16 Januari '16.

Noten:

[1] Waarschijnlijk hebben wij toch als zoodanig te beschouwen: "Als een

granaatappel-snede zijn uwe wangen tusschen uw vlechten." Want ware de

rimmon, de granaatappel, niet zulk een geliefkoosd versieringsmotief in

de antieke Joodsche versieringskunst, ware hij niet tevens het symbool

van iets zeer edels, waarmede men gaarne wat men eeren wilde, vergeleek,

dan zou de Dichter hier allicht, door het kiezen eener andere vrucht,

zijne vergelijking treffender hebben gemaakt.

[2] Zijn philosophisch werk, oorspronkelijk in 't Arabisch geschreven en

onder den titel Mekor Chajim = Bron des Levens, fragmentarisch in 't

Hebreeuwsch overgezet door Sjemtob ben Jozef Ibn Falaquera, was reeds

eerder onder den titel Fons vitae door Dominicus Gondisalvi met behulp van

een gedoopten Jood, Avendeath, vertaald. In deze Latijnsche vertaling

heeft het grooten opgang in de Christelijke wereld gemaakt en zoowel de

opmerkzaamheid van Scotisten als Thomisten getrokken. Na aanval op en

verdediging van zijn stelsel door de stichters dier scholen--Thomas van

Aquino had het aangevallen, Duns Scotus zich in menig opzicht een

aanhanger betoond--maakten de volgelingen het tot onderwerp hunner

disputen. Het aardige echter van het geval is, dat men absoluut niet

meer wist, dat zijn auteur een Jood was. Bij de overzetting was de naam

Ibn Gabirol of G'ebrol eerst verbasterd tot Avencebrol, later tot

Avicebron en dezen fantastischen Avicebron hield men voor den een of

anderen vromen monnik! Pas in 1846 werd door den grooten Munk te Parijs

de identiteit van Gabirol met Avicebron onbetwistbaar vastgesteld.

[3] En toch ook in zijn productie als zoodanig voelt men een enkel maal

iets pantheïstisch. Zoo in dit kwatrijn--in de vertaling van Geiger--:

Du staunst, dass ich zu Weisheitshöhen kühn

Den Weg besteige, ebnend mir den Pfad?

Der selbe Geist, der meinen Leib bewegt,

Ist ein das All umkreisend Weltenrad.

Ik vestig eens voor al de aandacht der lezers er op, dat ik in deze

studie nimmer uit Hebreeuwsch-Joodsche dichters citeer met het doel:

schoonheid te toonen. Dat is ook mijns inziens vrijwel onmogelijk in

Geiger's vertaling, die niet alleen bijna immer volmaakt rhythme- en

geluid-dóód, maar bovendien, naar zijn eigen verklaring trouwens, vaak

een zich naar den modernen lezer voegende omwerking is. Zelf aan een

vertaling van dit of dat Hebreeuwsche gedicht van Gabirol mijne krachten

te beproeven, daartoe ontbreekt mij nu den tijd, dien ik daarvoor noodig

zou hebben, te meer waar de tekst van zijn profane verzen zeer corrupt

is, en niet gebundeld, maar in allerlei oriëntalistische tijdschriften

verspreid.--Nochtans heeft Geiger ook een enkel keer wel eens gevoelig

vertaald, zóó dit van Samuel Nagdilah, dat--zie overigens volgende

noot--indien men aan de gevaren en verzoekingen van 's mans schitterende

maar benijde positie denkt: een traditioneel-Joodsch vizier onder een

Mohammedaansch vorst, zéér aandoenlijk is:

Ueber der Zeiten Krümmung

Ewigem Leben zu reit' ich

Und zu dem Paradiese

Ueber die Hölle schreit' ich....

[4] Men oordeele: dit kwatrijn,--en het gaat nog wel op den dichter

Samuel Nagdilah, den machtigen vizier, die zijn beschermer en vriend

was, maar met wien hij later in onmin leefde--:

Mir war so kalt, mich hat

Ein solcher Frost durchschnitten,

Als hörte ich ein Lied

Von Samuel den Leviten.

Of een ander maal--erger nog: critiek op een Bijbelsch dichter!--; uit

een grooter gedicht:

Von Salomo dem Weisen war

Zu Zeiten wohl der Geist gewichen,

Da hat er einer Lämmerheerde

Der Zähne Perlenreih' verglichen.

En ten slotte dit zelf-getuigenis:

Was soll mir's, dem klangreichen Dichter,

Zu singen vor solchem Gelichter?

Ist besser, dass ich sie zu Brei hack'

Denn meine Zung' ist mein Dreizack.

[5] Deze Jehoeda ha-Levi is dezelfde, die door Heine zonderlingerwijze

Jehuda ben Halevi wordt genoemd, en wien hij in zijne Hebräische

Melodien, o.m. "Eine wunderbare, grosse Feuersäule des Gesanges" noemt.

Ziehier twee voorbeelden van zijn echt-Oostersche beeldvorming:

Die Sonne sinkt, die Nacht erhebt sich

Der Mond erscheint mit goldnem Rand,

Die Stern' im Meer gleich, irren Wandrern

Die unstät zich'n in fernem Land.

Voeldet ge ook niet het bannelingssentiment van den Jood in deze laatste

regels?--En dit, geschreven na op zijn tragischen pelgrimstocht naar

Palestina, van waar hij nimmer terugkeerde, Tyrus te hebben bezocht:

Heil Tyrus! Deinen Weisen Heil! Sie haben

In's Herz mir ihre Namen eingegraben

Und sich zum Meer ein zweites noch erkieset:

Mein Auge,das von Thränen uberfliesset.

Overigens: hoezeer 't ook geheel eens met hen, die hem als Hebreeuwsch

stylist op één lijn met de groote bijbelsche dichters stellen, geloof

ik, dat hij als dichter onder die Grooten blijft. Hij heeft niet immer

de enorme hartstocht, het werelddragende gebaar van een Jesja'ja. Eerder

nog, dunkt mij, is hem het zoet-idyllische van het Hooglied eigen, aan

welks geluid het zijne ook verwant is. Hij is ook soms--ik spreek nu

alleen van zijn profane verzen--wat klein-speelsch....--Daarbij komt:

ten eerste, dat hij in een doode taal dichtte; ten tweede, dat hij in

een vreemde maatschappij leefde, wier anti- of on-Joodsche richting niet

kan hebben nagelaten, een nadeeligen invloed op zijn

Joodsch-dichterschap te oefenen.

Ook een opvallende uiterlijkheid wijst dien invloed aan. Het liefdeleven

van de hem omringende Arabische samenleving was sterk homosexueel

getint, de geringschatting voor de vrouw algemeen, 't geen tot gevolg

had, dat ook een dichter die een liefdesvers tot een vrouw richtte, den

schijn aannam, tot een man te spreken. Welnu, Jehoeda ha-Levi wien,

zonder eenige twijfel alle homosexueele neigingen volkomen vreemd waren,

en die overigens als streng-traditioneel Jood ze ook als helsche zonde

verfoeide, heeft meer dan eens die Arabische dichterlijke mode gevolgd.

("Il faut remarquer" zegt Luzzatto, geciteerd bij Geiger, "que la

pédérastie était en honneur chez les Arabes (comme chez les Grecs), et

que les poètes juifs parlent de leurs amis comme si c'étaient des

amants").

Een dergelijk gedichtje van zijn hand, door mij uit het Hebreeuwsch

vertaald, waarbij ik alle de geliefde als man travesteerende taalvormen

weer in vrouwelijke omzette, moge ten voorbeeld hier volgen:

Zij, tot wier losprijs ik mij Gode wijdde,

Heeft dezen nacht bij harp en zang doorwaakt,

En daar ik dorstig bij den roemer beidde,

Aldus, zoet manende, mijn lust gelaakt:

"Drink, Dichter, wijn ten beker mijner lippen

Vóór Dageraad den zwarten vool laat glippen,

Waarop goudverwig 't maangebloemte blaakt."

[6] Men zie mijn derden "Brief over Literatuur" in Over Literatuur,

eerste bundel, en vooral het daarin geciteerde: La Poesie lyrique

Hébraique Contemporaine van Dr. Slousch, benevens mijn studie over Die

Lieder des Ghetto, in mijn Opstellen.

[7] Hoezeer deze kenmerken en niet minder de "omwegen der voorstelling",

welke laatste de heer Scharten meer een specifiek Oostersche

eigenaardigheid in Tagore scheen te achten, inderdaad ook bij den

grooten Westerling aanwezig zijn, daarvan kan zich elk lezer van bijv.

La Vita Nuova--ook, uitgezonderd natuurlijk wat betreft het

oorspronkelijk geluid, in van Suchtelen's voortreffelijke

vertaling--overtuigen.

[8] A Defence of Poetry. Part I.

[9] Hetgeen ook van v. Collem dient te worden gezegd. Tot mijn leedwezen

bemerkte ik destijds, èven te laat, hem niet als vijfde te hebben

genoemd, schoon ik reeds zeer vroeg in Het Jonge Leven de aandacht op

hem had gevestigd en ook in mijn eersten bundel Over Literatuur, zijn

oorspronkelijkheid roemend, van zijn "wrang-joodsche schertsdichtjes"

spreek. Sinds dien is zijn joodsche geaardheid nog veel gterker en

schooner aan den dag getreden. Noot van Juli '19.

[10] Ook van Eeden's telkenmale hervinden van zijn ongerepte

jeugdkrachten,--welk een prachtig blijk daarvan was weer Sirius en

Siderius, die fel- en realistisch-levende vertastbaring van een

allerteersten en hoogen droom--berust m.i. op de omstandigheid, dat hij

zulk een sociaal-voelend kunstenaar en, meer dan dat, een

geboren-"eenheidsstrever" is.--

[11] Juni 1912.

[12] Cursiveeringen van mij.

[13] ibid.

[14] Het is merkwaardig hier te zien, hoe de stemmingen van het

verleden in het geheugen van onzen dichter zuiver bewaard bleven, maar

het feitelijke zich vertroebelde: niet op Vreugde der Wet wordt bij het

gebed de palmtak gebruikt maar op het Loofhuttenfeest.

[15] Men begrijpe wel, dat met "zonde", in dit gedicht niet

voornamelijk bedoeld wordt datgene wat de Schrift-alleen als zoodanig

beschouwt, bijv. het werken op Sabbath, het eten van varkensvleesch,

e.d., maar ook zulke, die ook buiten de Schrift, door de "algemeen

geldende moraal" zonde wordt geacht.

[16] De dichter zegt:

... "de duistere Ketef dwarrelt

In 't schoonste zomeruur, een ossenhoren

Is zijn gestalte, die sidderend scharrelt.

Deze scharrelende ossenhoren, zonder kop, romp en beenen kwam mij

onmiddellijk zeer onwaarschijnlijk voor--al moet men in dit opzicht,

waar 't demonen betreft, niet al te twijfelziek zijn! En toen ben ik

eens in de Midrasjim gaan snuffelen en zoo vond ik in Bamidbar Rabba,

12, een vrij uitvoerige schildering van dezen demon, waaruit ik het

volgende zinnetje vertaal: "Zijn hoofd gelijkt dat van een kalf en een

horen gaat uit het midden van zijn voorhoofd op ... en hij wentelt zich

als een vat over den grond." Men ziet het: de dichterlijke guillotine

heeft radicaal gewerkt! Nog een andere schoolmeesterlijke opmerking: Zou

de dichter bij een herdruk niet liever als grondslag voor zijn

transcriptie van Hebreeuwsche woorden in Latijnsche letters de

sefardische uitspraak adopteeren, zooals die ook door de niet-Joodsche

Hebraïci wordt gebruikt? En de Ajin waarvan toch niemand meer de juiste

uitspraak kent, inplaats van door ng, door een ' willen aanduiden?

Hoeveel welluidender is Ja'akob Jisraeel, met die fijne

Spaansch-Joodsche e aan het eind, dan Jangakauf Jisroijl.

[17] Ook Is. Querido in een Letterkundige Kroniek, Algem. Handelsbl. van

16 Dec. '15.

[18] De Gids, 1913, IV, blz. 476--77. En Over Literatuur, eerste bundel,

blz. 104--106.

[19] De Gids, 1913, IV, blz. 486. En Over Literatuur, eerste bundel,

blz. 115--116.

* * * * *

[p.30] MAURITS SABBE: DE NOOD DER BARISEELE'S

Na dat niet minder kluchtige dan lieflijke, van vogelgefluit,

bloemenkleuren en goeielijk-hartig lachen doorvonkte en doorschalde

werkje De Filosoof van 't Sashuis, dat boekje met precies het tikje

bewùst zóó gearrangeerd zijn; met juist dat wèinigje als houterige

abruptheid in het bewegen der oolijke figuren, dat ook aan de lustige

Jan Klaassen's der Poesjenelle-kelders herinnert; en ook dat

fijn-geurige snuifje van, ik zou zeggen: archaïsche, naïveteit, als

genoeg was, om mij hevig en in een uiterst verheugende openbaring, de

verwantschap van dezen auteur met de groote Spanjaarden--vooral Hurtado

de Mendoza, den beïnvloeder van Brederôo!--te doen voelen; na dit

werkje, dat je lekkertjes glunderen om eigen welgedaanheid ziet, terwijl

je voelt 't dit al even weinig kwalijk te kunnen nemen als aan zekere,

uiterst sympathieke, door geestelijke en lijflijke gezondheid altijd

opgeruimde menschen, gaf Sabbe Een Mei van Vroomheid. En dit beteekende

al dadelijk een enormen vooruitgang, want was er in het eerste boek veel

amusant gekakel en gedoe--om met ons beeld in de landelijk-steedsche

sfeer der beide werken te blijven--van kleurige kippetjes te hooren en

te zien, met daarnaast, hóóger, op 'n boomstam, die oolijke spotlijster

van 'n Sasmeester en dat zoete duifje van 'n Mietje, ook in het tweede

ontbraken in Bazinne Lowijcks en oude Free, het zéér vraatzuchtige

haantje en hennetje niet, máár: te àvond--en welk een plechtig-droeve

avond was dat, na zóó korten dag van jeugd!--zongen daar die van God

gezégende nachtegalen, jonge Free en lieflijke Bethye, hun mystieke

lied, [p.31] waarlijk "fulpen tonen als uit edel metaal geblazen",

zoodat dit werkje niet alleen voortreffelijk was door de prachtige

uitbeelding van twee zoo verschillende levenshoudingen als de

egoïstisch-materialistische en de altruïstisch-mystieke zijn, maar

vooral, omdat het ons de rijke harmonische wijsheid van des schrijvers

ziel deed voelen, welke immers deze beide hevige contrasten zóó kon

beelden, dat zij, in een en 't zelfde werk, dicht naast elkander, zonder

schade voor elkander konden bestaan.--En nu komt Sabbe met een derde

boek en het is zoowaar alweer een genot, den vooruitgang in zijn wezen

en kunnen te zien! Want niet slechts, dat het zich hierin van de vorige

onderscheidt, dat het géén als spròkige werkelijkheid, geen romantiek

is--immers deugdelijke romantiek moet m.i. objectieve beelding van

werkelijk bestaanbare uitzonderingsfiguren zijn--doch zich op een veel

meer algeméén reëel plan beweegt; het verhaalt ook niet, als gene, een

episode slechts uit een leven, maar geeft het gehééle leven, van

nagenoeg twee geslachten zelfs! Dat dit laatste een vooruitgang is, dat

hiervoor een grooter visionnair en episch zoowel als compositorisch

vermogen worden vereischt, zal wel geen betoog behoeven. En hoezeer is

deze schepping geslaagd, welk een òndoorbroken stroom van diepe

menschelijkheid vloeit door dit boek! Daar is allereerst het roerende

drama van de vrouw, die geheel zachtmoedigheid, liefde en dulding, na

een slovige jeugd en een leven naast 'n man die haar wel waardeert en

wel van haar houdt, maar niets van zijn zieleleven uiten kan, juist ten

tijde, dat zij de groote, de éénige vreugde van haar bestaan, het geluk

van haar moeder- en opvoedsterschap zal gaan genieten, sterft, met

kommer en zorg in het hart, om haar beide kleine zoontjes, het

achterlijk jongste vooral, voor wien zij voelt nog onmisbaar te zijn.

Daar is dan, ten tweede, de tragedie van dat achterlijk kind, gehaat

door een feeksige tante, verwaarloosd en getyranniseerd door een stuggen

vader en een ouderen, koud- en egoïstisch-intelligenten broer, in wien

de vader al zijn hoop en genegenheid heeft geplant, voor wien hij zijn

jongste opoffert; daar is dan ook de wanhoop van den vader-zelf, als hij

inziet, hoe harteloos en baatzuchtig [p.32] hij zijn oudsten zoon, bij

wien hij tevergeefs om wat liefde bedelt, heeft gemaakt, hoe

verwaarloosd en geestelijk-vernietigd hij den ander heeft. Dàn wendt hij

zich tot dien. Te laat! De sukkel staart hem onnoozel-lachend aan. En de

ongelukkige oude man heeft nu maar één verlangen, naar zijn vrouw in den

hemel, en een avond komt zij hem uit de bleek-zilveren wolkenpoort van

de stille maan tegemoet, en hij stapt te water en volgt haar.... Dit

alles in het eerste deel. Het tweede behandelt het verder leven, tot hun

dood, der beide zoons, die vrijgezel blijven.... Maar komaan! al wil ik

u nu nog wijzen op dat kostelijke tooneel in de herberg, als de

tyrannieke oudste broer, de dorre notarisklerk, voor 't eerst in z'n

vijf en veertig jarig leven, uit minnekoozen is gegaan, ook omdat ik

hier weer de boven geschetste verwantschap voel, en op dat mooie

figuurtje van Quickelbornée'tje, dat aan de neiging naar het sprokige

van onzen auteur zoo weldoend komt herinneren; al wil ik u zeggen, dat

ook het tikje houterige abruptheid, vooral in het begin van het eerste

deel niet ontbreekt en evenmin de "archaïsche" naïveteit, zooals

bijvoorbeeld, wanneer de schrijver ons nog eens meent te moeten

inlichten omtrent de bedoelingen van de feeksige tante, die wij toch ook

daarzonder, dank zij de uitnemende beelding, door en door kennen--van de

waarlijk bijna ontelbare glansmomenten in dit boek zal ik, uitgezonderd

één, niet meer spreken. Want is het m.i. een voornaam deel van de taak

der critiek, tot het lezen van een boek aan te sporen of daarvan terug

te houden, ik meende in dit geval het eerste beter te kunnen doen door

des schrijvers gehééle figuur even te schetsen dan door van dit zijn

jongste, tweedeelig werk, een analyse te beproeven, die, mij althans, in

zoo kort bestek niet mogelijk ware geweest. Maar dat ééne glans-moment,

wijl het een der diepste levenswaarheden symboliseert, wil ik nièt

verzwijgen: De half-onnoozele zoon kende een oud sprookje, het verhaalde

van een dood moederken, dat wederkeert als de linden bloeien. Hem, wien,

toen hij nog een kindje was, dit zóó heilige waarheid scheen, dat hij,

kort na zijn moeders dood haar sloffen buitenzette, opdat zij die zou

kunnen aantrekken, als zij daarstraks wederkwam--een [p.33]

aanbiddelijk-schoon trekje, niet waar?--hem, die zijn moeder altijd

bleef liefhebben, blijft ook dat sprookje altijd bij, en als nu zijn

ouderdom gelukkig wordt gemaakt door het petekind van zijn broer, dat

hij 't eerst bij het bloeien der linden ziet, dan is 't hem, den

onbewusten kinderlijk-dichterlijke, of zijn moederken uit den dood is

opgestaan, dan voelt hij, dat háár liefde en háár zachtheid hem in dat

kindje zijn weergekeerd.... Ik geloof lezer, dat de onnoozele gelijk

had! Ik geloof, dat niets wat groot of goed of liefelijk was verloren

gaat, maar immer en immer in 't leven wederkeert ... En ik geloof, néén,

ik ziè, lezer, dat ook in Vlaanderenland die wondere linden weer hebben

gebloeid; dat de Moeder, die de blijmoedigheid was, de Moeder, die de

lieftallige eenvoud, het hart, de ziel en de liefde was; die oude

Literatuur die onze harten kende, ons minnelijk berispte en schalk

belachte en gelukkig maakte als nauwelijks één ander, herrezen is ...

Wees wijs als dié onnoozele en open de deuren van uw huis en uw gemoed,

om Haar in wijding en hooge vreugde te ontvangen.

Nov. 1912.

* * * * *

[p.34] R. VAN GENDEREN STORT: IDEALEN EN IRONIEËN

--Ziedaar, dacht ik na lezing van Een Roman, het tweede stukje van dezen

bundel, daar heb je nou het echte type van den beginneling-artist, den

man, die zijn Werkplannen, zijn "notities" betreffende een gevalletje,

gefantaseerd of hem ter oore gekomen, goedig en wel en geheel argeloos,

als geacheveerd, àf-gebééld werk laat drukken. Geheel argeloos, zeker,

want wie anders dan zulk een allerliefst-onschuldige zou met het lapje

lokkerig vleesch van dezen titel in de hand de buldoggen der critiek,

die hem anders, een weinig grommend wellicht, zouden zijn

voorbijgeloopen, als tot den aanval nóódigen?! Idealen En ...

Ironieën!... Als dit geen argeloosheid is, is 't dan bravoure?... Maar

neen toch, zelfs de groote Griek was met één Achilleshiel tevreden en de

heer Van Genderen zou zich, wellicht ten believe der nieuwste

chirurgische mode, eenige hebben laten aanenten?! ... Trouwens, die

argeloosheid past zoo wèl bij dat artistiek-dilettantische van vlàk

naast het levensechte, in de levensnàmaak te buitelen, gelijk den

schrijver in dat stukje Een Roman gebeurd is....--Toen ik dit alles

afgefilosofeerd en bij het lezen van Het Bedrog gemeesmuild had: "U

maakt 't u makkelijk, m'n waarde Heer, met uw bedrogen echtgenoot te

laten wegloopen"; Zomer een fraai fantasietje had bevonden (alleen dat

van die "panische communie, waarin zij het teloorgaan in den oerschoot

des levens mystisch beleefden" ... wel te weten: dit alles gezeid van

een griekschigen heer en dame die 'n bain mixte nemen ... hoor 'ns even,

dat kunnen ze in die kunstenaars-[p.35] en high-life-kringen een

panische communie enz. noemen, maar ik ben maar een burgerman ...) toen

ik dit alles dus had afgedaan, zeg ik, geraakte ik tot Het Vest.... En

nu wou ik er wel een lief ding voor geven, als ik den lezer overtuigen

kon, dat 't me niet om 't maken van 'n flauwe scherts te doen is, neen,

werkelijk, ik hèb 't me zièn doen: ik heb Het--zéér dandylike--Vest

opengemaakt, bèrgen vrij onnutte literaturige bagage uit binnen- en

buitenborstzak gehaald en--en dáárop wil ik nu maar neerkomen:--wat

denkt ge wie z'n breedgewelfde borst d'r onder zat?... "Nu van Van

Genderen Stort natuurlijk," zegt ge schouderophalend.... Mis!... van

Falkland!--Gelijk ook in De Tanden--zeer gaaf en fraai--mijn

anthropologische blik een duidelijke verwantschap ontdekte met het gebit

van den Homo Handelsbladensis, al is dit scherper....

Máár, eindelijk! las ik Tobias Peppel.... En nu, wèg van hier, narrige

criticus met je bittere spotternijen! Hier is iets te bewonderen, hier

iets lief te hebben! Die slungel van 'n Peppel is zóó prachtig

neergezet, in zijn weerzinwekkende lamlendigheid, ten voeten uit....

Hièrin breekt van Genderen's revolutionair gevoel, waarzonder geen

waarachtig kunstenaar wordt geboren, zijn opstandsgevoel tegen het

gehate onechte zoo machtig uit.... Och, ik erken het, ik was er soms

niet ver van af, dezen schrijver voor een dier trieste heeren te houden,

in schrikwekkend aantal onder de jongeren te voorschijn tredend, die

zonder noemenswaardig talent, van hun literaire "gedistingeerdheid," hun

"kalme nuchterheid" en kurk-droog gezond-verstand hun schrijversleven

moeten rekken; een dier essayisten--over het leven of over boeken, doet

er niet toe--die teemen, teemen, téémen, onmachtig tot één blijde

opzwaai van levensvolheid, tot één moment van dat fonkelend

zich-zelf-genieten van den geest, dat scheppen is. Maar Tobias Peppel

vóóral heeft mij gelùkkig mijn dwaling doen inzien. De heer Van Genderen

ontdoe zich van dien jammerlijken verfijningsschijn. Hij late dien aan

the mob of gentlemen who write, de verdroogde Physalis-kelken der

literatuur, die met de herfstige blos hunner dorheid in porceleinen

vaasjes zonder aarde of water kunnen prijken, [p.36] òmdat zij dood zijn

en toch zoo knapjes kunnen schudden en rammelend-geluiden alsof er leven

in hun doode bollen zit. Hij getrooste zich de "viesheid" en zwartheid

der vochte aarde, die al het levende voedt.--Van de ijdele gedachte tot

het stralende beeld, zei eens Verwey, en ziedaar de oorlogskreet tegen

de veldwinnende neiging dier onmachtigen, om de--vaak

gecopiëerde!--naakte "gedachte" ten troon te heffen!

Een kunstenaar, en dùs ook de heer Van Genderen Stort, moet beelden.

Nov. 1915.

* * * * *

[p.37] JOANNES REDDINGIUS: EEN ROMANTISCHE JONGEN

Over literatuur Critisch en didactisch, tweede bundel · 第 2 / 22 段