EERSTE TOONEEL.

Rome. Een straat.

Senatoren, Tribunen en Rechters komen op, met Marcius en Quintus,

die geboeid ter terechtstelling gevoerd worden; Titus gaat als

smeekeling voor hen uit.

TITUS. Hoort, achtb're vaders! gij tribunen, staat!

Denkt, ik ben oud nu, en ik sleet mijn jeugd

In woesten krijg, terwijl gij zorgloos sliept;

Denkt aan al 't bloed, dat ik voor Rome stortte,

Aan meen'ge winternacht, die ik doorwaakte,

Aan deze bitt're tranen, die gij nu

De rimpels van mijn wangen vullen ziet,

En schenkt mijn zoons, veroordeeld thans, genade;

Hun hart is niet zoo slecht, als 't wordt gewaand.

Om twee-en-twintig zonen weende ik nooit,

Wijl zij op 't edel bed der eere stierven;

(Hij werpt zich op den grond.)

Om dezen schrijf ik thans in 't stof, tribunen,

Mijn harteleed en mijner ziele tranen.

Laat mij der aarde dorst met tranen lesschen;

Zij wierd schaamrood van mijner zonen bloed.

(De Senatoren, Tribunen enz. gaan met de Gevangenen door.)

O aarde, ik wil u meer met vocht verkwikken,

Dat uit deez' twee verweerde kruiken vliet,

Dan jonge April 't vermag met al zijn buien;

In zomerdroogte drenk ik u; des winters

Smelt ik met heete tranen u de sneeuw;

Ik wek een eeuw'ge lente op uw gelaat,

Indien gij 't bloed wilt weig'ren van mijn zoons.

(Lucius komt op, met uitgetogen zwaard.)

Eed'le tribunen! zacht gestemde grijsaards!

Ontboeit mijn zonen en herroept uw vonnis,

Dat ik, die nooit voordezen weende, zegg':

Mijn tranen zijn een onafwijsb're voorspraak.

LUCIUS. Uw weeklacht, eed'le vader, is vergeefsch;

Hier hoort u geen tribuun; geen mensch is hier;

't Is aan een steen, dat gij uw kommer klaagt.

TITUS. O Lucius, laat mij pleiten voor uw broeders.--

Eed'le tribunen, nogmaals smeek ik u,--

LUCIUS. Mijn vader, geen tribuun verneemt uw woorden.

TITUS. 't Is eender, knaap; al hoorden ze ook, zij zouden

Er niet op letten; letten zij er op,

Er niet geroerd door zijn; toch moet ik spreken,

Hoe nutt'loos ook.

Daarom meld ik mijn kommer aan de steenen,

Die, ja, geen antwoord geven op mijn klacht,

Maar hierin beter dan tribunen zijn,

Dat zij mij zonder stoornis laten spreken.

Zie, als ik ween, dan nemen zij mijn tranen

Deemoedig op en weenen schier met mij;

En waren zij slechts statig aangekleed,

Tribunen, hun gelijk, had Rome niet.

Zacht is een steen als was, steenhard tribunen;

Stom is een steen en krenkt niet, doch tribunen,

Zij hebben tongen, die ten doode doemen.

(Hij rijst op.)

Doch waarom staat gij met getrokken zwaard?

LUCIUS. Om van den dood mijn broeders te bevrijden;

En voor die poging hebben mij de rechters

Veroordeeld tot een eeuw'ge ballingschap.

TITUS. Gelukkig man! wat deden zij u goed!

Wat, dwaze Lucius, hebt gij niet bespeurd,

Dat Rome een wildernis vol tijgers is?

Wat tijger is, wil buit, en Rome biedt

Geen buit dan mij, de mijnen. Dus, heil ù,

Die ver van die verslinders wordt verbannen!

Doch wie komt met mijn broeder Marcus daar?

(Marcus en Lavinia komen op.)

MARCUS. Titus, bereid uw edel oog tot weenen,

Of kunt gij 't niet, uw edel hart tot breken;

'k Voeg bij uw ouderdom verterend wee.

TITUS. Zal 't mij verteren? laat het mij dan zien.

MARCUS. Dit was uw dochter.

TITUS. Marcus, zij is 't nog.

LUCIUS. Wee mij, die aanblik doodt mij.

TITUS. Zwakhartig jong'ling, rijs, en zie haar aan.--

Lavinia, spreek! wat vloekb're hand heeft u

Handloos gemaakt voor de oogen van uw vader?

Wat zotskap goot ooit water bij de zee,

Of wierp in Troja's laaien brand een mutsaard?

Hoog was mijn leed gestegen, eer gij kwaamt,

Thans spot het als de zee met elken dam.--

Geef mij een zwaard, dan kappe ook ik mijn handen,

Wijl zij voor Rome streden, en vergeefs,

En, 't lijf verzorgend, dezen jammer voedden;

Tot ijd'le beden hief ik haar omhoog,

Zij dienden mij tot nutteloos gebruik;

Geen dienst meer eisch ik thans van haar dan deze,

Dat de eene helpe om de andere af te kappen.--

Goed is 't, dat gij geen handen hebt, Lavinia;

In dienst van Rome helpen handen niets.

LUCIUS. Spreek, lieve zuster, wie heeft u gemarteld?

MARCUS. Helaas! dat lieflijk werktuig der gedachten,

Dat die zoo zoet en zoo welsprekend uitte,

Is weggereten uit de schoone kooi,

Waar 't als een vogel melodieën zong,

Toonrijk, welluidend, ieder oor betoov'rend!

LUCIUS. Zeg gij voor haar dan, wie dit stuk bedreef.

MARCUS. O, 'k vond haar zoo, omdwalend in het woud

En pogend weg te schuilen, als een ree,

Die een onheelb're wond ontvangen heeft.

TITUS. Zij was mijn ree; wie haar verwondde, heeft

Mij erger dan een doodwond toegebracht.

Nu sta ik hier, als iemand op een klip,

Omgordeld door een woestenij van zee,

Die 't wassend tij met golf op golf ziet stijgen,

En immer wacht, dat fluks de felle branding

Hem zal verzwelgen in haar zilten schoot.

Ginds zijn mijn arme zoons ter dood gegaan;

Hier staat mijn and're zoon als banneling,

En hier mijn broeder, weenend om mijn wee;

Maar wat het felst mijn ziele grieft, mijn dierb're

Lavinia is 't, mij dierb'rer dan mijn ziel;--

Hadde ik uw beelt'nis zoo verminkt gezien,

Het had mij dol gemaakt; wat word ik thans,

Nu ik uw levend wezen zoo aanschouw?

Geen handen hebt ge om tranen af te wisschen,

Geen tong om wie u martelde ooit te noemen;

Uw gade is dood, en om zijn dood uw broeders

Veroordeeld en voorzeker nu reeds dood.

Zie, Marcus; ach, zoon Lucius, zie haar aan;

Nu ik haar broeders noem, staan op haar wangen

Weer versche tranen, als een zoete dauw

Op een geplukte en schier verlepte lelie.

MARCUS. Zij weent wellicht, wijl zij haar gade doodden,

Wellicht ook, wijl zij hen onschuldig weet.

TITUS. Zoo zij uw gade doodden, wees dan blijde,

Dat nu de wet zich met de wraak belast.--

Neen, neen, zij deden zulk een wandaad niet;

't Leeddragen van hun zuster tuigt voor hen.--

Lavinia-lief, laat mij uw lippen kussen,

Of zeg door teekens, hoe ik troosten kan.

Of zullen wij, uw oom, uw broeder Lucius,

Gij, ik, te zamen aan een beek gaan zitten,

Er in zien ter beschouwing onzer wangen,

Hoe die ontkleurd zijn, als nog vochte weiden,

Waar pas een stroom zijn slib op achterliet?

En staren wij dan zoo lang in de beek,

Totdat zijn helder nat niet zoet meer smaakt,

En ziltig werd van onze bitt're tranen?

Of kappen we onze handen af als de uwe?

Of bijten we ons de tong af en doorleven

In stom gebaar des levens droeve rest?

Wat doen wij? Spreekt! laat ons, die tongen rijk zijn,

Een schrander plan van verd're ellend ontwerpen,

Opdat we een wonder zijn voor laat'ren tijd.

LUCIUS. Mijn vader, stuit uw tranen; bij ons wee,

Zie, hoe mijn arme zuster snikt en schreit.

MARCUS. Stil, lieve nicht;--gij, Titus, droog uw oogen.

TITUS. Ach, Marcus, Marcus! broeder, 'k weet te goed,

Uw zakdoek kan geen traan van mij meer drinken,

Want gij hebt zelf met de uwe hem gedrenkt.

LUCIUS. Lavinia, kom, ik wisch uw wangen af.

TITUS. Zie, Marcus, zie! Haar teekens zijn mij duid'lijk;

Had zij een tong, zij zeide tot haar broeder

Hetzelfde, wat ik u pas heb gezegd;

Zijn zakdoek, nat van echte tranen, kan

Niet dienen voor haar kommervolle wangen.

Wat meegevoel! elks kommer is gelijk;

Doch troost zoo ver, als heil van 't schimmenrijk!

(Aaron komt weder op.)

AARON. Mijn heer, de keizer--Titus Andronicus--

Meldt u door mij, dat, zoo ge uw zoons bemint,

Gij, oude Titus, Lucius, of gij, Marcus,

Wie uwer ook, de hand zich af moog' houwen

En aan den keizer zenden; daarvoor zendt

Hij beide uw zoons u levend hier terug,

En dit zal 't losgeld zijn voor hunne schuld.

TITUS. O beste, goede keizer! vriendlijke Aaron!

Zong ooit een raaf zoo zoet, gelijk een leeuwrik,

Die 't heilnieuws meldt van de opkomst van de zon?

Van ganscher hart zend ik mijn hand den keizer.

Vriend Aaron, helpt gij mij om ze af te houwen?

LUCIUS. Neen, vader! neen, die eed'le hand van u,

Die zoo, zoo meen'gen vijand velde, mag

Geen losprijs zijn; de mijne is goed genoeg.

Mijn jeugd ontbeert veel lichter 't bloed; daarom

Moog' mijne hand der broeders leven redden.

MARCUS. Welke uwer handen, spreek, heeft Rome niet

Behoed, de felle krijgsakst niet gezwaaid,

Op 's vijands helm verdelging niet geschreven?

O, geen van beide, die niet roemrijk was.

Mijn hand heeft niets verricht; sta toe, dat zij

Mijn beide neven vrijkoop' van den dood,

Dan heb ik haar gespaard tot edel doel.

AARON. Komt, wordt het eens, wiens hand ik medeneem;

Zij sterven anders vóór 't genadewoord.

MARCUS. Mijn hand zij losprijs.

LUCIUS. Bij den hemel, neen!

TITUS. Geen strijd meer; kruiden, zoo verwelkt als deze,

Zijn rijp voor 't wieden; daarom zij 't mijn hand.

LUCIUS. Gun, lieve vader, zoo 'k uw zoon zal heeten,

Dat ik mijn broeders van den dood bevrijd.

MARCUS. Om onzes vaders, onzer moeder wil,

Moge ik mijn broederliefde u thans betoonen!

TITUS. Zoo wordt het samen eens; ik spaar mijn hand.

LUCIUS. Nu, dan haal ik een bijl.

MARCUS. Maar ik gebruik die bijl.

(Lucius en Marcus af.)

TITUS. Kom, Aaron, kom; die twee wil ik bedriegen;

Leen mij uw hand, dan geef ik u de mijne.

AARON (ter zijde). Heet dit bedrog, dan word ik eerlijk man,

En nimmer zal ik zoo een mensch bedriegen;--

Doch u bedrieg ik op een and're wijs;

En geen half uur zal om zijn, eer gij 't zegt.

(Hij houwt Titus' hand af.)

(Lucius en Marcus komen terug.)

TITUS. Uit hebbe uw twist; gedaan is, wat te doen was.--

Vriend Aaron, geef zijn majesteit mijn hand,

Zeg hem, dit was een hand, die hem voor duizend

Gevaren hoedde; dat hij haar begraav';

Haar loon moest grooter zijn, maar dit erlang' zij.

En wat mijn zoons betreft, zeg, dat ik hen

Kleinodiën acht, tot kleinen prijs verworven,--

En toch wel duur; 't was 't mijne, wat ik kocht.

AARON. Ik spoed mij, Andronicus; en welras

Zult gij uw beide zoons weer bij u zien.

(Ter zijde.) Hun hoofden, meen ik.--O, die schurkenstreek

Laaft, voedt mij reeds, nu ik er slechts aan denk!

Dat goeddoen narren, bidden blanken sticht';

Doch Aarons ziel zij zwart als zijn gezicht!

(Aaron af.)

TITUS. O, hier hef ik deze eene hand ten hemel,

En deze zwakke stomp hang' neer,--ter aard.

Heeft een'ge macht met arme tranen deernis,

Die roep ik aan.--(Tot Lavinia.) Wat! wilt gij met mij knielen?

Ja, goed; de hemel moet ons smeeken hooren,

Of wij ontglanzen 't hemelwelf met zuchten

En dooven 't licht der zon met damp als wolken,

Die soms haar hullen in haar vochten schoot.

MARCUS. O broeder, spreek toch van wat moog'lijk is,

En barst niet uit in maatloos diepe klachten!

TITUS. Is dan mijn leed niet diep en bodemloos?

Zoo bodemloos moge ook mijn jamm'ren zijn.

MARCUS. Maar dat de rede toch uw klacht beheersch'!

TITUS. Indien er reden waar voor deze ellenden,

Dan kerkerde ik in perken al mijn wee.

Stroomt de aard niet over, als de hemel weent?

En, raast de storm, wordt dan de zee niet dol,

Zwelt haar gelaat niet op, 't gewelf bedreigend?

En eischt gij reden nog voor dezen storm?

Ik ben de zee, hoor, hoe haar zuchten razen!

Zij is het weenend hemelwelf, ik de aard;

Zoo moet mijn zee wel van haar zuchten zwalpen;

Zoo moet mijn aarde van haar eindloos weenen

Een zondvloed worden, overstroomd, bedolven.

Mijn ingewand kan al dit wee niet bergen;

Ik spuw het uit, gelijk een dronkaard doet.

Vergunt mij dit; vergund wordt den verliezer,

Dat hij met bitt're tong zich lucht verschaff'.

(Een Bode komt op, met twee hoofden en een hand.)

BODE. Eed'le Andronicus, slecht vergeldt men u

Die goede hand, die gij den keizer zondt.

Hier zijn de hoofden van uw eed'le zoons,

En hier uw hand, met hoon u weergezonden;

Uw smart hun spel, uw kloeke moed hun spot.

Dit wee is mij, bij 't denken aan uw wee,

Meer leed dan 't denken aan mijns vaders dood.

(De Bode af.--Titus bezwijmt.)

MARCUS. Sicilië's gloeiende Ætna moog' verkoelen,

Mijn hart zij nu een eeuwig laaie hel!

Dit leed is grooter dan te dragen is.

Meêschreien met die schreien brengt wel troost,

Maar leed, door hoon verscherpt, is dubb'le dood.

LUCIUS. Ach, dat deze aanblik zoo diepgrievend is,

En toch 't gehate leven niet ontvliedt!

Dat nu de dood het leven leven nog

Laat heeten, schoon het niets dan aad'men is.

(Lavinia kust Titus.)

MARCUS. Arm kind, die kus brengt heul noch troost, zoomin

Als ijskoud water een verkilde slang.

TITUS. O, wanneer neemt die schrikb're slaap een eind?

MARCUS. O zoet bedrog, vaar heen; sterf, Andronicus.

Dit is geen droom; zie uwer zonen hoofden,

Uw dapp're hand hier, uw verminkte dochter,

Uw andren zoon als balling, wien deze aanblik

Bleek, bloed'loos maakt; en zie uw broeder, mij,

Hier als een steenen beeld, zoo koud en roerloos.

O, thans zal ik uw klachten niet meer stremmen.

Ruk uit uw zilv'ren haar; knaag de and're hand

Vrij met uw tanden; en dit schriktooneel

Sluite ons voor goed de onzalige oogen toe!

Kom, nu is 't razenstijd; wat zwijgt ge nu?

TITUS. Ha, ha, ha!

MARCUS. Wat lacht gij nu? dit past niet bij deze ure.

TITUS. Ik heb geen tranen meer te storten over;

En dan, die jammer is een vijand, die

Mijn vochtige oogen overmeest'ren wil,

Ze door een cijns van tranen blind wil maken;

Hoe vond ik dan den weg naar 't hol der wraak?

Ja, want mij is 't, als spraken die twee hoofden,

En dreigden, dat ik nimmer zalig wordt,

Eer al die gruw'len ruim vergolden zijn,

Diep in den strot van hen, die ze begingen.

Kom, laat mij zien, wat taak ik heb te doen.--

Gij zwaar bezochten, schaart u om mij heen,

Opdat ik mij tot ieder uwer keere

En aan mijn ziele zweer', uw leed te wreken.--

Ik deed dien eed.--Kom, broeder, neem een hoofd;

In deze hand wil ik het ander dragen.

Ook gij, Lavinia, krijgt hier iets te doen,

Draag gij mijn hand, lief kind, met uwe tanden.

En gij, mijn jongen, spoed u uit mijn oog;

Gij zijt een balling; dralen moet gij niet.

IJl tot de Gothen, zamel daar een leger;

Hebt gij mij lief,--ik denk, dat gij het doet,--

Zoo kus me en ga, want deze zaak wil spoed.

(Titus, Marcus en Lavinia af.)

LUCIUS. Vaar, Andronicus, eed'le vader, wel,

Rampzaligst man, die ooit in Rome leefde!

Vaarwel, trotsch Rome; u laat, tot hij hier keert,

Thans Lucius panden, dierb'rer dan zijn leven!

Vaar gij, Lavinia, eed'le zuster, wel;

O waart gij als gij vroeger zijt geweest!

Doch thans leeft Lucius, leeft Lavinia niet,

Dan in vergetelheid en naamloos wee.

Zoo Lucius leeft, dan wreekt hij ras uw smaad;

De trotsche Saturninus en zijn gade,

Zij zullen door hem beed'len aan de poorten,

Als eens Tarquinius en zijn koningin.

Thans naar de Gothen; 'k zamel daar een macht,

Die mij op Rome en Saturninus wreek'.

(Lucius af.)

Titus Andronicus(#23676) · 第 16 / 32 题