Als een mensch zich-zelven moe wordt; als hij een afkeer van zichzelf

krijgt; als al datgene wat tot dan zijn trots, zijn geluk, zijn hoogste

doel was, hem plots een ledigheid, een grauwte, een vertwijfeling en een

doellóósheid blijkt; als al datgene wat hem als zijn leven-zelf was, hem

als hèt levenlooze verschijnt--dàn, indien hij sterk en jong is en nog

niet het passieve van den uitgeleefde en welhaast-stervende heeft, dan

wendt hij zich meerendeels om troost, om een nieuw ideaal, tot het

tegengestelde van het oude, van alles wat hij vroeger zoo diep heeft

liefgehad. En gelijk de menschen, zóó de tijd, ja: méér dan de menschen

aldus de tijd, want betrekkelijk zelden schijnt deze--ofschoon ook dat

wel eens gebeurt--te sterven, d.w.z.: breekt abrupt af en wordt

opgevolgd door een, die een ander is dan hij, met als uitvaart-en

geboortklok-bronzen-donder een stormend luien als van de Fransche

revolutie tusschen beide in. En als zulk een tijd, zooals ik reeds zei:

schìjnt te sterven, welnu en inderdaad, dan is 't ook niet meer dan

schijn. Het was maar dat geweldig klokken-gebimbam, dat die illusie

bij ons wekte. Is dat verklonken, is de revolutie voorbij, dan blijkt

wel de tijd toch niet te zijn opgevolgd door een ander, maar hij

zelf is 't, die voortleeft, hij de onder een nieuwen schijn nog in zoo

òverveel òude, hij die is gegroeid, opgebloeid, òf als gekrompen, als

verminkt--hij dezèlfde. Ons geloof in revoluties, als--versta wel:--het

als-bij-tooverslag-alles-veranderende, is mede, dunkt mij, in ons

ontstaan, door ons onbewust verwarren van wat in ons-zelf noodzakelijk

en goed is met dat wat voor de menschheid het goede mag heeten. De

menschenziel heeft, als al het individueele leven, dat zij om zich heen

ziet, den dood noodig, voor haar eigen ontwikkeling--en zoo zij dit nog

niet inziet, dan begrijpt zij toch: voor de ontwikkeling van haar

soort--den dood: dat is haar revolutie, en derhalve concludeeren

[p.269] wij onbewust: ook dat sociaal en cultureel geheel, dat we "een

tijd" noemen, heeft dien dood: die revolutie van noode. Maar zooals ik

reeds zei: óók zelfs die schijn-dood ontbreekt bij den tijd bijna

geheel, en als hij zich-zelf moe geworden is, als hij een afkeer van

zich-zelf krijgt, dan wendt ook hij zich om troost en verheffing naar

een nieuw ideaal, en al de niet-uitgeleefden, al de niet welhaast

stervenden, allen, die werkelijk geestelijk leven in zich hebben, wenden

zich en zoeken mèt hem.... Op de wijde levenszee wapperen en keeren dan

al die duizenden kleinere en grootere vaantjes, in dien dwingenden

wentelstorm des tijds, waarvan te nauwer nood één opperst-wijs en

veelwetend menschenkind kan berekenen, waaruit hij ontstond en waaròm

hij juist dàn opstak.... En evenwel, al die menschen, die zich wenden

mèt de wending des tijds, doen dat niet met het zelfde verlangen,

dezelfde hoop. Zij hebben vaak één schoonheid gemeen--anders dan het

enkele individu, van persóónlijke onlust bevangen--: dat hunne zielen,

niet-egoistisch, open stonden voor de nooden van den tijd, dat die de

hunne zijn geworden; diè schoonheid hebben zij gemeen, maar niet

hetzelfde inzicht in: hòe die nooden zijn te verhelpen. De proletariërs,

hatend het oude, dat hun niets dan druk en ellende heeft gebracht,

waarin zij geen schoonheid kunnen ontdekken, omdat het hùn nooit als

zacht en schoon verscheen, en de anderen er zich wel ter dege voor

hebben behoed den misdeelden te zeggen, hoe schoon het voor de

gelukkigen was--de Proletariers willen liefst volkomen afrekening

daarmede, zij keeren zich tot een visioen, dat is zooals nog niets

was. Hing het van hun wil alleen af, zij namen slechts dàt mee van het

oude, waarvan zij voelen, dat het 't oude-zelf vijandig is. Zoo werd

datzelfde beunhazig, Multatuliaansch filosofisch-materialisme, waarover

ik vroeger sprak, intuïtief door hen zoo geestdriftig omhelsd, omdat het

een machtig vijand van den kerk-dwang en de kerk-verdomming was,

den dwang en verdomming, die het taaist, het huichelachtigst en het

langst het proletariaat zullen pogen te knechten. Intuïtief namen

zij het mede, geestdriftig als ware dat-zelf hun doel; maar

langzamerhand, als zij verstandelijk gaan begrijpen, als zij logisch

[p.270] gaan dènken, dan blijkt dit "doel" hun maar een middel tot het

echte doel te zijn, ja: slechts een middeltje, een dat op de koop toe

zóó, zonder verbetering, niet is te gebruiken. En ook die verbetering,

die veredeling waren wij zoo gelukkig zich te zien voltrekken: in den

geest van de besten hunner verandert die onbekookte "filosofie" in een

drang, om nauwkeurig met de werkelijkheidsfeiten rekening te houden,

om empirisch te werk te gaan--de phrase, het geschetter verachten zij.

Groote winst ongetwijfeld, al blijft hun vaak en lang het nadeel van een

onoverwinnelijken weerzin tegen alle speculatieve en zich met het

bovenzinnelijke moeiende ideologieën. Hun geluksvisioen toetsen zij aan

de werkelijkheid, voortdurend, dag aan dag en uur aan uur, en als zij

iets hebben gemaakt, dat op een deeltje van hun ideaal wel lijkt, maar

het niet is, dan zeggen ze: "neen 't is het niet, het deugt niet." Al

dwingt hun de werkelijkheid het minst-kwade van twee kwaden te

kiezen--zij hèbben een klaren blik gewonnen en die heeft hun geleerd een

hekel aan surrogaten te hebben.--Anders de bourgeoisie in den

kenterenden tijd: diegenen onder haar--op enkele zéér sterk-geestelijke,

met het proletariaat medetrekkenden na--die van het heden àf willen,

omdat het hen onbevredigd laat, omdat zij er zich door voelen besmeurd;

hun verlangen gaat, nu zij iets anders willen, niet naar iets

geheel-nieuws--daarvoor zijn zij aan dat oude, dat hun zooveel geluk

en schoonheid heeft gebracht, te zeer verknocht--maar het gaat naar het

goede en schoone van het oude (het liefst zéér oude: vèr vóór hun

heden), 't welk ze, uit het oude geheel gesneden, tot iets nieuws willen

fatsoeneeren, dat de distinctievolle bekoring van het voorbije toch niet

mist. Hun geest, door afstamming en cultuur vaak, bewust of onbewust,

reactionnair en retrogade, acht het heden, dat hem niet bevredigt,

niet een verdere ontwikkeling zooals zij gaan moest, van het

verleden, en waarvan de nadeelen en gebreken wéér door een verdere

ontwikkeling in de toekomst zullen moeten opgeheven worden, maar hij

acht dat heden een verbastering van dat verleden en wil dáárheen

terug. Zien de socioloog en de politicus de uitwerking dezer

geestesgesteldheid in het economisch en staatkundig leven, de [p.271]

letterkundige ziet haar niet minder sterk in de literatuur, maar het

niet geringe voordeel, dat den laatstgenoemde boven de eersten te beurt

valt is dat hij vaak een toch zeer zeker schoone uitwerking ziet, en

de socioloog en politicus zelden of nooit iets anders dan een

leelijke. En van dat wedervaren van den literator, ga ik u nu een

voorbeeld geven, want de geest van Boutens als dichter van de

Beatrijs, is een van die retrogade en naar het héél oude verleden

tastende geesten, en als zoodanig heeft zijn aard zich volledig èn ook

in zeer treffende schoonheid in dit zijn werk geuit. Duidelijk

aantoonbaar, ziet men hem in dit gedicht naar het oude grijpen, en een

schoon, hem passend deel daaruit snijden en tot iets nieuws

fatsoeneeren. Immers aldus zit de zaak in elkaar--en nu moet ge eens

extra goed opletten, want ik geef u nu als 't ware het program voor,

de samenvatting der vergelijkende analyse, welke volgen zal--: de

middeleeuwsche mirakelenverzameling, waarvan de Beatrijs-legende deel

uitmaakt, was een compilatie van verhalen aan wier historische

waarachtigheid de schrijver-zelf zoowel als het overgroote meerendeel

zijner middeleeuwsche lezers even zeker geloofden, als gij,

bijvoorbeeld, aan het bestaan van uw lichaam. En onder hen, die onze

legende hoorden of lazen, behoorde ook de dichter van de Sproke van

Beatrijs, waarmede gij in mijn vorige artikelen hebt kennis gemaakt. En

zooals nu al zijn tijdgenooten, die het verhaal hadden gelezen, er vast

in geloofden en er hun godsvrucht door voelden gesterkt en geheven, zóó

precies, zóó en niet anders geloofde ook hij en voelde er zijn

godsvrucht door gesterkt; maar: omdat hij een dichter van nature

was, gebeurde in hem nog iets meerders: uit zijn gestegen religieus

gevoel voelde hij een schoon dichtwerk opzingen en hij schreef die zang

op, wellicht in vreugde om de schoonheid-zelf, die hij voelde te

geven, maar zeker verheugd, omdat hij dit reine offer op het altaar

van zijn God kon leggen. Anders Boutens--ik voel mij er zeker van: als

men Boutens zou vragen: "Gelooft gij er waarlijk aan, dat een houten

beeld door de Moeder Gods in een haar tijdelijk dienend lichaam werd

veranderd (zóó is de in zijn Beatrijs op zich-zelf zeer

schoon-gevonden voorstelling), om [p.272] voor een het klooster

ontweken non de dagelijksche taak waar te nemen?" hij zou moeten

antwoorden: "Daar geloof ik niets van", en zelfs: "Van de historiciteit

van het heele mirakel geloof ik niets." En dat, als men hem dan opnieuw

zou vragen: "Wat gelooft ge dan daaromtrent eigenlijk wel, want uw fraai

gedicht blijkt mij toch zekerlijk in religieus gevoel gedrenkt en er

gansch van doortrokken?" hij allicht dit wederwoord zou geven: "Als ge

mij dat zóó vraagt, kan ik u niet antwoorden; mijn religieus gevoel is

wel diep, maar zal, omdat het toch mijn hééle zijn niet vult--het

verband ervan met mijn rede bijvoorbeeld is uiterst los--den schijn

van een uiterste en vervluchtigende vaagheid niet kunnen ontkomen,

zoodra ik het in preciese, redelijke begripstermen, in plaats van in

beeldende voorstellingen, zou willen kenbaar maken. Ik denk eigenlijk,

dat mijn algemeen religieus geloof meer een soort van neo-katholiek,

vaag mysticisme, een hijgen-naar-geloof is, dan geloof-zelf.... Deze

tijd, ziet ge, stoot mij af; nu strek ik mijn verlangende handen uit

naar de middeleeuwen, en naar het kostbaarste en allerheerlijkste dat

deze bezaten: hun eerlijk, eenvoudig, kinderlijk en hart-diep,

onwrikbaar Godsgeloof en ik zeg mij: de bijzondere vorm van hun

godsgeloof, die kinderlijke vorm, kan de mijne niet zijn, maar het

daarin brandende sentiment moet toch wel sterk verwant, ja gelijksoortig

aan het mijne zijn, en dàt mòet ik nu eenmaal, ook als dichter, uiten

... dàt is mijn lèven.... O, kon ik, zoo sprak ik tot mijzelf, al ware

't maar één hunner oude vormen van mijn sentiment vol maken en doen

blozen, want om gansch nieuwe vormen, niet vage maar tastbare, te

scheppen, daarvoor schijnt, helaas en helaas, mijn religieus sentiment

weer niet stèrk genoeg te zijn...."--Zóó, denk ik, zou Dr. Boutens

kunnen antwoorden, en dat ik goede redenen heb, aldus te denken, hoop ik

u zoo aanstonds door mijn analyse te bewijzen. Nu eerst dit nog: wat,

dit alles nu eenmaal zoo zijnde, gebeuren moest, gebeurde. Vorm en

inhoud in de kunst, als in de natuur, zijn één. En precies zóó

stevig-tastbaar of onwezenlijk-vaag zal de vorm zijn, als de ziel,

het sentiment, dat zich erin belichaamt, [p.273] stevig-tastbaar of

onwezenlijk-vaag is. Zoo concreet-stevig, zoo tastbaar als het

religieuse sentiment van onzen middeleeuwer was, zoo concreet-stevig,

zoo aarde-leven-vol werd zijn Sproke, en zoo abstract-vaag als het

religieus sentiment van Boutens is, zoo abstract-vaag, zoo

buiten-het-aardeleven-staande werd zijn Beatrijs.--Daar was in de

middeleeuwen een zuiver-blanke, maar grove schotel van gering aardewerk;

daarop lag het Brood-des-Levens; die schotel ging den kring rond, en die

van het Brood aten, vonden ook, in hun verheerlijkende ziening, den

schòtel schoon. Maar onder hen zat een kunstenaar aan, en zijn hart

drong hem, om dien schotel, die zóó heiligen last droeg, met zijn

innigste kunst te versieren. En de etenden vonden den nu versierden

schotel wel schooner dan hij was, maar toch: onvergelijkelijk schooner

en beter en heerlijker nog: het Brood-des-Levens dat hij

droeg....--Zes eeuwen later staat weder een kunstenaar op; hij vindt

de antieke schaal, dier kleuren en beelden schijnen onder het licht van

dezen tijd verwelkt. Toch verstáát hij het sentiment van hem, die eens

ze schilderde. Welnu, ook zijn hart dringt hem bij dezen schoonen

aanblik: hij zal een dergelijke maken en beschilderen die met zijne

verbeelding der zelfde tafereelen.... Nu is zij gereed.... Maar waar is

het Brood-des-Levens, dat op de oude lag?.... Hij bezit 't niet.... Waar

trouwens de kring der etenden, die het onder innerlijk gebed in heilig

genieten zouden nuttigen?.... In deze tijden eet men niet dit Brood. Men

vréét het brood der schamelheid en der rampen, of het brood der rotte

weelde, uit de gore hondenhokken en van de decadent-broze

"eierschaal"-bordjes van het kapitalisme. In deze tijden ìs ook zùlk een

schotel geen gebruiksvoorwerp meer.... die is, ofschoon van modern

maaksel, tè antiek, haha, die is tè snoepig-mooi.... dat is 'n

wàndbord,dat hangt men aan den muur.... En zóó kwàm hij dan ook te

hangen; in het literaire salonnetje van meneer A., in 't geurig

boudoirtj'e van Mevrouw B., en overal in de doddige werkkamertjes van de

hoogere-burgertjes en gymnasiastjes Dela, Rie en Loes, waar-ie 't zoo

verrukkelijk "doet" naast 't portret van dien dirigent met den

interessànten kop, op wien nu lètterlijk iedereen verliefd

is....--Helaas ... armoede-in-rijkdom van een groot [p.274] dichter, te

zwak voor zìjn tijd, te zwak voor een vroègeren, en alleen sterk in zijn

dróóm.... Nu neem ik dat wandbord in mijn hand, want ik wil het met u

van nabij bekijken; ik wil pogen waar te maken, wat ik heb beweerd.

* * * * *

Aldus is het verhaal in Boutens' Beatrijs: Een zeer reine en volmaakt

aan God en Maria overgegeven non leidt in een klooster een begenadigd

leven. Ze is een ideëele figuur van zieleschoonheid, welke, als in haar

volmaakt-natuurlijken vorm, zich in lichaamsschoon heeft gehuld. Zij is

een dier van God-gezegenden, voor wie de menschenharten zich dadelijk

openen, door wier aanblik de vreugde hooger bloeit, het leed al wordt

gelenigd, terwijl zij-zelf, als ze anderer smart verlicht, door die mede

te helpen dragen in haar liefderijke zorgen, dit uit zóó puur-ingeboren,

natuurlijke aandrift doet, dat die in haar gekomen smart haar niet drùkt

en vertroebelt. Voelen de andere nonnen te leven in een "donkre dal van

smart" en bidden zij Maria, dat Zij daarin een glimp van genade moge

zenden, bij haar is 't anders.... Maar kom, maak gij zelf nu maar eens

kennis met de zuivere, stille verzen van dezen dichter, met zijn

waarlijk-verrukkelijke stem:

Maar of zij vastte of zong of bad,

Haar was of heur leven zelf bewoog

In de straten van Gods lichte stad

En onder Moeders oog.

Zoo was haar doen één zuivre vreugd:

Een orgel dat speelt zacht en ver

Zijn hymnen aan Maria's deugd:

O Hemels Deur, o Morgenster!

Maar helaas, het klare vijvervlak dier blije ziel blìjft niet zoo

rimpelloos en onbewogen. Eens op een ochtend uitgegaan, om pijn te

verzachten, een ongelukkige te troosten--de dichter verhaalt dit op deze

schoone wijze, waarvan ik het meest opmerkelijke cursiveer:

[p.275]

En eens op een ochtend in den Mei

Ging ze uit waar smart haar blijdschap riep,

Langs akker en blanke huizenrij,

Toen alles sliep.

--eens alzoo op een ochtend uitgegaan:

En buiten het dorp aan der wegen sprong

Kwam door den morgen haar temoet

Een stem die met den leeuwrik zong.

Een ridder goed.

Bij het eerste hooren, bij de eerste aanschouwing, treft die stem haar

reeds zoo diep in 't hart, overstelpt die aanblik haar zoozeer, dat:

Zij kon niet hooren wat hij sprak--

Was het een vraag, was het een groet?--

Het was als zong de wind door den tak:

Ik min u goed.

Niets dan dit vervulde haar gewaarworden. En daar zij hem aanzag, zag

zij ook niet zijn schóónheid, maar slechts:

......in oogen brandend klaar

Smart die zij niet verstond.

In het klooster weergekeerd, hóórt zij niets dan diezelfde zoete stem,

niet anders dan diezelfde onverstane woorden-als-een-lied; vòelt zij

niet anders dan dien "gouden pijn," één zoete foltering. En echter--maar

let tevens eens op het diepe wijsheidsschoon van de door mij

gecursiveerde regels--:

Geen van haar zustren speurde haar leed,

Geen van haar zustren sprak ze ervan,

Omdat die zelve ziet en weet,

Alleen vertroosten kan.

Dit is, tot het einde, de korte inhoud van wat men den "eersten zang"

van het gedicht zou kunnen noemen.

[p.276] En verder gaat nu het klare verhaal aldus:

In de stille hal aan den witten wand

Stond een aloude Lieve-Vrouw

In strakke plooi en steilen stand

Van donker-eiken rouw.

Die was de vertrouwde van Beatrijs,

En alles wat zij deed en dacht,

Verhaalde zij haar in woord en gepeis

Voor iedren nacht.

Als zij de poort 's avonds heeft gesloten, heeft zij het gevoel, of ze,

voor het beeld van Maria staande, als een kind aan moeders schoot staat

en Moeder voor zich alleen heeft. Het strak-houten beeld schijnt voor

haar een heimelijk en teeder leven te krijgen. Den avond na dien dag,

waarop zij den ridder heeft ontmoet, blijft zij zeer lang aan "Moeders

voet" geknield, maar zoo zegt, vooral in het door mij gecursiveerde

gedeelte zeer fraai, de dichter:

Wel laafde gebed zich uit liefdes stroom,

Maar haar diepste hart bleef ongerust,

Als het hart van het kind dat in den droom

Zijn doode moeder kust.

Zij staat op, treedt naar de poort, maar sluit die niet en gaat den

buitennacht in, om in de donker-overhuivende eenzaamheid omtrent

zich-zelf tot klaarheid te komen....

Toen door haar wondzeer harte sneed,

Als een pijl die door de klaarte schoot,

Van een verdoolde meeuw de kreet?

Van ziel in nood?

Smartelijk sloot haar zachte mond;

Zij week door d'engen duistren kier

Terug tot waar Maria stond:

Moeder, ik moet van hier.

[p.277] Ik heb in elk dezer beide strophen een regel gecursiveerd, om op

tweeërlei verschil in opvatting tusschen Boutens en den middeleeuwschen

dichter al vast de aandacht te vestigen. Zooals Beatrijs bij de eerste

ontmoeting met den ridder reeds, "zag in oogen brandend klaar smart

die zij niet verstond," zoo meent zij nu de kreet van een "ziel in

nood" te hooren. Hier niet de frissche, geestelijke-èn-zinnelijke

liefde van de middeleeuwsche non, die, door "den duvel" met

"vleescheliker sonde becord", haren, even als zij

hartstochtelijk-verliefden, minnaar toch zich roept; maar hier het

romantische bleeke-plaatjes-nonnetje; hier het decadent-moderne

vrouwtje, dat dóór het medelijden met het leed van den zoo smachtend

op haar verliefde, pas tot de lièfde komt: de

minnares-in-verpleegsterscostuum! Hier ook niet de langzame

ontwikkeling van het gevoel, de jaren door, tot het 't overheerschende

alvermogende wordt, maar hier de verliefdheid-op-'t-eerste-gezicht,

zoodat dan ook hier "de zoete Beatrijs" tegelijkertijd kinderlijker,

heilig naïef èn in oneindig mindere mate martelares èn zondares is, dan

die van den middeleeuwschen dichter, die, nog afgezien van al het

andere, al vast het kloosterleven is ingetreden met een aardsche en

onverwonnen liefde in 't hart, waartegen zij zelfpijnigend heeft

gestreden. En dat in oneindig mindere mate martelares- en

zondares-zijn--waardoor zij voor ons tevens heel wat aan mede voelbare

menschelijkheid inboet!--accentueert zich ook in het verschil tusschen

de beide soorten zekerheid ten opzichte van de te plegen zondige

liefdedaad, welke beiden Beatrijs-figuren respectievelijk eigen is. De

zekerheid van de middeleeuwsche Beatrijs is die van eene die er gewis

van is hare zedelijke nederlaag te moeten erkennen; die er zeker van

is, haar hartstocht te mòeten gehoorzamen en haar heiligsten

plicht te moeten verzaken; de zekerheid daarentegen van Bouten's

Beatrijs is die van eene die voelt dat een afschijning van de zuivere

caritas: het hooger-menschelijke medegevoel met hem die lijdt, haar

lager-menschelijke liefde heiligt. Háár zekerheid is die van eene, wie

de onoverwinnelijke drang tot het vervullen van een làgeren plicht, de

verzaking van een hóógeren oplegt. Niet de hartstocht trekt haar dus

van den plicht en [p.278] de deugd af, maar de plicht van den

plicht en de làgere deugd van de hóógere deugd. De middeleeuwsche

Beatrijs zegt met dezelfde vastbesloten zekerheid:

Ic moet leiden een ander leven,

Dit abijt moetic begheven.

als de moderne Beatrijs zegt:

Moeder, ik moet van hier.

maar de middeleeuwsche voelt 't heel zeker tevens:

Dat mi die crancheit sal doen dolen.[5]

en bidt tot Maria:

Soe moetie kinnen minen noet, (nood)

Ende mine mesdaet mi vergheven;

Ic moet in swaren sonden sneven!

terwijl de moderne Beatrijs in haar diepste hart er wel degelijk zeer

verzekerd van is, dat ook Maria wel het edele in hare zonde zal

erkennen en haar nimmer voor goed verwerpen en uit hare genade en

goddelijke liefde verbannen zal, weshalve zij dan ook, op het punt van

het klooster heimelijk te verlaten en na haar nonnengewaad te hebben

uitgetrokken, rustig kan zijn en zeggen:

En als een kind dat troost, zoo teer,

Glimlachte zij beslist: Ik moet--

ik kom weêr.

Zoodat de dichter dan ook met het volste recht mag verhalen:

Zoo toog die zoete Beatrijs,

Rustig en recht als een die weet,

Haar nachtelijke onzeekre reis

Naar 't hart dat om haar leed.

[p.279] Kort samengevat kan men derhalve de moderne Beatrijs--vooral

als men let op het laatst door mij geciteerde couplet--karakteriseeren

als de in een soort van trance verkeerende heilige, wier aardsche

liefde geen treden uit het gebied harer goddelijke liefde beteekent,

maar slechts een grover-verstoffelijkte incarnatie van de laatste is:

vandaar haar stil-blije "glimlach"; vandaar haar gansch niet wijkend

gevoel van eenheid en betrekkelijke gelijkheid met Maria, die

zij--waarlijk in overheerlijke en verrukkelijke naïveteit, voor welker

beelding onze dichter den hoogsten lof verdient--vóór haar vertrek nog

meent te moeten troosten, als een kind dat zijne moeder verlaat! Vandaar

haar rustige en "wetende" zekerheid, als die van een, die door God-zelf

wordt geleid; eene innerlijke verzekerdheid, zóó groot, dat bij haar

vertrek: (let op het eerste cursief):

Zij zag niet om, een vlotte schijn

Verdween zij in de duistre pracht

Van 't diep en goudelend gordijn

Der verre nacht.

En vandaar eveneens, bij het afscheid, haar aldus-zien van Onze-Lieve-Vrouwe:

En bijna blij

Stond zij nog eens aan Moeders voet:

Vaarwel, Maria gebenedijd--

Maria keek bezorgden groet,

Maar geen verwijt.

Doch hebt gij nu al ongetwijfeld mede mogen opmerken in de citaten, dat

sommige schoonheden--zooals bijv. die in de twee laatst-aangehaalde

coupletten gecursiveerde--van den allereersten rang zijn, dit neemt

toch niet weg, dat, gelijk ik reeds aanduidde, voor onze

diepst-medevoelende menschelijkheid de middeleeuwsche dichter reeds nu

het pleit heeft gewonnen: zijn vertwijfelende, door

liefde-hartstocht [p.280] gezweepte, zijn den hemel voor de aarde

verlatende Beatrijs is een mensch als wij, volop een zuster van ons;

maar Boutens' Beatrijs is als een zuster, zij het weliswaar een

nederiger, nièt van òns maar van die heilige vrouw, die op haar tocht,

ondernomen om Jezus te aanschouwen, aan een water komt, en als de

veerlieden haar weigeren over te zetten zoo ze hen niet met haar lichaam

ter wille is, daarin toestemt, omdat naast haar begeerte Jezus, die

incarnatie der Godheid, te aanschouwen, en naast haar eigen

diep-innerlijke geestelijke reinheid, die ontwijding van haar lichaam

haar iets uiterst gerings lijkt. Want evenals die heilige vrouw midden

die aardsche ontwijding en langs een slijkerigen aardschen weg toch

van uit den hemel tot den hemel ging: van den Jezus-in-haar-ziel tot

den stoffelijken Jezus, en dien in werkelijkheid geen oogenblik verliet,

zóó ook Beatrijs; haar drang tot vertroosting der lijdende

menschelijke liefde houdt klaarblijkelijk voor haar gevoel geen

oogenblik op, een dienen der goddelijke liefde te zijn, en haar lichte

smart bij het vertrek is vertwijfeling noch zonde-besef, het is slechts

de blije smart van de zich-opofferende, die weet een hoogen luister,

zij 't tijdelijk, met een minderen te verruilen. Maar schoon dit alles

en zijn ware beteekenis ten volle erkennend, mag men toch al evenmin

Boutens óók den lof onthouden, dat de beelding van de

kinderlijk-naieve, en heilige Beatrijs klaarblijkelijk met groot

meesterschap en overeenkomstig zijn oorspronkelijke conceptie is

doorgevoerd en volgehouden. En ook de aard van een mirakel-verhaal

heeft zijn gedicht tot hiertoe behouden--al is de vertroosting voor den

gewonen mensch, welke van de middeleeuwsche versie uitging, vrij

volledig verloren gegaan. Want dat een zoo zuivere en heilige wordt

begenadigd--welke troost brengt dit feit aan een armzalig zondig

menschenkind? En overigens: "tot hiertoe" zei ik--zooals wij later

zullen zien, komt er verderop meer dan één trek in voor, die zijn

gedicht tot het peil van de, zij het verfijnde en dichterlijk-schoone,

edelaardig-romantische ballade heeft neergedrukt..--

* * * * *

[p.281] De volgende zang opent dan met deze schitterende vondst:

Ineens, als viel een ster, zoo stond

De donkre hal vol van verlichten geur

Maria's oog en wang en mond

Won gloed en kleur!

Zij zette 't kindeke van haar arm,

Zij sloeg den mantel van om haar leên;

Als een menschkind zoo bloot en arm

Stond zij op 't kille steen.

Ik zal er wel niet op behoeven te wijzen hoè bekoorlijk van

sprookjes-schoonheid, dit veranderen van het houten beeld in de levende

Maria is; noch hoe schoon de vergelijkingen zijn: "als viel een ster";

"verlichte geur"; of hoe suggestief-beeldend dat 't

kindeken-van-haar-arm-afzetten is; dan wel hoe breed en wijd, in die

eenvoudige woorden: dat "Maria als een menschkind zoo bloot en arm op

't kille steen stond," heel de Christus-tragiek zelve: menschwording,

lijden, eenzaamheid en armoede, ter wille der menschheid, voor ons

opdoemt.--En waar ik mij overigens toch zooveel mogelijk met aanhalen

dien te beperken--gij moet dan ook vooral zèlf het zeer makkelijk

leesbare gedicht lezen--zal ik maar even navertellen dat de verdere

inhoud van het begin dezer zang is, dat de Heilige Maagd nu de gedaante

van Beatrijs aanneemt, haar kleeren aantrekt en haar dienst aanvaardt.

Maar na dit gedaan te hebben, moet ik u alweer onmiddellijk doen

opmerken, dat zoo schoon als deze vondst van onzen dichter nu ook zij,

en in hoe zuivere verzen verwerkt, toch ditzelfde gedeelte tevens een

aanmerkelijke compositorische zwakte van het gedicht aan het licht

brengt. Zooals mét het elimineeren van het bewust zondares-zijn uit de

Beatrijs-figuur, tevens noodwendig het sterkste dramatische conflict,

dat "tusschen den zondaar en den heilige," zooals ik 't noemde, uit het

gedicht moest verdwijnen; zóó verdwijnt ook hier, nu de lezer,

onmiddellijk reeds bij het vertrek van Beatrijs weet, hoezeer Maria haar

genadig is en wàt Zij voor haar doen gaat, elke benieuwdheid [p.282]

naar haar verder lot of naar waarin het mirakel nu eigenlijk bestaat!

Terwijl wij door den middeleeuwschen dichter langzaam, door de

donker-kronkelende gangen van Beatrijs' smartelijk leven, naar de plots

openlichtende klaarte van het reddende wonder worden geleid, en wij

daardoor mede-lijden met haar leed, en haar eindelijk heil niet kennen,

vóór zij zelve het kent, weten wij dit laatste bij Boutens nog vóór

zij-zelve 't weet!--Ongetwijfeld: er komen nog zeer veel fraaie détails,

waarvan ik nu slechts noem, dat er den volgenden ochtend schrik en

droefenis in het klooster zijn, omdat het eiken beeld van Maria is

verdwenen, 't geen de dichter--let vooral op het zeer-lieve der beide

laatste door mij gecursiveerde regels--aldus vertelt:

Heur hooge nis in de hal stond blind,

Heur voetstuk leeg;

Alleen het kleine Christus-kind

Zat daar en zweeg.

Maar al dergelijke kostbaarheidjes kunnen het feit niet doen vergeten,

dat de opzet van het gedicht: Beatrijs als een min of meer in trance

verkeerende heilige voor te stellen, in plaats van als een zondig

menschenkind, alle diepere en fellere menschelijkheid heeft doen teloor

gaan, en er dan ook onvermijdelijk oorzaak van moest worden, dat het

mirakel verhaal veranderde in een romantische ballade, waarin alle zin

voor de werkelijkheid ten eenenmale zoek is. Van den tijd, verhopen

tusschen vertrek uit en terugkomst van Beatrijs in het klooster,

waarvan de middeleeuwsche dichter ons zoo veel en zoo warm-menschelijk

wist te verhalen, vinden wij in dit gedicht niets: alles blijft in

dezelfde vage trance-sfeer. Op een goeden dag komt Beatrijs, zooals

zij eerst tot de innerlijke zekerheid kwam, dat ze 't klooster verlàten

moest, nu tot de zekerheid, dat zij er weer in moet terùgkeeren. Dat is

alles.--Die terugkomst op zich-zelve is weer wonderschoon van beelding.

Laat mij een paar van die prachtige verzen voor u aanhalen:

[p.283]

De sombre poort week open wijd

Bij d'eersten klop. Daar stond

Beatrijs roereloos gewijd

Met bleeken mond.

Want de hal hing vol van wonder licht

Als rozegeur in puren brand,

Dat straalde van Moeders aangezicht

Op zoldering en wand.

Want de hal was vervuld van licht geluid

Als veler waatren ver gerucht.

Zij hoorde den klank van veêl en luit

Op de doorzongen lucht.

Zoo stond onnoozele Beatrijs

Verheerlijkt met Maria mee.

Eén ademtocht. Der heemlen wijs

Verging in 't lied der zee.

Zij zag hoe Moeder beurde en leid',

Eer licht en lied verzwond,

Heur vingeren gebenedijd

Aan benedijden mond.

Ja, dit alles is voorzeker verrukkelijk mooi. Maar als de dichter ons

dan verder verhaalt, dat, na nog wat jaren levens, Beatrijs

.... doofde en stierf: in stille kerk

Sliep ze in Maria's tijdlijk kleed.

Een andere zuster deed het werk

Dat eens Maria deed.

Doch weinig zonnen stegen, en

Daar kwam een pelgrim, moede en grijs,

Die vroeg den laatsten zegen en

Zijn graf naast Beatrijs.

Hij deed zijn sober kort verhaal

Dat telde de jaren van Mei tot Mei,

Voor al de zustren in de zaal.

En toen verstonden zij.

Over literatuur Critisch en didactisch, tweede bundel · 第 21 / 22 段