Een vertrek in Titus' huis. Een maal is aangericht. Titus,
Marcus, Lavinia, en de jonge Lucius, een knaap, komen op.
TITUS. Kom, zet u thans, doch eet alleen zooveel,
Als ons voldoende kracht bewaren kan
Om wraak te nemen voor ons bitter wee.
Marcus, kruis niet in smart uw armen zoo;
Uw nicht en ik, wij armen, missen handen,
En kunnen ons tienvoudig leed niet klagen
Met armgekruis. Deze arme rechterhand
Bleef mij alleen om op mijn borst te woeden;
En als mijn hart, waanzinnig van ellend,
Bonst in den hollen kerker van mijn vleesch,
Dan sla ik zoo het neer.
(Tot Lavinia.) Gij kort begrip van leed, die spreekt in teekens,
Als uw arm hart zoo bonst met woeste slagen,
Kunt, gij het, ach! ter stilling niet zoo slaan.
Verwond het, kind, met zuchten, snik het dood
Of vat een vlijmend mes met uwe tanden
En boor ter plaatse van uw hart een wond,
Opdat der oogen gansche tranenstroom
In deze groeve vliete en, ingezogen,
't Arm klagend hart verdrinke in zilten vloed.
MARCUS. Foei, broeder! leer haar niet zoo gewelddadig
Aan 't teeder leven de eigen hand te slaan.
TITUS. Wat, deed het leed u reeds een suffer zijn?
Geen mensch heeft recht om dol te zijn, dan ik.
Hoe kan zij aan zichzelf de handen slaan?
Wat rept gij weer van handen; vraagt gij niet
Æneas tweemaal zijn verhaal te doen,
Hoe Troje brandde en hij rampzalig werd?
O handel hiervan niet, spreek niet van handen,
Want dan herdenken we immer ons gemis.
Foei, foei! het is, of waanzin mij doet spreken,
Alsof wij ons gemis vergeten konden,
Zoo Marcus ons maar niet van handen sprak!--
Komt, vangen we aan; en gij, lief kind, eet dit.--
Hier is geen drinken. Marcus, hoor haar spreken,
Ik kan de tolk zijn voor haar mart'laarsteekens.
Zij zegt: zij drinkt geen andren drank dan tranen,
Uit leed gebrouwen, op haar wang gemengd.
Gij stomme klaagster, 'k wil uw taal verstaan.
Mij zullen uw gebaren zoo vertrouwd
Als bedelkluiz'naars hun gebeden zijn.
Zoo gij slechts zucht, uw stompen heft ten hemel
Slechts wenkt of knikt of knielt, een teeken geeft,
Zal ik uit deze een alphabet mij vormen,
Door stadige oef'ning weten wat gij meent.
DE JONGE LUCIUS. Grootvader, staak uw bitt're jammerklachten,
En troost mijn moei eer met een fraai verhaal.
MARCUS. Ach, diepgeroerd betreurt de teed're knaap
Grootvaders wee, nu hij zijn wanhoop ziet.
TITUS. Stil, teêre spruit, gij zijt gemaakt uit tranen;
En tranen smelten ras uw leven weg.--
(Marcus stoot met zijn mes in den schotel.)
Waar stoot gij heftig met uw mes naar, Marcus?
MARCUS. Naar iets wat ik gedood heb,--naar een vlieg.
TITUS. Foei, schaam u, moord'naar! mij doodt gij het hart.
Mijn oogen zijn verzaad van 't zien van gruw'len;
Een moord, op een onschuldige volbracht,
Staat Titus' broeder slecht. Neen, ga van hier;
Ik zie, wij passen voor elkander niet.
MARCUS. Ach, Titus, 't was een vlieg slechts, die ik doodde.
TITUS. Maar stel, zij had een vader en een moeder,
Hoe lieten die de gouden wiekjes hangen
En gonsden in de lucht hun jammerklacht!
Die arme schuldelooze vlieg!
Zij kwam om ons een aardig lied te gonzen,
Ons te verheugen; en nu doodt gij haar!
MARCUS. Vergeef mij; 't was een zwart en leelijk dier,
De Moor der keizerin schier; daarom doodde ik 't.
TITUS. O, o, o!
Vergeef dan mij, dat ik u heb gegispt,
Want dan hebt gij een vrome daad gedaan.
Geef mij uw mes, opdat ik haar bespot,
Mijn geest misleid', dat dit de Moor geweest is,
Die zelf hier kwam, om mij vergif te reiken.--
(Hij stoot met het mes.)
Hier, dit voor u, en dat voor Tamora!
Ja, knaap!
Zoo diep zijn wij nog niet gezonken, hoop ik,
Dat wij geen vlieg meer kunnen dooden, die
Hier komt, op een koolzwarten Moor gelijkend.
MARCUS. Die arme man, zijn leed beheerscht hem zoo,
Dat hij de schaduw voor het wezen neemt.
TITUS. Komt, ruimt hier weg.--Lavinia, ga met mij
In uw vertrek; daar leze ik met u treur'ge
Verhalen van 't gebeurde in de' ouden tijd.--
Kom, knaap, ga mede; uw oog is jong, en gij
Moogt lezen, als het mijne neev'lig wordt.
(Allen af.)