§ 1. Inleidende Opmerkingen.
Het land.
De beginselen onzer wetenschap zoeken we in Griekenland. We willen
trachten, enkele oorzaken aan te geven, die er toe leidden, dat hier
in de oudheid zoo groote geestesbloei ontstond.
Het land--zijn bodem, geleding en kustontwikkeling--is één
factor. Betrekkelijk onvruchtbaar, noopte het zijn bewoners tot
inspanning, en al spoedig gingen deze, mede aangelokt door de op vele
plaatsen het land binnendringende zee, varen, wat hen met volkeren,
meer beschaafd dan zij, in aanraking bracht. Een zwerm eilanden vormde
de brug naar Azië. De vele bergen, die het land in allerlei hoekjes
verdeelen, waren gunstig voor de ontwikkeling eener eenmaal begonnen
beschaving: niet zoo licht als in een vlakte breidt zich een veroverend
volk uit over 't geheele land, en vernielt en verwoest alles.
Dit land was bewoond door een volk van groote begaafdheid. Ziehier
de tweede factor.
Een derde moment kwam er bij. In de oudheid moet, voor het ontstaan
van wetenschap, wel haast een priesterschap aanwezig zijn, die den
noodigen vrijen tijd heeft om te kunnen "studeeren." Maar zoo een
priesterstand wordt licht een gesloten priesterkaste, houdt zijn
kennis voor zich, en krijgt ten slotte een starre leer, die niet
verandert of vernieuwt. Dezelfde stand, die eens de wetenschap groot
bracht, houdt nu haar ontwikkeling tegen. De volkeren van het Oosten,
Egypte meegerekend, waaraan de Grieken de eerste beginselen hunner
beschaving en wetenschappelijke kennis konden ontleenen, hadden zoo
een priesterstand en die zekere kennis. De Grieken zelf echter misten
een dergelijke gesloten "kaste" en bij hen was dus gelegenheid tot
vrije ontwikkeling. Het bezit van slaven, dat den welgestelde onthief
van lichamelijken arbeid, vergrootte die gelegenheid zeer.
Blik over de Geschiedenis.
We kunnen de Grieksche beschaving vervolgen tot ± 2000 j. v. Chr.,
al is het bitter weinig wat we van die eerste tijden weten.
Tot 1500 ongeveer spreken we van het Aegeïsche tijdperk: het
zwaartepunt ligt op de eilanden, het meest gebruikte materiaal
is steen.
Waarschijnlijk geleidelijk, gaat deze periode over in het Mykeensche
tijdvak: Mykene op 't vasteland is een centrum van beschaving; steen
verdwijnt, brons en koper komen.
Er wordt meer gebouwd en meer gevaren. De zeevaarders der oudheid,
de Phoeniciërs, worden meer en meer teruggedrongen. Een inval van een
stam, de Doriërs, brengt een verschuiving te weeg; sommigen ontwijken
naar de kusten van Klein-Azië en in de daar liggende steden is nu
het middelpunt te zoeken der Grieksche beschaving.
Omstreeks 1000 is alles dan weer zoowat tot rust en begint een tot
ongeveer 700 durend tijdvak, dat we de Grieksche Middeleeuwen of het
Grieksche riddertijdperk kunnen noemen.
De macht van den koning verdwijnt. De adel wordt oppermachtig,
de gewone vrije wordt arm en daalt niet zelden tot cliënt [1]. De
Grieksche ridders, als later de onze, vechten eindeloos lange
veeten uit en verkwikken zich met het luisteren naar heldenzangen,
voorgedragen door rondtrekkende zangers. Hier, in Griekenland, zijn
het de rhapsoden [2], die de Homerische [3] heldenzangen voordragen.
Steden worden gesticht en zoo ontstaan in Griekenland ontelbare
staatjes: elk een stad met wat land er om heen.
Maar in die steden ontwikkelt zich de nijverheid: wol, vazen,
meubelen. Heeft ook de Grieksche slaaf waarschijnlijk beter lot dan
de fabrieksarbeider der 20ste eeuw, de fabriekseigenaar, die zijn
werkslaven bij tientallen telt, kan van hun arbeid een zoete winst
maken. Handel komt meer en meer. Koren wordt uit de Zwarte Zee gehaald:
Grieksche kolonies overal gevestigd.
In de steden staat een rijke burgerstand op, die het overwicht van
den adel niet langer verdraagt. Een nieuwe periode breekt aan: de
worsteling van de (burgerlijke) democratie tegen de aristocratie.
We plaatsen haar van 700 tot 500.
Op geestelijk gebied zouden we dit de Grieksche Renaissance kunnen
noemen. Hoofdtrek is: Het losmaken van het individu uit de banden
der overlevering. Nieuw leven vertoont zich op allerlei gebied. Naast
de epiek, het verhalende heldendicht, komt nu de lyriek, uitstorting
van gemoedsaandoening. En die lyriek is frisch, zuiver, oorspronkelijk.
Muziek wordt beoefend. Gebouwen verrijzen. Kolonies worden steeds
meer gesticht en die volksplantingen bezet met energieke Grieken,
die zich vermengen met andere rassen, deelnemen aan de geestelijke
ontwikkeling van het Grieksche volk.
Godsdienst.
Verandering ondergaat in dien tijd ook het godsdienstig leven. De
Homerische goden waren gedacht als menschen met menschelijke
eigenschappen. En, daar ze oorspronkelijk gepersonifieerde
natuurkrachten waren en de natuur goed noch kwaad kent, waren deze
goden geen zedelijke goden. Ze bedotten en bedriegen elkaar, leven
een leven van lust en liefde, luim en willekeur: eten en drinken en
vieren vroolijke feesten.
Maar de trek, aan alle Indo-Germaansche godsdiensten eigen, vertoont
zich ook hier: er is een streven merkbaar, om van al die goden één
te verheffen tot oppergod.
Zeus wordt vader van goden en menschen, bestuurder van het
menschenlot. Naast hem staan andere goden, dikwijls in-rang-opgeklommen
locale godheden, die nu overal vereerd worden. En andere plaatselijke
goden dalen tot de positie van halfgoden of helden.
In dit verheffen van één god is een streven in de richting van 't
ééngodendom, dat we verder zullen zien doorwerken.
Naast dit monotheïstisch element komt er een zedelijk element in
den godsdienst. Vooral voor de meer en fijner ontwikkelden werd het
pijnlijk, zich de machthebbende goden niet te denken met zedelijke
eigenschappen begaafd. Zoo werden meer en meer de goden dragers van
het zedelijk ideaal.
In de breede lagen van het volk nam het religieus gevoel een andere
richting. Daar was de behoefte aan ontzondiging, aan boetedoening,
aan heiligmaking levendig. In mysteriën, in geheimleeren, waarin men
kon ingewijd worden, vond die behoefte bevrediging. Grove uitwassen
vertoonde deze mystiek. Er werden spelen gehouden, die walgelijk, ja
onkuisch waren in de hoogste mate. Maar naar die afwijkingen alleen
mag men het godsdienstig reveil [4] der massa's niet beoordeelen.
Men heeft deze mystiek de Orphische genoemd, omdat men haar terugvoerde
tot den ouden zanger Orpheus.
Er leefde een groote groep menschen, onder wie fantastische verhalen
bestonden over 't ontstaan der aarde. Heel precies kan men niet zeggen,
wat die verhalen bevatten. Maar met recht mag men aannemen, dat hun
leer meer wilde de bevrediging van gemoedsbehoeften dan het vinden der
zuivere waarheid; dat de fantasie meer aandeel had aan hun werk dan
't koele verstand.
Aristoteles noemt hen theologen.
Hij gebruikt dit woord om ze te stellen tegenover de eerste wijsgeerige
denkers, die hij physiologen noemde en welke ook in dezen tijd
optreden. Tot hun behandeling gaan we thans over.
§ 2. De Ionische natuurfilosofen.
De wereld biedt ons een groot aantal dingen, elk met zijn
eigenschappen.
Die dingen ontstaan, veranderen, vergaan. Is er nu achter al dat
voortdurend worden en verdwijnen iets blijvends? Bestaan die dingen
uit een beperkt aantal grondstoffen of misschien zelfs uit éen?
En ontstaat dan de groote verscheidenheid door bepaalde verandering,
welke de grondstof ondergaat?
Deze vraag is gewichtig. Ze tast vooruit op de resultaten, waartoe
het moderne denken is gekomen.
Steunend op nauwkeurige onderzoekingen leert de scheikunde, dat
er slechts een kleine 80 stoffen zijn, de elementen, die niet uit
andere bestaan. Alle andere stoffen ontstaan door verbinding van
elementen. Water b.v. is niets anders dan verbinding van 2 deelen
waterstofgas met één deel zuurstof. Aan den horizon begint nu weer de
vraag op te komen, of het niet mogelijk zou zijn, dat aantal elementen
terug te brengen tot een kleiner getal.
We lasschen hier twee opmerkingen in.
Dikwijls zullen we in de geschiedenis der wetenschap zien, dat als
gevolg van een gestelde vraag een inzicht geuit wordt, dat latere
eeuwen eerst zullen bevestigen. Maar... dan zijn het eerst uitspreken
der stelling en haar latere opstelling toch hemelsbreed verschillend en
mag men niet meenen dat er geen vorderingen zijn gemaakt. Immers--de
gronden waarop het inzicht rust, zijn geheel anders. Onze tijd steunt
haar hypothesen door een omvangrijk, zorgvuldig en moeitevol verkregen
feitenmateriaal, de aanvangers der wetenschap bouwden hun stelsels
op enkele gegevens.
Hun oplossingen--dit is de tweede opmerking--moeten we eenigszins
beschouwen als kinderlijke pogingen. Besef van al de moeilijkheden,
die hun wachten, hebben ze niet. Onze geoefendheid van denken staat
hun niet ten dienste, de taal leent zich niet zoo goed nog voor de
behandeling hunner stof: definities geven ze nog niet nauwkeurig en
een vaststaande terminologie is nog niet ingevoerd. De onduidelijkheid
hunner uitdrukkingen, de vaagheid hunner uitspraken is dus dikwijls
meer onbeholpenheid en nog onvoldoend doordenken en gebrekkige
taalbeheersching, dan--zooals sommigen wel eens meenen--diepe wijsheid
wier eigenlijke beteekenis ons ontgaat.
Intusschen moet men zich hoeden voor het tegenovergesteld uiterste,
en niet meenen dat de aanvangers der wetenschap slechts dwaasheden
verkondigden, waarmee men zich nu vermaken kan en waaraan alle waarde
ontzegd moet worden. Het wankelend loopen van een kind verschilt van
den vasten tred van den volwassene, die recht afgaat op zijn doel,
maar het is toch het begin van het stevige gaan.
't Antwoord op deze vraag: wat blijvends zit achter de wisselende
verschijnselen? werd gegeven door drie filosofen uit Milete: Thales,
Anaximander, Anaximenes.