden.

Intusschen is deze uitdrukking ook symbolisch en bedoelt hij er mee

het voortdurend te niet gaan van het eene, waardoor zich weer iets

anders ontwikkelt.

Causaliteit.

De grootste gedachte van Heraclitus is echter deze, dat hij is gekomen

tot het aannemen van een zonder uitzondering heerschende, alles

omvattende causaliteit. Het is een keerpunt in de ontwikkeling van

het menschelijk geslacht, dat het heerschen der causaliteit verkondigd

wordt. "Ging de zon van den regel afwijken, dan zouden de beschermers

van 't recht, de Erinyen, haar navliegen.--Wie verstandig wil spreken,

moet zich gronden op dat, wat allen gemeen is." Deze en dergelijke

uitspraken toonen, hoe streng Heraclitus het causaliteitsbeginsel

erkende.

Ethiek.

Het systeem van Heraclitus is reeds vollediger dan dat der Milesiërs

en het bevat ook aanduidingen voor de ethiek. Als opperste taak van

het verstand beschouwt Heraclitus het kennen van de Wet, volgens welke

de wereld loopt, van de wereldrede, die voor hem soms samenvalt met

het oervuur. De opperste wet voor 't handelen is dan zich buigen

voor die wet, eigenzinnigheid is 't kwade. Slechts zoolang duren

menschelijke inrichtingen, als ze in overeenstemming zijn met de

goddelijke wet. Maar is aan die voorwaarde voldaan, dan moet die wet

ook stipt gehoorzaamd worden.

Invloed.

Lang na Heraclitus leefden er menschen, die zich Heracliteeërs

noemden. Ze waren een geminachte secte en schenen weinig oog gehad

te hebben voor de groote beginselen, neergelegd in Heraclitus'

systeem. Veeleer schenen ze allerlei minder belangrijke dingen als

't voornaamste beschouwd te hebben.--Zoo wordt van Cratylus verhaald,

dat hij zelfs niet sprak, daar de veranderlijkheid der dingen het

onmogelijk maakte een uitspraak te doen: hij bewoog slechts een vinger.

De invloed van Heraclitus echter is zeer groot geweest op vele

richtingen en menschen.

Zijn conservatieve en historische gezindheid, zijn strenge causaliteit

vooral vinden we terug bij de Stoïcijnen (bl. 134). In Heraclitus'

systeem, dat eischt een buigen voor de wereldwet, dus een berusten in

de gebeurtenissen van het leven, vinden we al de sporen van de leer

der latere Stoïcijnen. Marcus Aurelius, de Romeinsche keizer (bl. 135),

verkondigde als levensleer het berusten in wat het lot ons toedeelt.

In de 19de eeuw vertoont Hegel [6] met zijn leer van de eenheid van

tegendeelen groote overeenkomst met Heraclitus. Wat bij Heraclitus

gebeurde, geschiedde ook bij Hegel. Op Hegel's filosofie steunen zeer

radicale richtingen in de maatschappij: Lassalle [7] b.v. wordt tot

de linkerzijde der Hegelianen gerekend.

Zoo doet zich het merkwaardige feit voor, dat zeer revolutionaire

richtingen steun vinden in het systeem van den conservatieven

Heraclitus. Want niet alleen de strenge Stoïcijnen vonden

aanknoopingspunten bij hem, maar ook bij tegenovergestelde richtingen,

vindt men sporen van zijn invloed.

Hoe is dit te verklaren?

De kern van Heraclitus' leer is het besef van de veelzijdigheid

der dingen. Dit nu brengt mee een inzicht, dat naast het gif het

tegengif aanwezig is. In toestanden van ellende en verwarring kan het

de voorbereiding zien voor betere verhoudingen op allerlei gebied

en rustiger, geordender tijden. In zooverre zit er een element van

optimisme in.

Men moet buigen voor het staatsgezag, in zooverre het met goddelijk

vernuft overeenkomt. Maar als het dit niet doet, heeft het geen

autoriteit. En het is duidelijk, dat licht de vraag òf het dat doet,

ontkennend beantwoord wordt door diegenen, welke zich niet kunnen

verzoenen met heerschende regels.

Het Heraclitisme is historisch en conservatief. Het wijst in al 't

negatieve iets positiefs aan. Maar... het erkent geen vast bestaande,

geen definitieve afsluiting eener ontwikkeling. En in zooverre bevat

het elementen van revolutionairen aard.

§ 4. De Pythagoreeërs.

Pythagoras.

Op 't eiland Samos werd, waarschijnlijk ± 570, Pythagoras

geboren. Zeker bezocht hij Egypte, waarschijnlijk ook Babylon. Daarna

ging hij zich in Kroton vestigen, in beneden-Italië, en stichtte

daar een broederschap, die wel eenigszins te vergelijken is met de

latere geestelijke ridderorden. Er waren verschillende graden, voor

iederen graad was een afzonderlijk stel plichten, en daardoor kon de

broederschap ook in ruimer kring verbreiding vinden. Omstreeks 500

werd het gebouw, waarin zich de broederschap bevond, verbrand door de

tegenstanders. Of ook Pythagoras zijn dood in de vlammen vond, is niet

bekend. Vervolgingen, ten doode toe, volgden in andere plaatsen. Weldra

bestond de bond niet meer. Er waren alleen nog maar Pythagoreeërs.

Van Pythagoras zelf weten we zeer weinig. Stellig is hij een

buitengemeen begaafd man geweest, die vele qualiteiten in zich

vereenigde, welke men meestal niet in één mensch aantreft: aan grondige

wiskundige kennis en belangstelling in astronomie paarde hij een warm

ethisch gevoel, een rijke fantasie, een innigen godsdienstzin. Op

twee gebieden zijn de Pythagoreeërs dan ook werkzaam geweest: op dat

der wis- en sterrenkundige wetenschap, en op dat der religie en ethiek.

Wat nu door Pythagoras zelf, wat door zijn jongeren en navolgers

gevonden is, valt niet te zeggen. Zeer schoone, opgesierde en totaal

onbetrouwbare levensbeschrijvingen van Pythagoras zijn tot ons gekomen

uit de 3de eeuw n. Chr.

Met den geestelijken eigendom nam men het zoo nauw niet in de

oudheid. Men verleende graag een zekere eerwaardigheid aan zijn

uitspraken, door ze terug te voeren op een geleerde van vroeger

tijd. Vooral in de Pythagoreïsche school was dit sterk. Als de

meester iets beweerd had, dan was daarmee alles bewezen. "Autos epha"

(hij heeft het zelf gezegd) lag Pythagoras' jongeren in den mond

bestorven. Het is niet de eenige maal in de geschiedenis, dat de

jongeren zweren bij de woorden huns meesters.

We spreken dus van de Pythagoreeërs en gaan hunne denkbeelden na.

De getallentheorie.

Het is niet ongewoon, de meening aan te treffen dat gevoel en

gemoedsbehoeften altijd vijandig zijn aan het weten. Dit is ook

inderdaad dikwijls het geval. Menigeen omhelst een leer, omdat

die zijn gemoedsbehoeften bevredigen kan, weigert nieuwe inzichten

aan te nemen, omdat ze niet strooken met innerlijke begeerten of

wenschen. De geschiedenis van het wijsgeerig denken zal ons dan

ook telkens voorbeelden doen zien, hoe de tegenstand tegen bepaalde

systemen niet ontsproten is uit vijandschap tegen het systeem, omdat

het als niet-waar erkend werd, maar uit het besef, dat het inging

tegen lang-gekoesterde gevoelens, wier verlies pijnlijk zou zijn.

Daarom ziet men zelfs tot op onzen tijd wijsgeeren pogen, hun systeem

meer aannemelijk te maken, door het meer of min in overeenstemming

te brengen met een leer, die tot dusver 't gevoel bevredigde. Het

is echter zeer de vraag, of een dergelijk pogen steeds gepaard kan

gaan met die volkomen eerlijkheid en met die scherpheid van bepaling,

die absolute eischen zijn voor het filosofisch denken, en we hebben

trouwens geheel geen recht, van te voren aan te nemen, dat de wereld

is ingericht op bevrediging der behoeften van ons gemoed.

Deze opmerking gaat vooraf, omdat we nu een voorbeeld zullen

aantreffen, hoe wetenschappelijke ontdekkingen hun oorzaak vonden in

aesthetische en ethische behoeften. De Pythagoreeërs deden veel aan

muziek. Men spande nu een snaar op een klankbodem, wist die snaar

langer en korter te maken en ontdekte toen, dat er een verhouding

bestond tusschen de lengte van de snaar en de toonshoogte. Hoe langer

de snaar, hoe lager; hoe korter de snaar, hoe hooger de toon. Hiermee

was een der eerste ontdekkingen gedaan op 't gebied van de leer van

het geluid en een belangrijken stap gezet op 't gebied der physica.

Men zie echter goed in, dat er in deze ontdekking nog iets anders

school. Men kwam tot inzicht in de beteekenis van quantitatieve

verhoudingen. De huidige natuurkundige wetenschap tracht alles zoo

precies mogelijk in getallen uit te drukken. Ze is niet tevreden, met

te weten, dat een lichaam bij verwarming uitzet, maar wenscht ook te

kunnen zeggen: bij zooveel graden warmtevermeerdering zal die stof

precies zooveel uitzetten. En ook daarmee is ze niet tevreden. Ze

vraagt, wat die warmte eigenlijk is: waarom zet een lichaam uit als

't warmer wordt. Nu neemt de natuurkundige aan, dat een lichaam

uit allerkleinste deeltjes bestaat, die in voortdurende beweging

zijn. Warmer worden van een lichaam wil zeggen: vermeerdering

der snelheid, waarmee die deeltjes zich bewegen. De uitzetting is

teruggebracht tot een sneller bewegen der deeltjes en een vergrooten

van de afstanden, waarop die deeltjes zich van elkaar bevinden. Maar

die bewegingssnelheid en die afstanden kunnen berekend worden en

wiskundig geformuleerd. Zoo voert de natuurkundige de veranderingen

terug op verandering van meetbare grootheden en tracht alle gebeuren

vast te leggen in wiskundig geformuleerde stellingen. Het getal,

de quantitatieve bepaling is dus van overwegende beteekenis

voor de moderne wetenschap. En het is bekend, hoe niet alleen de

natuurwetenschappen zich van het getal bedienen, maar hoe men ook

maatschappelijke verschijnselen (b.v. de sterfte, de misdaad) in

statistieken brengt.

Van de enorme beteekenis van het getal voor de beoefening der

wetenschap, hebben de Pythagoreeërs een zoo diepen indruk gekregen

(al zagen ze natuurlijk niet al de aanwendingen der toekomst vooruit)

dat ze het getal verklaarden voor den grond van al 't zijnde, voor

't eenig wezenlijke.

Niet water, vuur, lucht, niet het oneindige, maar 't getal gold hun

als grondstof.

Nu hebben ze met hun levendige fantasie, daaraan allerlei wonderlijke,

mystieke gedachten geknoopt. Gold de eenheid hun als 't volmaakte,

de twee, die deelbaar was, was minder volmaakt. Drie = 1 + 1 + 1,

is een zeer volmaakt getal, het heeft begin, midden en einde.

Als ze eenmaal alles in het wezen als getal verklaard hadden, dan

konden ze niet nalaten, op hun standpunt ook geestelijke eigenschappen

voor getallen te verklaren. Want tot nu toe kennen de denkers nog niet

het onstoffelijke en abstracte. Zoo wordt gerechtigheid een kwadraat

getal, enz.

Hoe vreemd ons dit alles ook moge lijken, in die fantasterij zit

een kern van waarheid: de groote beteekenis van 't getal; en het

beduidt ook een voortschrijden van 't denken, wanneer men gaat inzien

dat men eerst dàn een verschijnsel goed kan begrijpen, als men de

getallenverhouding kent, waarin het zich voordoet. We zullen later

zien, hoe in het begin van den nieuwen tijd de groote sterrenkundige

Kepler dit heeft beseft.

Astronomie.

Groote verdiensten hebben de Pythagoreeërs voor de sterrenkunde.

Het is gewenscht, hier met een enkel woord te herinneren aan de

gegevens.

Aan onze oogen vertoont zich de aarde steeds als een plat vlak. Is

ons uitzicht niet beperkt, dan zien we dat platte vlak als een

cirkel. Daarover welft zich als een halve bol het hemelgewelf, waaraan

de zon zijn dagelijkschen loop voltrekt, nu eens hooger, dan lager aan

't hemelgewelf. De maan heeft eveneens haar dagelijksche beweging,

daarnaast haar maandelijksche schijngestalten. Sommige "sterren," de

planeten, zijn dan eens weer zichtbaar, dan weer niet. Andere zijn

altijd zichtbaar, als de Groote Beer, andere ook komen geregeld op

en gaan geregeld onder.

Ook den Grieken waren deze verschijnselen niet onbekend en ze

moesten naar verklaringen zoeken. Aanvankelijk waren die kinderlijk

en fantastisch-dichterlijk, maar we zagen reeds hoe Anaximander den

schijfvorm der aarde niet meer aannam.

Deze verschijnselen nu kunnen we thans, sedert Copernicus in 1543

zijn "Over de omwenteling der hemellichamen" uitgaf en allerlei

sterrenkundige waarnemingen zijn hypothese gestut hebben,

in een eenvoudig stelsel samenvatten en uit een gering aantal

veronderstellingen verklaren.

In het midden van ons zonnestelsel staat de zon. Daaromheen bewegen

zich, in ellipsvormige banen de planeten. Onze aarde is een dezer.

Haar as staat met een hoek van 66 1/2° op haar baan. In 24 uren wentelt

ze om haar as; vandaar de verschijnselen van dag en nacht. In een jaar

wentelt ze om de zon: oorzaak van de afwisseling der jaargetijden. De

duur van den omloopstijd der planeten hangt af van hun afstand van

de zon, bij sommige is die 88 dagen, bij andere vele jaren. De zon,

aarde en andere planeten staan dus op verschillende tijden in anderen

stand ten opzichte van elkaar: vandaar het dwalen, dat de planeten

aan den hemel schijnen te doen.

Toen Copernicus dit stelsel leerde, plaatste hij dus de aarde uit het

middelpunt. De Middeleeuwen hadden haar nl. op voetspoor van Ptolemaeus

in het middelpunt geplaatst, en om haar, in allerlei kunstige banen,

zon en planeten laten wentelen.

Het stelsel van Copernicus bracht een omwenteling in het denken. De

kerk aanvaardde het eerst niet. Galileï moest de aswenteling der

aarde loochenen. Giordano Bruno, ook om andere ketterijen vervolgd,

stierf in 1600 op den brandstapel. Cartesius durfde zich niet dan

voorzichtig en niet duidelijk zijne bedoeling verradend, over de

nieuwe leer uitlaten. [8]

Al deze strijd was ons gespaard gebleven en het denken wie weet hoeveel

verder, indien men voortgegaan was op het voetspoor der Pythagoreeërs.

Want dit staat vast:

De Pythagoreeërs hebben de hoofdtrekken van het Copernicaansche

stelsel geleerd.

Niet ineens kwamen ze er toe.

Den bolvorm der aarde namen ze reeds spoedig aan, 't zij op grond

van waarnemingen, 't zij omdat de bolvorm de volmaakste was en dit

het best in hun systeem paste.

Ze namen 10 hemelsferen aan; die der vaste sterren, die der zon, die

der 5 planeten, die der maan en die der aarde vormen 9. Tien was echter

een heilig getal en ze meenden dus, dat het aantal hemelsferen ook 10

moest zijn. Ze fantaseerden er dus een tiende bij: de tegenaarde. Later

echter, toen uitgebreide reizen hun wereldkennis hadden verruimd,

lieten ze die vallen.

De hemellichamen maakten bij hun beweging om één groot centraal vuur

geluiden, die samen klonken als de tonen van een octaaf. Dit noemt

men de harmonie der sferen. Dat wij ze niet hooren, verklaarden ze

op de volgende wijze, die getuigenis aflegt van hun psychologische

waarneming. Als een smid langen tijd op een aambeeld slaat, hoort

hij 't niet meer. Zoo ook hooren wij de harmonie niet meer. Ze

beroepen zich dus op het verschijnsel, dat in de huidige zielkunde

"het afvloeien" heet.

Met de tegenaarde liet men weldra het centraal vuur vallen. Ecphantes

leerde de aswenteling der aarde. Daarna liet men sommige planeten

om de zon bewegen. En ten slotte plaatste Aristarchus van Samos

(280 v. Chr.) de zon in 't middelpunt en liet aarde en planeten om

haar wentelen.

Ethica.

Langzamerhand verbond de Pythagoreïsche zedeleer zich eng met de

Orphische mystiek en in latere perioden is het niet gemakkelijk te

onderscheiden, wat nu speciaal van de Orphiek, wat van de Pythagoreeërs

kwam.

In 't middelpunt stond de leer der zielsverhuizing. Na den dood van

den mensch gaat de onsterfelijke ziel het lijf verlaten en vindt,

als ze niet genoeg gelouterd is, haar plaats in een of ander

dier. Ze verlaat dit weer voor een mensch en doorloopt zoo vele

stadiën, tot ze ten slotte gereinigd is en weer één kan worden met

de godheid. Hoewel oudere berichten zeggen dat Pythagoras de leer

der zielsverhuizing uit Egypte invoerde, valt dit te betwijfelen,

nu jongere Egyptische onderzoekingen ons doen zien, dat de leer der

zielsverhuizing bij de Grieken heel anders is geweest dan bij de

Egyptenaren. Meer overeenkomst vertoont ze met de leer der Hindoe's,

waaraan ze misschien, door bemiddeling der Perzen, ontleend kan zijn.

Met het geloof aan zielsverhuizing hangt vegetarisme samen. In de

oudheid vertelde men van Pythagoras de anecdote, dat hij eens gezegd

had: "Sla dien armen hond niet, de ziel van een vriend is in hem,

ik heb zijn stem in 't jammeren herkend."

De Pythagoreeërs leidden een ascetisch, onthoudend leven, vrij van

zingenot en wellust.

De leer der zielsverhuizing bracht een nieuw element in de Grieksche

waardeeringsoordeelen. Tot dusver had bij hen gegolden: het lichaam

meer dan de geest, het lichamelijk leven 't voornaamste.

Thans werd dit anders: de hoofdaandacht werd gevestigd op 't geestelijk

[9] leven.

Plato zou deze idee weer opnemen en met zijn groote genialiteit

en machtigen blik verder ontwikkelen; door hem ook heeft deze idee

onwankelbaar post gevat in 't Westersch denken, waaruit ze misschien

nimmer zal verdwijnen (bladz. 105).

Tegen 't einde der Grieksche wijsbegeerte leeren we de

Neo-Pythagoreeërs kennen, bij wie de religieuse vraagstukken op den

voorgrond staan. We zullen ze daar niet afzonderlijk behandelen,

omdat ze veel overeenkomst vertoonen met andere, meer belangrijke

richtingen, die we dan zullen ontmoeten.

§ 5a. De Eleaten.

De Eleaten vormen de richting, welke, in tegenstelling met Heraclitus

niet op het worden maar op het zijn haar aandacht vestigt. Gewoonlijk

laat men de school met Xenophanes beginnen, maar deze was meer een

godsdienstig reformator. Stichter der eigenlijke wijsgeerige school

is Parmenides.

Uit de ontwikkelingsgeschiedenis van het Menschelijk Denken, Deel 1 van 2 · 第 10 / 105 题