weer den fraaien vondst, waardoor hij het biechten van Beatrijs verving,
maar wij voelen tevens, dat wij nu ook met dien "pelgrim, moede en
grijs," eerst recht midden in de edelaardig-romantische ballade zijn
aangeland, hetgeen dan ook onafwendbaar was, want zooals de
middeleeuwsche dichter ons door zijn van leven-blakende realistische
beschrijvingen langzaam voerde naar zìjne oplossing, puur-menschelijk in
het kader van zijn tijd, en ons den man niet spaarde, die zijn lief in
den steek laat; de verlaten vrouw niet, die van ontucht leven moet; en
over al dat aardsche de heerlijkheid van het wonder en Beatrijs'
visioenen liet stralen; zóó moesten wij ook wel na het vage sprookje
van Boutens, en na in plaats van den mensch Beatrijs de
kinderlijk-pure en heilige Beatrijs te hebben gevonden, belanden bij
den vromen, grijzen en moeden pelgrim van alle edelaardig-romantische
ballades. Dat ten slotte Boutens' Beatrijs, ongelijk de middeleeuwsche,
geen kinderen heeft, is dan ook volkomen in den haak: niet alleen reeds
dat rechtgeaarde ballade-minnaressen nóóit kinderen krijgen, maar ik ben
er zeker van, dat ook het decadent moderne vrouwtje, 't geen zooals ik
reeds opmerkte, Beatrijs óók is, en dat uit des dichters ziel in haar
figuur is overgefladderd, tegen kinderen-krijgen ernstig bezwaar zou
hebben gehad!...--Maar, zal ongetwijfeld menigeen zeggen: is het feit,
dat dit verhaal ex voto is geschreven en aan "Charlie en Elsje"
opgedragen, niet voldoende verklaring en--zoo ge die noodig mocht
achten--verontschuldiging voor zijn gemis aan werkelijkheidszin; voor
zijn gebrek aan menschelijkheid; voor zijn ontstentenis van bijna
alles waarin de middeleeuwsche dichter zoozeer heeft uitgemunt; voor,
ten slotte: zijn herabwürdigung van het mirakelverhaal tot een
sprookje?--Daarop behoort dan echter m.i. met de meeste beslistheid
een ontkennend antwoord te worden gegeven. Men houde niet wat slechts
gevolg is voor oorzaak. Niet omdat hij kinderen nu eenmaal beloofd
had, dit gedicht voor ze te schrijven, werd des dichters geest zóó, dat
hij dat kòn; maar omdat zijn geest zóó was, dat hij 't zóó kon en mòest
schrijven, kon hij dat ook dien [p.285] kinderen beloven. Zeer wel
denkbaar is het geval, dat hij slechts een Beatrijs van deze soort
ware gaan schrijven, omdat hij 't nu eenmaal kinderen had beloofd, en
't dus daarom in zekeren voor kinderen verstaanbaren stijl moest
dichten, maar dàn ware zijn gedicht onherroepelijk een prul geworden.
Dat 't dit niet werd, en integendeel een fraai kunstwerk, bewijst
dat zijn belofte en zijn voor-kinderen-schrijven overeenkwamen met
waartoe zijn scheppende kracht hier in staat was en waartoe zij was
geaard, zoodat dan ook dit "ex voto" en de opdracht "Voor Charlie en
Elsje", van de meest volslagen onwaarde ter verklaring of
"verontschuldiging" zijn.--En hiermede zij nu de bespreking van Bouten's
Beatrijs beëindigd. Immers, ik meen, naast veel anders, ook te hebben
aangetoond, van hoe een buiten-het-aarde-leven-staande sprokige
vaagheid dit gedicht is; maar wat deze eigenschap op haar beurt weer
bewijst, dat kunt gij in mijn vorig opstel vinden. Thans nog een enkel
artikel over de Navertelling van R.J. Spitz.
Noot:
[5] Alle cursiveeringen zijn van mij.
* * * * *
V.
Beatrijs, naverteld door R.J. Spitz
De heer Spitz heeft ongetwijfeld een voortreffelijk werk gedaan, met de
Middelnederlandsche Beatrijs "na te vertellen," d.w.z.: behoudens
enkele uitlatingen en wijzigingen, waarop ik zoo dadelijk zal terugkomen
--te vertalen. Maar die voortreffelijkheid zie ik vooral daarin, dat
zijn arbeid wellicht menigeen zal aansporen het oorspronkelijke te
gaan lezen, met behulp van zijn overzetting, waardoor het voor
ongeoefenden zoo lastige en vervelende naslaan van een woordenboek kan
worden vermeden. Want--en hierop lette men wel:--zoude zijn werk sommige
lezers er toe brengen zich met dat werk alléén tevreden te stellen, dan
is m.i. de verdienste van dezen vertaler in een schuld, en geen
geringen, verkeerd. Een schuld, niet jegens die lezers, die allicht
toch nooit op de gedachte zouden zijn gekomen, het oorspronkelijke te
lezen, maar jegens den ouden dichter, wiens werk zulke [p.286] lezers
zich nu misschien verbeelden zóó te hebben leeren kennen, dat zij het in
zijn ware en diepste wezen konden beluisteren, terwijl dit absoluut niet
het geval is. De vertaling is, in den min of meer luchtigen zin, waarin
journalistische critiek zulk eene qualificatie pleegt cadeau te doen,
een goède vertaling; maar de literaire kunst-critiek, of hij die hàre
middelen gebruikt, om nog onervarenen wat kunstgevoel bij te brengen, en
hetgeen zij daarvan bezitten zuiver te houden--diè kan zulk eene
overzetting eenige ernstige bedenkingen niet sparen. Wat mij betreft:
vooral deze twee dingen vielen mij in de vertaling en in den vertaler
op: 1 °. dat zij geen kunstwerk is en hij geen noemenswaardige
kunstenaarsgaven bezit; 2°. dat zij beiden te fatsoenlijk zijn. En zij
het, dat men mijne bevoegdheid van literair criticus in twijfel zou
mogen trekken, wel niemand zal mij het recht ontzeggen, te beoordeelen
waar het "te" der fatsoenlijkheid begint, want bedenkt: heb ik niet meer
dan een kwarteeuw op klooverswinkels gewerkt en vormden diè niet immer
de hoogeschool van het fatsoen?... Zoodat ik dan ook dáármee begin!
De eerste maal dan, dat de heer Spitz, bij het maken zijner vertaling
een aanval van te-groote-fatsoenlijkheid kreeg, was bij de passage,
waar, terwijl Beatrijs en haar minnaar, den morgen na de nachtelijke
vlucht uit het klooster, het bosch en bloemenveld voorbij rijden, de
minnaar aan het woord is. Dan luidt de vertaling aldus:
"Lief," zeide hij, "ware 't U gevallig, we zouden van het paard
kunnen stijgen en bloemen plukken. Ik denk dat het hier heerlijk
zijn zal."
Hier heeft nml. de heer Spitz het vers:
Laet ons spelen der minnen spel
verdonkeremaand.
En de tweede aanval overviel hem--en als literair arts fluister ik ù,
die 't toch weten moét, in: twéé zulke aanvallen, zóó kort na elkaar ...
dat is bepaald gevaarlijk ...--als Beatrijs antwoordt. Dan aldus de
vertaling:
[p.287]
"Wàt zegt ge," antwoordde ze toornig, "onbeschaamde dorper, zou ik
neerzitten op het veld, 'lijk een vrouw, die geld wint met haar
lichaam, waarlijk, ik zou weinig schaamte moeten kennen. Dit zoudt
ge niet gezegd hebben, hadt ge niet den aard eens dorpers! 't Mag
mij wel rouwen, dat ik met u ben gegaan; God's straf verdient ge,
door mij zoo iets te durven voorstellen. Houd voortaan zulke taal
voor u en luister naar de vogels, hoe ze zingen en hoe blij ze
zijn, dan zal de tijd u niet zoo lang vallen. Als we eenmaal in de
eenzaamheid van het echtelijk slaapvertrek bijeen zijn, dan moogt
ge doen wat ge nu verlangt. Er is groote droefheid in mij om wat
ge van mij gevraagd hebt.
Hier is het door mij gecursiveerde gedeelte een verfatsoenlijking van:
Alsic bi u ben al naect
Op een bedde wel ghemaeckt,
Soe doet al dat u ghenoecht,
Endedat uwer herten voeght;...
De heer Spitz heeft, toen hij aan deze beide flauwten, die
tegelijkertijd flauwiteiten waren, toegaf, en zich niet als een kerel op
de been hield, verscheidene dingen uit het oog verloren, welke hij beter
erin hadde gehouden.
1°. Door dien eenen versregel uit het voorstel van den minnaar te laten
vervallen en toch Beatrijs haar bulder-antwoord te laten geven, wordt
het vóórstel, in zijn juisten zin, pas verstaanbaar door de weigering
ervan! En zal het tevens gebeuren, dat de lezer verontwaardigd
uitroept: "Wel, dat is me 'n lieve zus, dat onschuldige nonnetje, diè
het 't achter de mouwen; die snapt werachies nog eerder wat die jongen
van haar wou dan ik 't deed!", zoodat: de heer Spits wel erg fatsoenlijk
is gebleven, máár: Beatrijs ònfatsoenlijk heeft gemaakt!
2°. Dat een ontvluchte non--en dan nog wel eene met het gevoel en het
bewustzijn van Beatrijs!--tot haar minnaar spreekt van "het echtelijk
slaapvertrek," dat hen zou wachten, is een onbetaalbare zotheid. Maar
bovendien: men vergelijke eens vooral de beide laatste regels in het
citaat uit het origineel, met dat: "dan moogt ge doen [p.288] wat ge nu
verlangt." In de eerste voelt ge de levenswarme kuischheid van de vrouw,
die, zelve véél meer liefdevol dan zinnelijk, uit liefde den man het
te-veel aan zinnelijkheid in zijn liefde vergeeft, omdat zij begrijpt:
dat is nu eenmaal des mans--en hem toegeeflijk-belovend berustigt; in de
woorden der vertaling daarentegen voelt ge: de
pruimenmondjes-preutschheid van de woord-kuische. Dit laatste wordt
namelijk veroorzaakt doordat de regel: "Ende dat uwer herten voeght"
niet juist is overgezet, waardoor de voorstelling der
gemoedsliefde--opluwend in het origineel uit het woord herten--hier
heelemaal niet bij Beatrijs schijnt te bestaan en zij alléén de
aanstaande grof-zinnelijke daad schijnt te zien, waarmee ze dan tevens
natuurlijk het overheerschend-zinnelijke van haar eigen voelen verraadt!
En overigens: had de heer Spitz niet kunnen en moeten begrijpen, dat
hij, door dat "middeleeuwsch-ruwe" moderniseerend te "beschaven," iets
van het tijd-eigenaardige uit het gedicht wegsneed en hiermede allicht
zijn levensduur bekortte, want dit is toch wel één van de oorzaken--zij
het een zeer bijkomstige--van het voortleven van een kunstwerk uit
vroeger tijd: dat de begeerte naar de allerfijnst-intieme èn
psychologische kennis van dien tijd er door bevredigd kàn worden, soms,
als nergens anders?... Ach, wij menschen!... wij klagen over "den tand
des tijds," en laten ons-zelf als valsche tanden--en hòe valsch!--in
zijn kaken zetten, om zijn knaagvermogen te verhoogen!...
* * * * *
"Maar," werpt ge mij tegen, "behoort dàt allemaal onder de rubriek "te
fatsoenlijk" thuis; kan men het niet evengoed onder het hoofd: "Tekort
aan kunstenaarschap" rangschikken?" En inderdaad, mijne geachte jonge
vrienden, die tot mijn matelooze verrassing nog niet door deze
verhandeling in-slaap-verveeld zijt--als ge mìj vraagt: ik weet 't zelf
niet.... Daar zijn van die grensgevallen.... Maar komaan, laat ons niet
twisten over een naam! Ziehier nog zoo'n grensgeval: de heer Spitz
schijnt nu eenmaal een onuitroeibaren haat tegen "zoogen" [p.289] te
hebben. Waar hier met geen mogelijkheid eenig fatsoenlijkheids-begrip in
't spel kan zijn, ben ik geneigd te vragen: heeft hij een agentuur van
zuigflesschen, of de vertegenwoordiging van 't een of ander kindermeel,
dat hij met het wóórd "zoogen" wellicht ook de dààd uit de wereld wil
helpen? Het blijft gissen. Maar ongetwijfeld is 't een ònschuldig
genoegen, dat men zich verschaft, wanneer men "die God soghede" met
"Gods Moeder" vertaalt. Edoch, deze "zoogen"-haat wordt een bepaald
duivelskwaad, als men "diene soghede" overzet met: "die hem de
moederborst reikte." Hier is het geen grensgeval meer; hier zijn we
zèker en middenin bij het gebrek aan fijn taalgevoel, bij het
tekort-aan-artisticiteit aangeland. Het is natuurlijk een goedkoope
aardigheid, om den vertaler te vragen, of dat "aanreiken" hier, waar het
toch een god gold, op een zilver dan wel een goud presenteerblaadje
geschiedde; maar die goedkoope aardigheid welt dan ook vanzelf naar de
lippen, als weerslag op de àllergoedkoopste want tot den laatsten draad
toe afgedragen en nietswaardige rhetoriek der vertaling, hier. "Muziek
lokt van een ziel muziek weer los," zong Gorter. En hier hei-je daarvan
nou 'ns 'n verrukkelijk voorbeeld!--Is het ook niet evenzeer rhetorisch,
als men dit stuk, met dien prachtigen door mij gecursiveerden regel:
Daar die voghele hadden feest.
Si maeckten soe groot gescal,
Dat ment hoerde overal ...
vertaalt met: "waar de vogels luide en jubelend hun lied zongen"?
(daarbij op den koop toe--ik zei toch: rhetorica is niet duur!--den
mooisten regel totaal verdonkeremanend!) Neen, onze vertaler heeft
nergene het fijne gevoel eens kunstenaars gehad, noch waar hij liet
vervallen, noch waar hij toevoegde. Ai, zou ik den heer Spitz willen
zeggen, het "gij zult er niet aan toevoegen en er niet van afnemen," dat
is ook voor de vertalers van de groote dichters geschreven!--Nòg een
voorbeeld van "eraf nemen." Als de heer Spitz schrijft:
[p.290]
Ze zond den jongeling, tot wien ze zoo groote liefde droeg een
brief, waarin ze hem verzocht, dat hij zeer spoedig tot haar komen
moest; ook hem zou daaraan veel gelegen zijn. De jongeling las den
brief, dien zijn vriendin hem zond en in zijn hart was vreugde.
Snel maakte hij zich op om tot haar te gaan.
dan kapt hij tusschen: "veel gelegen zijn" en: "De jongeling las" dezen
versregel weg:
Die bode ghinc daer de jonghelinc was
en ook vóór: "las" de woorden: "Hi nam." En dat alles had hij volstrekt
nièt mogen doen. Hij heeft waarschijnlijk gedacht: die oude dichter had
te veel den tijd, wat is-ie breedsprakig. Mis, waarde Heer. Met dat
in-stukken-hakken-der-handeling, in dat verlangzaamde tempo--dat uit die
"breedsprakigheid" is ontstaan--is de plechtigheid en het gewicht
van dit voor Beatrijs supreeme levensmoment, dat over heel haar
toekomst beslist, gebeeld: tot plasticeerenden klank en rhythme
geworden!
En nu een toevoeging. De dichter zegt:
Nu gaet si met groten weene
Ten cloester waert moeder eene.
De vertaler schrijft:
In diepe droefheid gaat ze naar het klooster--moederziel alleen
--door de stille geheimenis van den nacht.
Van het door mij gecursiveerde is in den origineelen tekst niets te
vinden. De heer Spitz heeft hier vermoedelijk gedacht: ik zal dat nou
'ns op z'n "modern-stemmingvols" móói maken. Maar ach, waarde Heer, ge
hebt het leelijk gemaakt, want er kon ons waarlijk niets ergers
gebeuren, dan dat het "stemmingvolle" gezicht van het moderne hier om
dit eeuwenoude kerkhoekje kwam kijken....--[p.291] En dan: een waarlijk
kunstenaar-vertaler vertaalt niet slap, ten minste niet zóó slap. Als
hij in een door hem te vertalen gedicht een sehàt ontmoet als deze:
Goet berou mach als (kan alles) ghewouden
(een schat: omdat in dat ééne woord ghewouden = overweldigen, macht
krijgen over iets, de mystieke strijd van den zondaar met de zich nog
terughoudende genade Gods is geheeld), dan weet hij niet hoè
spoedig, en niettemin met hoè voorzichtige en teeder-aanrakende handen,
hij die zal bergen in zijne overzetting; en hij dènkt er eenvoudig niet
aan, zóó iets sterks en groots met het slappe: "welgemeend berouw
brengt immer vergeving" te vertalen. Maar ook, en ten slotte: al
zouden deze voorbeelden ons niet het tekort aan kunstenaarsgaven van den
vertaler hebben bewezen, dan nog zouden wij dit hebben bemerkt aan het
feit, dat in dit proza geen "stem" klinkt, er geen persoonlijk
rhythme, als eene alles dragende flonkerende, of grijze, doffe stroom,
door vloeit, dat ons het in de vertaling natuurlijk verdwenen rhythme
van den ouden dichter althans éénigszins zou kunnen vergoeden. De heer
Spitz zal hier wellicht brommen: waartoe dit verwijt, heb ik mij dan
ooit voor kunstenaar uitgegeven? Neen, antwoord ik dan, maar men heeft
het recht te verwachten, dat gij het in voldoende mate zult blijken te
zijn, indien gij een werk als dit onderneemt. Gij hebt--de fout van
zoovelen--het waarachtige, maar niet genoegzaam sterke schoonheidsbesef,
dat ge u eigen wist; de piëteitvolle liefde, die ge voelde--en wier
beider wezen men dan ook wel degelijk in uwe vertaling bespeurt--met de
macht verward, die als schoonheid-herscheppende waarden te doen
gelden.... Neen, dit is uw werk niet, het is uw werk nòg niet, althans.
Het is arbeid voor een Boutens, een Van Suchtelen, een Verwey. En zoo
nauw luistert dit, dat ik zelfs denk, dat het wellicht ook geen werk zou
zijn voor bijv. onzen grooten en genialen Meester Jacobus van Looy,
omdat diens stijl allicht weer te zwaar en te verwikkeld voor zóó
naïeven eenvoud [p.292] zou blijken. Met uw Uit Hooft's Lyriek,
dáármee waart ge op den goeden weg: die kranige voorrede, daar zat iets
mooi-eigens in. Frank en fleurig droegt ge uw eigen gedachten voor, op
eigen toon. Doch dit vreemde was u te groot, en daarom kwam uw goede en
nog pas ontluikende eigenheid niet boven, maar daarentegen een nièt
goede, een als linksche, als hakkelende eigenheid, gelijk bij een
kind, dat uit schroom zich dommer toont dan het is, als het staat voor
den meester, dien gróóten, gewèldigen man. Hetgeen alles niet wegneemt,
dat ge, zooals ik reeds zei, een uitmuntend werk hebt gedaan, omdat ge
op iets kostelijks, het grootste deel van het lezend publiek nagenoeg
onbekend, weer de aandacht hebt gevestigd en dat gedaan hebt met ernst
en toewijding, want: met het volle talent, waarover gij
beschikte....--Doch over het algemeen ben ik van oordeel, dat men eerst
met het publiceeren van bewerkingen of vertalingen van andermans werk
mag beginnen, indien men reeds een zeker meesterschap verworven heeft.
Waarom?... Toen ik het diamantklooven leerde, sloeg ik menig kostbaar
steentje van m'n goeien leerbaas kapot, máár--mijn ouders hadden hem dan
ook een niet onaanzienlijk leergeld betaald.... Wàt echter zoudt gij een
dichter betalen, als ge zijn diamanten vergruizeld hadt?... Maar m'n
hemel, daar heb ik, maar pratend met den heer Spitz, heelemaal niet meer
tot m'n jonge vrienden gesproken. En waarachtig, statig zijn ze al aan
't knikkebollen. Heidaar!... Hola! wordt 'ns wakker.... Ik heb 'n goeie
tijding voor jullie.... Hoera! Hoera! die ouwerwetsche Beatrijs is
uit!... Kijk, daar stommelen ze al, zich de oogen bewrijvend, met blije
gezichten de banken uit....--
* * * * *
VERTALINGEN
Blz. 4 Du staunst: Gij verwondert U dat ik, mij een pad banend, moedig
den weg naar de hoogten der Wijsheid bestijg? Dezelfde geest die mijn
lichaam beweegt, is een het Al omcirkelend Wereldrad.--
Blz. 4 Ueber der Zeiten: Over der tijden bultigen weg rijd ik naar het
Eeuwige Leven en ik schrijd tot het Paradijs over de hel.--
Blz. 4 Mir war so kalt: Mij doorsneed zulk een huiverkoude, alsof ik
een lied van Samuel den Leviet hoorde.--
Blz. 5 Von Salomo: Van Salomo den Wijze was eens de Geest geweken:
toen vergeleek hij der tanden parelenrij met een lammerkudde.--
Blz. 5 Was soll mir's: Waartoe zou ik, de klankrijke dichter, zingen
voor zulk gespuis? Waar mijn tong toch ook mijn drietand kan zijn, is
het beter haar te gebruiken, om hen tot brij te hakken.--
Blz. 5 Eine wunderbare: Een wonderbare, groote vuurzuil des gezangs.--
Blz. 5 Die Sonne sinkt: De zon gaat onder, de nacht rijst op en met
goud omrand verschijnt de maan; in zee bewegen de sterren, gelijk
verdwaalde reizigers, rusteloos door verre landen trekkend.
Blz. 5 Heil Tyrus!: Heil U Tyrus! Uwen Wijzen heil. Hun naam hebben zy
mij in 't hart gedolven. En bij hun zee zich een tweede verworven: mijn
oog dat van tranen overvloeit.--
Blz. 6 "Il faut remarquer": "Men moet niet uit 't oog verliezen", zegt
Luzzatto, geciteerd bij Geiger, "dat de pederastie bij de Arabieren
(evenals bij de Grieken) in hoog aanzien stond, en de Joodsche dichters
van hun vrienden spreken alsof dezen hun minnaars waren.
Blz. 164 laisser entrevoir sa pensée: het laten doorschemeren van zijn
gedachte.
Blz. 168 "Absicht", die "verstimmt": bedoeling die ontstemt.
Blz. 197 Und nennt man: En noemt men de beste namen, dan wordt ook de
mijne genoemd.
Blz. 238 Or, if virtue: Of, zoo de Deugd te zwak ware (om ten Hemel te
stijgen) dan zou de Hemel nederdalen tot haar.--
* * * * *
BIBLIOGRAPHISCHE NOTITIE
De artikelen uit de jaren tot en met '16 zijn verschenen in De Gids.
De andere in het Weekblad voor Stad en Land.
De artikelen in het didactisch deel, in Het Jonge Leven.
* * * * *
INHOUD
I
CRITISCH
Oude en Nieuwe Joodsche Dichtkunst. (Naar aanleiding van en over
Jacob Israël de Haan's Het Joodsche Lied)--pag. 1
Maurits Sabbe: De Nood der Bariseele's--pag. 30
R. van Genderen Stort: Idealen en Ironieën--pag. 34
Joannes Reddingius: Een Romantische Jongen--pag. 37
Joannes Reddingius: Zonnewende--pag. 40
Frans Verschoren: Langs kleine Wegen--pag. 44
Maurits Wagenvoort: Het stijfhoofdige Bruidspaar--pag. 47
Samuel Goudsmit: In de Groote Leerschool--pag. 50
Mr. J. Dermoût: Singkep Tin--pag. 56
Wally Moes: Gooische Dorpsvertellingen--pag. 58
G.F. Haspels: Wisselend Uitzicht--pag. 61
Cornelis Veth: Gids voor Padvinders, Prikkel-Idyllen VI--pag. 65
Herman Robbers: Helene Servaes--pag. 68
H. van Loon: Trouweloozen--pag. 73
Cyriel Buysse: Oorlogsvisioenen--pag. 75
Victor Ido: De Paupers--pag. 78
P.A. Raëskin: Pastoor Horsman--pag. 80
Louis Couperus: De Comedianten--pag. 83
Felix Timmermans: Het Kindeken Jezus in Vlaanderen--pag. 86
M.J. Brusse: Een worstelaar--pag. 89
Een Antisemietisch Criticus? (Carel Scharten: Kroniek der Nederlandsche
Letteren, 1916)--pag. 92
G.J.A. van Bruggen: Als ge niet ... Dan! Een ver-beelding--pag. 104
Joh. de Meester: De kindsheid van Harlekijntje--pag. 108
R.J. Spitz: Uit Hooft's Lyriek--pag. 111
G. van Hulzen: Van den Zelfkant der Samenleving. Zijn kind--pag. 114
Herman Poort: Literatuur--pag. 117
Salamon Dembitzer: Een Zomer in Galicië. Vertaling door Arn. Saalborn--pag. 120
René de Clercq: Het Rootland--pag. 123
J.L. Gregory: Het Lied van de Zonde--pag. 126
Is. Querido: Van verbeelding en werkelijkheid--pag. 129
Ellen: Ariadne en Dionysos--pag. 133
A. van Collem: Liederen der Gemeenschap, Tweede Deel--pag. 136
G.S. Adama van Scheltema: Zingende Stemmen--pag. 139
Herman Poort: Gerbrand Adriaenszoon Bredero--pag. 142
Jo de Wit: Donker Geluk--pag. 145
Augusta Peaux: Gedichten--pag. 148
Jan Feith: Onze Mededieren--pag. 152
Het Helden- en Leerdicht van den Wereldoorlog. (Het Vuur door Henri
Barbusse. Vert. door Andries de Rosa)--pag. 156
Slagveld-Misère, Polemiek--pag. 178
Carry van Bruggen: Om de Kinderen--pag. 190
A.B. Kleerekoper: Oproerige Krabbels--pag. 194
Joost Mendes: De Santeljano's. Eerste deel; De Verweerde Jaren--pag. 199
II
DIDACTISCH
Jack London: Pit-tah, de grijze wolf. Vert. door S. Barentz-Schönberg.--pag. 205
Beatrijs (de Middelnederlandsche)--pag. 232
Beatrijs (door P.C. Boutens)--pag. 268
Beatrijs (naverteld door R.J. Spitz)--pag. 285
Vertalingen--pag. 293
Bibliographische Notitie--pag. 294