Produced by Marc D'Hooghe
OVER LITERATUUR
Critisch en Didactisch
van
M.H. VAN CAMPEN
TWEEDE BUNDEL
* * * * *
Aan de Nagedachtenis van
Mr. Jacob Nicolaas van Hall
* * * * *
I CRITISCH
* * * * *
OUDE EN NIEUWE JOODSCHE DICHTKUNST [p.1]
NAAR AANLEIDING VAN EN OVER JACOB ISRAËL DE HAAN'S HET JOODSCHE LIED
I
Zoo ik nu in den aanhef van dit opstel het Sjir ha-Sjirim van Salomo
de zon aan den hemel van Israëls letterkundig genie heet, dan zult ge
het allicht een slecht omen noemen, dat ik mijn geschrift met een zoo
weinig, want zoo veel, zeggende phrase begin. Ik weet dit en toch ...
wat rest mij anders.... Indien gij den dag van dit volk overschouwt--en
diens uren zijn honderdtallen jaren!--en ge ziet elk licht achter zijner
paleizen vensters en op zijn pleinen verbleeken voor dien gloed, het
licht van den Psalmist in den pas dagenden morgen, als een alleenzame
bidlamp boven het hoofd der in gebed worstelenden en verzonkenen; de
glans der luchters, die een Jesja'ja in den middag ontstak, een telkens
weer schichtdreigende, doch zich ook telkens weer verzachtende en milde
glans, als die van vermanende, maar lievende oogen; de roode vlam-kreten
van Jirmejahoe's waakvuren, tegen den avond ontstoken, schimmend en
schijnselend over de flikkerende speren en zwaarden der naderende
verwoesters en ze al kleurend met bloed vóór het bloed. Als ge dit alles
overheerscht [p.2] ziet door dat hemelwijde licht, hoe zoudt ge dit dan
anders dan een zon kunnen heeten. Maar bovenal, hoe begrijpt ge dan, dat
die overheersching toch alleen mogelijk is, niet slechts omdat het licht
van het Hooglied de hoogste krachtsuitdrukking al dier andere glansen
is, maar ook, en vooral, wijl het tevens van dezelfde natuur en
essentieele samenstelling is. Laat bij beurte al dien glans door het
scheidend prisma van uw critischen geest op den donkeren wand van uw
diepste gevoel vallen en zie: van alles blijkt het hoogst-geestelijk
spectrum één.... Overal is het de hoogere, en een gloedende, lyriek;
overal zijn het de kleuren der stralende metaforen; overal de
lichtbanden eener nergens onderbroken zielsmuziek. Maar toch, nergens
zoo rijk, zoo fèl aanwezig als in de afstraling van het Hooglied. Hoe is
hier op verwonderlijk-eenende wijze de zoetste aardsche liefde aan de
mystieke extase gehuwd. Welk een roes der zinnen en welk een
doorgeestelijktheid.... Wat zou het ook anders dan een zon kunnen zijn,
die hièr de bloembedden van Sjaron's geurende rozen en spelemeiende
gelieven verheerlijkt, ginds, en tegelijkertijd, door de boogramen der
aloude tempelgewelven de schemering goudelend komt verrijken, en met "de
kus Zijns Monds", de mystieke aanraking van zijn in sluier van licht
verborgen Oerlicht, de Cheroebiem en de Arke, de voorhangen en de
altaren omgloriet....--Laat ons dit dan begrijpen en vaststellen, dat
dit Lied der Liederen de maatstaf aller Joodsche lyrische kunst moet
zijn, want dat dit Lied, boven alles, de meest wezenlijke bestanddeelen
van het Joodsch, dichterlijk genie omvat. Het antieke Israël bevond zich
toen het werd geschreven, in het zenith zijner grootheid, ongedrukt,
vrij van alle beënging; het kòn zich geven en het gaf zich in de
bloeiende naaktheid eener jeugdige ziel die nog niet de lidteekenen van
schandelijke wonden behoeft te verbergen. Het zong uit in dit lied heel
de zinnelijkheid maar ook heel het extatische godsverlangen van zijn
Oostersch hart; het schiep in dezen zang beelden na beelden, want zijn
jonge ziel was vol liefde en de eenheid der dingen lichtte voor haar;
het dompelde de woorden in een ambrosia van zoetheid en van streeling;
er is een vleien en een lokken, er varen melodieën, [p.3] er zuchten
weggekuste fluisteringen in dit Hebreeuwsch, als ik nooit elders
klank-vereeuwigd heb gevonden. En er is ook een uitbundigheid in, die,
hoog den godenbeker heffend, den deinzenden eenvoud in 't gezicht lacht
... een pralende rijkdom, zóó rijk, dat hij zich zelfs der schamelheid
van een enkelen rhetorischen smuk niet schaamt.[1] En als later, in de
diaspora, na de wreede, met stomheid slaande overheersching der Gothen,
de intocht van het Arabische broedervolk in Spanje voor Israël een
gelukkiger tijd laat dagen, dan klinkt wel uit nieuwe monden een nieuw
lied, maar waarin, zij 't meest flauwer, toch weer al de oeroude
eigenschappen der bijbelsche dichtkunst fonkelen. Hoe verscheiden de
twee allergrootsten van dat tijdperk ook mogen zijn, diè eigenschappen
hebben zij gemeen. De eerste van beiden, naar den tijd niet alleen, maar
ook mijns inziens naar de diepte en hoogte zijner bloedende
menschelijkheid gemeten: Aboe-Ajoeb Soleiman ben Jacha Ibn Gabirol, een
worstelaar met de eigen ziel, een diep-in-gespletene, als wijsgeer
hartstochtelijk-strevend naar een religie-vrije onafhankelijkheid van
denken, telkens naderend dan het pantheïsme, telkens echter ook weer
deinzend voor de consequenties daarvan,[2] maar als gemoedsmensch [p.4]
en als dichter met hart en ziel Jood[3]--hij heeft religieuse zangen
gedicht, zooals het vermaarde Keter Malkoet, waarin een zelfde
beeldenrijkdom, een zelfde gloed en uitbundigheid, een niet mindere
weidschheid van conceptie en voorstelling als die der antieken herleven.
Ja zelfs heeft hij, de hevige hater en hartstochtelijke beminnaar, de
stug in zich-zelf beslotene en van een mateloos zelfgevoel vervulde,
iets van het uit twijfel geboren opstandige van den Kohelet hooger
opgevoerd, en in zijn messcherpe satyre herkent men--o, onloochenbare
rasgemeenschap over een afstand van eeuwen!
--den--grooteren!--stamgenoot van Heinrich Heine[4], terwijl [p.5] de
tweede groote dichter van dat zelfde tijdvak: Aboe-'L-Hassan Jehoeda
ha-Levi, in tegenstelling met zijn voorganger eene uiterst harmonische
natuur, die niet als gene de bittere tweespalt tusschen denken en voelen
kende, in zijn lyriek niet minder het complex van de eigenschappen der
antiek-Joodsche dichtkunst vertoont, zóó zeer, dat sommigen hem, als
dichter en Hebreeuwsch stylist, slechts één meenden te kunnen gelijken,
den onsterfelijken Jesja'ja.[5] En [p.6] deze eigenschappen nu, de meest
essentieele en kenmerkende, zoowel der bijbelsche als na-exilische
Joodsche kunst: de uitbundigheid, de pralende beeldenrijkdom, de
zielsmuziek, zij zouden niet gelijk het geval is, in Israëls diepste
volkspsyche moeten wortelen--als trouwens in die van alle Oostersche
volken in tegenstelling met de Westersche, in wier wereldgrooten alleen
zij zich voornamelijk toonen--zoo gij ze niet in die andere harer
hoogste uitingen, in den aard van haar bespiegelend denken terugvondt.
Nochtans, ik vermoed, dat gij er bezwaar tegen hebt, uit den tuin der
lyriek naar de studeercel der wijsbegeerte te worden gevoerd. En ik weet
dit te billijken. Zij het U en mij dan voldoende, zoo ik uwe aandacht
vestige op slechts één feit: het antieke Israël heeft de wijsbegeerte
niet gekend, zijn contemplatie van Godheid, Ik en Wereld uit zich alleen
in de boekstavingen der spreukmatige wijsheid. Dit, men zal het
gemakkelijk inzien, is voor hetgeen ik bewijzen wilde van het grootste
gewicht. Immers de wijsbegeerte, dat is de zich uit axiomata en in
syllogismen geleidelijk ontwikkelende gedachte, verhoudt zich tot de
spreukmatige wijsheid als de zich vrijwillig beperkende tot de eene
alzijdsche vrijheid verkiezende; als de omzichtige en eenvoudige tot de
sierlievende uitbundigheid; als de droogstemmige en koude abstractie
[p.7] tot het zingende en warme concrete. Wel pogen beide den top van
wijsheids bergketen te bereiken, maar de een begaat den tocht als een
wetenschappelijk geschoolde bergbeklimmer, de rugzak vol instrumenten,
de bijl in de hand, waarmee hij voorzichtig trede na trede hakt; de
ander als een gems, huppelend over de rotsblokken, springend over de
afgronden; de een in zijn moeilijk voortschrijden vol van het
bewijstzijn, dat de geringste misstap hem in den afgrond kan doen
vallen, de ander dartelend aan den rand der gevaren en heerlijk-blij in
zijn goudbruine oogen en op zijn tartend gewei, de vonken van Gods zon
te mogen vangen, als de ander zich beklaagt, dat die verblinding hem
hindert en zijn gletschertreden glibberig maakt.--Nóg beteekenisvoller
dan dit lijkt mij het feit, dat ook in den na-exilischen tijd het
Joodsch genie geen oorspronkelijke wijsbegeerte kon produceeren. Schalke
luim van het lot: het volk, dat Athena vol-wassen en krijgswaardig
toegerust uit het hoofd van zijn hoogsten god zag treden--welk een
vleiend symbool voor de spreukmatige wijsheid, welk een negatie van de
zich geleidelijk-ontwikkelende wijsgeerige gedachte!--heeft aan het
volk der Spreuken de wijsbegeerte geleerd! Op de Grieksche
philosophie rust de Joodsche.--Als nu, wat ik heb gezegd, de waarheid
omtrent deze dingen is--en zij is het--; als ook de meer moderne
Hebreeuwsche en Jargon-dichtkunst[6] de juistheid daarvan komt
bevestigen; indien wij derhalve gerechtigd zijn te concludeeren, dat de
Westersche lyricus, die gene uitbundigheid, dat rijke metaforisch
vermogen en die ziels-muzikale stem mist, daardoor alleen toont geen
zeer groot dichter te zijn,[7] maar dat de Joodsche zanger, wien ze
ontbreken, daardoor [p.8] tevens blijk geeft diepst-psychisch van eigen
ras te zijn vervreemd--hoezeer is het dan niet te betreuren, dat de
eerste Joodsche dichter, die in Nederland zijn kunst aan zijn ras wijdt,
helaas grootendeels deze eigenschappen ontbeert, helaas dus een zoo
ón-Oostersche, een zoo ón-Joodsche kunstenaars-psyche vertoont.
Oostersche uitbundigheid? Zij is hem vreemd, ja, wij mogen wel zeggen,
dat hij haar gering schat, hij is een eenvoudige, wien wij soms niet
dan euphemistisch aldus mogen noemen en voor wien dan de naam schamele,
naar onze meening, beter passen zou. Rijkdom aan beelden, aan metaforen?
Niet één herinner ik mij uit zijn bundel, dat wil dus zeggen: zéker
heeft niet één mij verrukt. Dit vermogen, niet slechts, zooals ik reeds
zei, door alle Oostersche volken bezeten, maar door de allergrootste
dichters van àlle tijden en àlle landen met zooveel liefde als een van
hun hoogste krachten gekweekt--men leze en her-leze bijv. Shelley's
meening daarover én die van Lord Bacon, d.t.p. door hem
aangehaald[8]--hij bezit het niet. Zielsmuziek, dat hooger-melodieuse?
Ja, sòms in zijn allerbeste oogenblikken, maar ach, maar ach, hoeveel
verzen zijn er ook niet van een verbrokkeld en knoeierig metrum, verzen
door een hortend en stootend rhythme tot rijmklankige prozabrokjes
versplinterd. Stel dezen eersten Zionistischen dichter naast den
niet-Zionistischen Querido en nog niet eens naast den schrijver,van
Saul en David, maar naast dien van den Hartjesdag in De Jordaan, en
vraag u af bij wien 't meest de essentieel-Oostersche, de Joodsche
qualiteiten blijken. Stel hem naast Heyermans.... Stel hem naast
Goudsmit en nog niet eens naast dien van het innige Joodsche werk, maar
naast, bijvoorbeeld, den schrijver eener lyrische critiek op Mevr.
Holst's Opstandelingen en vraag u hetzelfde af.... Vergelijk hem met
Canter ... En gij zult gevoelen: of deze vier het wìllen zijn of niet,
naar hun hoogste en naar hun lagere psyche, in hun deugden en hun
gebreken, zijn zij Joden,[9] [p.9] en of de Haan het ook met zijn
heele hart en ziel wìl zijn, hij blééf naar zijn hoogste psyche, slechts
een naar het Joodschap verlangende. Te betreuren noemde ik dit, niet
alleen om hemzelf--al ware 't alleen om hem, het zou reden genoeg zijn,
want al het andere reeds genoemde daargelaten, welk een tragische
tweespalt is er hier niet tusschen de lagere, Joodsche, en de hoogere,
de scheppende, niet-Joodsche individualiteit--; ook niet slechts om
zijne Nederlandsche rasgenooten, want ten slotte, wat dezen betreft: een
ras of rasgroep krijgt ook den dichter, dien het verdient--; maar vooral
om het niet-Joodsche Holland. Want ware ik een Arisch instede van een
Semitisch Nederlander, ik zou voorzeker eens het volgende hebben gezegd:
"Joodsch-Hollandsche kunstenaars, mìjn ras, begrijpt het wel, maakt geen
aanspraak op de dankbaarheid van het uwe; het huisbakken grofheidje van
dat gij mijn gast en ik uw gastheer zou zijn, ik dènk er niet aan, het
te herhalen. Uw volk hier te lande, zich uitend door uwe grootsten, een
Israëls, een Heyermans en een Querido, het heeft met daden getoond, den
grond en de hemelen van Holland, zijn volk en zijn zee lief te hebben
met zùlk een liefde als men niet voor het huis eens liefsten gastheers
voelt, maar slechts voor eigen erf. Zoo erken ik, mijn land is uw erf
gelijk 't het mijne is. Maar toch, schoon het mij niet past, hierover
uit te weiden, deze ééne maal zij 't gedaan ... aarzelend ... om uwent-
en mijnszelfs wil: had dit alles ook niet anders kunnen zijn? Waren onze
vaders hier niet eeuwen vóór de uwe? Overvleugelt ons tal niet met
millioenen het uwe? En nochtans ... als eens uw meest-grootsche verleden
U onweerstaanbaar zal roepen en ge weer in 't aloude Kena'an wonen zult,
zal dan uw ras één land van al de landen, waarin het de eeuwen door
heeft gewoond, zoo zonder eenige bitterheid [p.10] kunnen gedenken als
het mijne? Zoo weet ik: uw genegenheid zal ons eeuwig zijn. Welnu, zorg
gij dan, dat ook onze lievende heugenis aan U een eeuwige zij. Hoe? Door
U-zelf, een kind van uw ras te wezen. Als gij dan zult zijn
heengetrokken en mijn Volk zal, in de toekomende eeuwen, op Holland's
hooge dagen, de juweelschrijnen openen van zijn taal, dan zullen geburen
en vrienden vragen: "Wie schonk u deze vreemde sieraden, die toch
voorzeker exotisch zijn, niet-Westersch is ook immers in vele de
mengeling van verheven schoonheid en gebrekkige leelijkheid. Hadde een
Groote, van welk ras hij zij, ze gemaakt, ik zou de laatste missen, doch
hadde een kleiner Wèsterling ze gewrocht, de eerste ware veel geringer."
En het zal antwoorden met een stillen glimlach: "Deze schonk mij een
vriend, die vele jaren bij mij woonde en vele kunstvaardige zonen had;
eendracht zegende onze verscheidenheid; de een overheerschte den ander
niet; hij achtte mij niet gering om mijn koele soberheid en
zelfbeteugeling, ik hem niet om zijn praallievende onstuimigheid. Zoo
werkten wij, ieder naar eigen diepsten aard, en vulden deze schrijnen,
tot ons beider verlustiging. Hij liet ze mij toen hij ging.... Wanneer
ik ze zie, gedenk ik zijner, mijn vriend, die nu onder de palmen en bij
de olijfbosschen woont".--Evenwel, wanneer gij niet een kind van uw ras
zult willen of kunnen zijn; zoo gij met het groot assimilatie-vermogen;
dat gij ongetwijfeld bezit, ons tot in onze scheppende eigenschappen
zult navolgen en met het ontleende het ras-eigene bedekken, of het
ras-eigene niet eens meer bezitten zult en ons nochtans ietwat als zoon
van uw volk zult schenken, zoodat toch een ieder zal weten, dat dit het
geschenk van een Jood, van een Oosterling was, dan zal mijn volk, als
het in de komende eeuwen zijn vrienden en geburen de kleinoodiën toonen
zal, die gij het liet, voorzeker het smartend antwoord hooren: "Deze
goudsmeedkunst is als de uwe! Uw vriend moge een innige en lieve vriend
zijn geweest, een zwak kunstenaar lijkt hij mij zeker; had hij geen
eigen aard? Had hij den aard zijner vaderen verloren, of hebt ge hem
dien verdrukt, of hebt ge hem dien ontvleid?" [p.11] Dan zal mijn volk
zich schamen om U èn zijn onverdienden smaad en het zal pogen, U niet
meer te gedenken. Weet dit en kies dus"....
Zóó zoude ik gesproken hebben indien ik een Ariër ware. Maar gij schudt
't hoofd en lacht en, àch, ik begrijp U: dezen eenen keer, dat ge in des
dichters beoordeelaar zijn rasgenoot wildet hooren, verdiept deze zich
zonderlinger wijze in den wonderen droom, dat hij een Ariër is! En
voorwaar, ge hebt gelijk: dèze uitbundigheid loopt niet slechts de
Hollandsche spuigaten, maar zelfs die van Haifa en Jaffa uit!
* * * * *
II
In alle kunst, ook de hoogste, is de kracht van des scheppers
sentimenten en gedachten de primaire oorzaak van alle
schoonheid--hetzij die kracht zich uite als innigheid, hetzij als
heftigheid of als scherpzinnigheid; zoodra zij een zekeren graad
overstijgt, gevoelen wij hare aanwezigheid als die eener aesthetische
waarde--doch in de lagere kunst is zij de eenige daarvan, daar wordt
zij namelijk vaak een ijverzuchtige godheid die, den tempel der taal met
haar aanwezen vullend, geen ander god naast zich duldt, en dàn:
verhindert zij het verschijnen der hóógste schoonheid daarin. Ik zal
later in dit opstel aantoonen, ten eerste, dat deze scherpe
scheidingslijn tusschen hoogere en lagere kunst in waarheid bestaat en
waaruit zij blijkt; ten tweede, dat de productie van onzen dichter tot
heden grootendeels tot de laatste behoort; maar zoolang ik dat niet
zal hebben gedaan, gelieve de lezer toch wel in 't geheugen te houden,
dat dit mijn meening is, een meening, waarmede de lof dien ik zoo
gelukkig ben dezen kunstenaar te kunnen brengen, nìet in strijd is. Nu
is het wel is waar een feit, dat blijkens diens vroegere, mij bekende
werken, Pathologieën en Libertijnsche Verzen, het zuiver-individueel
sentiment van onzen auteur geen bijzonder hooge mate van kracht bezat en
ofschoon in het eerstgenoemde werk zijn denken die wel [p.12]
bezit--zich uitend in een vaak scherpzinnige redeneerkunst--wordt het
ons toch spoedig duidelijk, dat met de aan van Deyssel's Adriaan
ontleende stijlvormen van dit werk, ook een groot deel van de
genereerende kracht-zelve van dien Meester werd geborgd--een zeer
frequent verschijnsel overigens, in elk geval dat een kleiner kunstenaar
door de aan hem verwante psyche van een grooteren wordt verrukt
--terwijl de Libertijnsche Verzen wel aangenaam-en-curieus-om-te-lezen
maar vlak van een wel wezenlijk doch ònkrachtig en òndiep sentiment
blijken; zoodat, ware in dit alles geen verbetering ingetreden, zelfs
die uitsluitend door de kracht der sentimenten voortgebrachte
schoonheid, ook in dezen bundel niet al te overvloedig zou zijn aanwezig
geweest. Maar die heilzame verandering trad in, want anders en oneindig
beter werd het met den dichter èn prozaïst gesteld, toen hij zich aan de
bron der gemeenschap mocht laven, en zoowel door het wee der verdrukten
en ellendigen ontroerd, als zich bewust werd van de onverbrekelijke
saamhoorigheid met het ras waaruit hij was voortgekomen. Hierdoor rees
zijn sentiment in kracht en macht ver boven de zuiver-individualistische
stemmingssentimentjes van het meerendeel onzer hedendaagsche, kleinere
dichters uit. Want een stemmingssentiment--tot het bezit van een
fundamenteel-individueel sentiment brengen in dezen tijd de
kleineren het zelden of nooit--dat is maar een geurtje van één knopje
aan den menschboom, het ontstaat in den boom, straks bloeit en geurt er
een tweede, aanstonds weer een derde. Telkens als er een is uitgebloeid
en verwelkt, blijft de boom armer achter ... maar de
gemeenschapssentimenten, dàt zijn de fundamenteele, die ook de kleinere
in dezen tijd bezitten kan, zij ontstaan niet in den boom maar in de
aarde, waarin hij wortelt, zij stijgen in hem op en zich vermengend met
zijn wezen versterken zij dit blijvend. Hoe zou het verbloeien van
duizend zijner bloemen hem kunnen verarmen?... Hij drinkt en voedt zich
uit een onmetelijkheid. Geen andere omstandigheid dan deze is de oorzaak
van de zich telkens weer openbarende verjonging der socialistische
dichters in ons land, een Gorter, een Henriette Roland Holst, een [p.13]
Adama van Scheltema, al bewijst dit--ik geef het onmiddellijk toe
--niets voor het lot der kleineren, want het werk dezer drie behoort
nagenoeg geheel en al tot wat ik de hoogere lyriek heb genoemd.[10] En
voorzeker: de opzuigingskracht der wortels en of zij zoo trouw de
moederaarde omklemmen, dat niet elk windstootje uit den hoek van lust of
onlust hen ontwortelen kan--dat zijn ook factoren, waarmede men rekenen
moet. Maar overigens, dit zijn dingen, waarover de criticus der toekomst
spreken mag,--laat mij maar tevreden wezen met te boekstaven dat nu
althans onze dichter best zelf nog weet, wat de oorzaak is zijner
versterking en verrijking:
Ik dwaalde graag door ijdel schoon bekoord,
IJdel mijn lied tot dat mijn hart verstond
Dat ik Dichter van mijn trotsch volk moet zijn.
En het is dan ook niets dan weer een andere vorm van het
gemeenschapssentiment, dat zijn proza van In Russische Gevangenissen
zoover als de hemel boven de aarde boven zijn vroeger proza heeft
verheven. Het is mijn taak niet over dien arbeid te spreken. Slechts dit
eene: om dat kleine werkje vooral heb ik den schrijver liefgekregen. Al
hadde hij niets anders waardevols geschreven, dàt zou zijn naam voor
vergetelheid bewaren. In eere en liefde zal ieder hem er om gedenken,
den moedige, inzichtige en goede. Zijn Hooger-Ik heeft voor immer daarin
de hand naar hem-zelf ook uitgestrekt; zoo hij steun mocht behoeven, hij
kan háár grijpen. En als zijn leven ook verder moet schrijden door de
dorten van leed en berouw--zijn Mozes sloeg ook voor hem op de steenrots
der barbaarschheid, hij drinke het zuivere water....--Is dus, zoo goed
als in dat werk, het gemeenschapsgevoel ook de oorzaak dat Het Joodsche
Lied hoogst waardevolle arbeid werd, deze omstandigheid had tevens tot
gevolg, dat [p.14] waar, zooals ik reeds heb gezegd, des dichters lagere
persoonlijkheid wel, maar zijn hoogere en scheppende niet het Jood-zijn
hervond, diè verzen voller van kracht en dus schooner moesten worden,
welke de meer concrete gevoelens der lagere persoonlijkheid
vertolken--zooals de herinneringen der jeugdjaren--dan gene, welke de
meer abstracte en meer zuiver-ideëele verwoorden, die eerder tot de
sfeer der hoogere persoonlijkheid behooren, zooals de nationale
toekomsthoop en onpersoonlijke historieele herinnering ze vormen. Op
de schoonheid der eerste wees ik reeds vroeger en waar ik dit nu toch
niet beter zou kunnen zeggen, mogen mijne woorden van toen hier worden
herhaald: "Zijn Joodsche Liederen, in De Gids van 1910 verschenen,
zijn van een zeldzame voortreffelijkheid. Het zijn juweeltjes van
stemming en zich-in-liefde-herinneren. Het zijn
verzen-met-geloken-oogen, in een diep-innerlijken droom verzonken en er
zich niet van bewust dat zij hun droom uitspreken, en gehoord worden
buiten zich." Maar ook wees ik toen reeds aan wat ik van minder gehalte
vond: "Het aan Het Joodsche Nationaalfonds gewijde gedicht in De
Beweging van deze maand[11] lijkt mij niet zoo uitmuntend. Het is dunkt
mij te onvrij van min of meer cerebrale, bedàchte, alledaagsche motieven
van nationalen trots en Zionistische toekomsthoop, die niet in de
dichterlijke conceptie en uiting verbijzonderd en verindividualiseerd
zijn." Deze meeningen zijn door het lezen van des dichters geheele
Joodsche werk slechts versterkt. Maar mede heb ik daardoor het klaarder
inzicht in de oorzaak van het verschil tusschen beide soorten van verzen
verkregen, zooals ik dit hierboven heb uitgezegd. Over de aanwezigheid
van dat verschil oordeele de lezer-zelf, al moet ik mij te dezer
plaatse, waar vele dezer gedichten verschenen, van veel citeeren, zooals
van zelf spreekt, onthouden. Een paar schoonheden dus slechts uit de
zeer vele en innige dezer persoonlijke-herinneringsverzen.
(Het einde van Groote Verzoendag):
[p.15]
Avond. Met koortsig, huivrend hoofd omhuld.
Bad ieder man zijn eigen doodsgebed
Stervensbereid. Wie hoort de vale tred
Des doods komend om onvergeven schuld?
Maar neen. Wij allen onthulden het hoofd
Zagen elkanders moede en verblijde oogen.
God heeft ons uit den Dood in 't Licht getogen,
In laatste dank worde zijn Naam geloofd.
Naar ons licht huis. De onvaste voeten tasten
Wankel in 't gaan. Vader en ik stilzwijgend,
Met hart, dat snelt en bitteren mond hijgend
Maar zielsverrukt door bidden en door vasten.[12]
(Uit Na de Paschen, II:)
En elk jaar heugt schooner U de pracht der verleden jaren,
Toen ik, jongste, mijn vragen deed,
En hoorde vader ons den oud gewijden zin verklaren
Van Drank en bittre beet.
Hij sneed het kroonkruid, wij proefden wortel en blaadren bitter
Maar aten snel van 't vruchtenzoet
En dronken teedren wijn en staarden zalig in 't geschitter
Van 't licht op feestlijk goed.[13]
En nu van de tweede soort een stukje (uit Verstrooiing):
Wij waren herders. En wij werden slaven
Van een trotsch koning in het wreede Egypte.
Pyramiden bouwden wij, sfinxen, krypten
Doodensteden met hijgend, hongrend draven.
Maar toen: met tien Wondren togen wij uit,
God lei de zee voor onze voeten droog.
En dreef 't snel water der Jordaan omhoog.
Een land vol melk en honing werd ons buit.
[p.16]
Voor veldslaven hadden wij honderd volken.
In steden en dorpen woonden wij rijk.
Rustig heerschend. Ons aantal was gelijk
Aan 't zand der zee en 't water van de wolken.
Maar met de weelde kwam het ijdel dwalen
Langs wegen, die Mozes niet heeft gekend,
Gods Gezicht donkerde, toornend gewend
Liet hij stormen van doodend onheil dalen.
Wel, het spijt mij, maar ik kan van zoo iets niet anders zeggen, dan dat
ik het een heel gebrekkig en gewrongen proza vind, dat vermoedelijk zoo
gebrekkig en verwrongen werd, omdat het rijmen moest en een vers wilde
zijn.... En is het tot hiertoe van historische herinnering vervuld,
nadat deze zich nog in een tweetal strophen van gelijke onwaarde als de
voorgaande heeft vermeid, wendt het gedicht zich naar de toekomst,
spreekt het de nationale hoop uit:
Zullen wij keeren? Vriend, wat is 't verlangen,
Naar 't Vaderland, dat ik in uw hart weet,
In mijn hart voel, geen enklen dag vergeet,
Dat onbedwingbaar zingt in mijne zangen?
Zullen wij keeren? Worden wij landbouwers
Op 't eigen veld, van dit wreed zwerven wij?
Slaafsheid draagt zwaar. Maar altijd blijven wij
Op nieuwe Toekomst de vaste vertrouwers.
Hiermede is het gedicht afgeloopen. Prachtig hoor: dat doet me goed aan
mijn Joodsch hart, en als dat hart nog traditioneel-geloovig ware, dan
zou het me nòg meer goed doen.... Maar eilieve, waar is nu eigenlijk het
aesthetisch schoon van dit vers en waar zijn de krachtige en diepe
gevoelens, die dit schoon hadden moeten veroorzaken. Zeker, de dichter
zègt, dat "'t verlangen ... onbedwingbaar zingt in (zijne) zangen," maar
maakt het geluid van zijn vers dat ook voor ons tot werkelijkheid?...
Komaan, lezer, neem de proef, neem een goed [p.17] gedicht van welken
grooten of kleinen dichter ge maar verkiest, neem, om 't u gemakkelijk
te maken, de door mij gecursiveerde gedeelten der zooeven geciteerde
jeugd-herinneringsverzen, verander daarin op zoodanige wijze de woorden,
dat ge den groveren zinsinhoud niet verminkt, maar daarentegen van
oorspronkelijk rhythme, van metrum, rijmklank niets laat overblijven,
en--ge zult u over het resultaat van uw vandalisme ontzetten: nagenoeg
alles van wat u verrukte of bekoorde is wèg. Maar neem nu dìt vers, maak
er gewoon fatsoenlijk proza van.... Welnu! wat verloort ge?... Niets. Ge
hàdt niets te verliezen!
Intusschen, haalde ik dit vers aan, ik deed het niet, om daardoor den
lezer een denkbeeld te geven van de algemééne waarde dezer gedichten van
de "tweede soort". Als zoodanig voorgesteld, zou dit niets meer of
minder dan een lasterlijke onjuistheid zijn. Ik wilde alleen zeggen: van
de jeugdherinneringsverzen daalt geen van alle tot dit peil.--Maar
overigens: er zijn zeer zeker geslaagde bij, zooals bijvoorbeeld
Bemoediging met dat telkens terugkeerende door zijn veel-evoqueerend
geluid aandoenlijke "Leitmotif":
Eenmaal zal ons Volk Land en Stad behooren,
Waar David koning is geweest.
en nog zooveel innigs. Maar andermaal: háált hun innigheid bij die in
menig van die heerlijk-schoone Sabbathliederen, bij, ten voorbeeld, dit:
Al jeugd vergaat. Moeder, ik ben verdwaald,
Mijn heete handen tasten in het duister.
Moeder, ik wil weer terug naar den luister,
Die van onzen heiligen Sabbath straalt.
Tenzij--tenzij dat geestelijk-zien der verre toekomstverschieten zich
een enkel maal mag verbinden aan de concrete jeugd-herinneringen en
dááruit beeldende en zingende kracht put, zooals in [p.17] Vreugde der
Wet, dat aanvangt met die als biddend opziende filiale verheerlijking:
De handen van mijn Vader waren teeder
En oud. Hij hief boven 't geheven hoofd
Dat schoon symbool: palmentak rankgeloofd
Met myrtentak, wilgentak en ceder.
Dan dit zacht murmelt als een peins-droomend kind, de oogen zien òp en
vèr, terwijl het droom-gebonden spreekt:
Palmentakken, O Vader, in het Oost
Beven die levend in de lichte zon.
Ten slotte zijn warm gevoel ook over het toekomstvisioen laat gloriën:
Wij zwierven veel. En toch keeren wij weder
Naar 't Heilig Land, waar milde honing vloeit
Uit bonte bloemen. Waar de wijndruif gloeit
En gouden appels rijpen aan den ceder.[14]
Er zijn echter nog groote schoonheden van anderen psychischen oorsprong
in dezen bundel. Zij bevinden zich op die plaatsen, waar de bloeiende en
geurende specifiek-Joodsche jeugdherinneringen doornomrankt,
doorndoorboord worden door het algemeen-menschelijk sentiment van
wroeging om begane zonden. Ik geloof niet, dat één mensch in Holland
zich zoo waarachtig, zoo schaamteloos-waarachtig heeft gegeven--ik bezig
natuurlijk dit woord "schaamteloos" uitsluitend ter kenschetsing der
mate van overgave, zonder daaraan eenige ethische waardebepaling te
verbinden--gelijk deze [p.19] dichter. Bij die hevige wroeging, bij dit
brandend berouw, hoe worden er de ikheidssentimentjes van de meesten
onzer decadenten onwezenlijk en lafjes bij. Hoor dit geluid:
"Dat iedereen, dien 't hongert, hedenavond binnentrede
Neme van 't heilig Feest zijn maat"--
Mijn voet valt doodsvermoeid, o, kon ik keeren tot dien vrede,
Der vromen toeverlaat.
Mij walgt van aardschen wijn en eeuwig blijft voor mij gesloten,
Weelde van het Hemelsch Gezin.
Aanvaard uw heilloos lot, ziel, deel met uw minne genooten
Uw onheilvolle min.
Niet dezen Nacht en niet één Nacht, die volgt van woede of weelde,
Stel als een schuldloos kind uw vraag,
Geen antwoord is voor U, die lichtzinnig uw lot verspeelde.
Dan 't eigen dof geklaag.
Lees ook dat laatste der Sabbathliederen, waar de oude vriend van des
dichters jeugd, de heilige Sabbath-zelve, hem aan het libertijnsch
banket komt manen, tot de idealen en het zuivere leven zijner jonge
jaren weer te keeren. O, mocht ik het citeeren, dit wonder-innige, dit,
schoon ook van diepste smart en martelenden tweestrijd volle, toch
bloeiend-bevallige gedicht.... Doch kan ik er aan denken? Het zou zeker
zes bladzijden van dit maandschrift beslaan!...--Evenwel, ook in deze
soort verzen is een daling te bemerken. Gaat het niet in dit opzicht met
dezen bundel als met het leven der menschen, een ènkele gelukkige
uitgezonderd? De jaren van den aanvang van een leven, zijn dat niet zijn
dichters, en de jaren van den ouderdom zijn die niet zijn rhetorici? Wat
de eerste hebben geprofeteerd, dat preeken de laatste; wat deze
hebben door-leefd, dat door-commentarieeren de andere; ach, hoe
waren deze schóón door kràcht, hoe werden gene léélijk door zwàkte; zij
herhalen en herhalend vergrauwen zij alle de scherpe, schitterende
punten van het "uiterste", waarin [p.20] de schoonheid straalde. Gaat
het niet met de wroegingsverzen in dezen bundel evenzoo? En uit een
zelfde oorzaak. De eerste zijn machtige en heftige, schoone en echte
verzen, de latere naderen bedenkelijk dicht de rhetorica. Die latere
zijn--laat mij exact wezen --vaak slechts ten deele de uiting van het
levend gevoel en ten deele de preekerige, koudere, soms huilerige
herhaling ervan. Het is waar, als ik aldus van die latere spreek, dan
heb ik vooral op het oog een gedicht als dat Aan Leo V. gewijd, een
gedicht van didactische natuur, en didactiek verleidt licht tot den
preektoon. Maar toch--het is ook vol van een verhulde arrogantie--en het
is waarlijk niet het eenige, dat daardoor wordt ontsierd--en dier
aanwezigheid is het beste bewijs, dat het heftige, levende
wroegingsgevoel, zooals dat in de vroegere verzen aanwezig was, en
daar, zooals ook noodwendig is, van zekeren deemoed werd verzeld, hier
niet meer bestond, want: diè wroeging èn arrogantie ... neen, samen gaan
die niet. De preekerige aanmatiging bestaat hierin, dat de dichter, op
grond van het feit, dat hij door het verlaten der Leer tot "zonde" kwam,
een jongeling meent te moeten vermanen, de Leer trouw te blijven opdat
ook hij niet tot zonde vervalle.[15] Wélk een arrogantie is dit en welk
een beschimmeld clericalisme bovendien! Kende onze dichter vrij groote
groepen van het jonge joodsche proletariaat, hoe zou hem zulk een uiting
berouwen.... Die honderden jongelui, met hun aandoenlijk streven naar
ontwikkeling, met hun reinen levenswandel, deze groote kinderen, van wie
het meerendeel geen flauw begrip van Leer of godsdienst heeft. Begrijp
toch Dichter, dat èlk ideaal, mits als zoodanig in waarheid door den
menschengeest gevoeld, hem beveiligt en opheft. Als de tijd één wrak
heeft gemaakt, dan sticht hij een ander. De tijd? Neen de
menschengeest-zelf! Want zooals de levenskiem van den vogel in het ei,
zich vleugels bouwt, zoo bouwt zich de ziel des menschen [p.21] haar
idealen.... Gij, Dichter, die den menschvogel ... een paar vleùgels
... áánpréékt....--Doch genoeg hiervan, liever wijze ik nog op een
andere schoonheid in dezen bundel, de verzen der Demonen. Deze oude
fantasmen heeft de dichter op zeer gelukkige wijze weer bezield, door in
hun evocatie het element van eigen zinnelijkheid te vervlechten. Alleen:
ik heb niet de reden kunnen ontdekken, waarom hij dien ouden demon, dien
armen Ketef Meriri zóó gruwelijk heeft verminkt. Want een horendrager
te zijn, mij dunkt, dat is al erg genoeg, doch een enkele horen te
wezen!...[16]
* * * * *
III
Na nu aldus, naar ik hoop, de plaats en de waarde te hebben aangewezen,
welke dezen verzen mogen worden toegekend op hun eigen plan, dat dus,
enkele gedichten uitgezonderd, dat der lagere poëzie is, zij het mij
vergund de eigenschap te noemen, welke de hoogere lyriek van deze
onderscheidt. Die is dan mijns inziens geen andere, dan dat de hoogere
de kenmerken draagt van te zijn voortgebracht door een ziel, die
triomfantelijk en vrij hare sentimenten en gedachten te boven rijst, de
lagere daarentegen duidelijk doet blijken geboren te [p.22] zijn uit
eene, die in die gedachten en sentimenten bleef bevangen.
De triomfeerende ziel is als een zon, die boven een wolkenduister
landschap dagend, gulden zoomen van schoonheid aan die wolken maakt;
de onvrije ziel een zon, die, door de wolken verwonnen, onmachtig
blijft: het strijden en jagen van hun duistere gestalten, het vagen
hunner schaduwen over boomen en vaarten is de eenige schoonheid, die ge
ziet: de kracht der sentimenten en gedachten, zij laten de opkomst der
al te zwak-stralende niet toe.
De eerste is een Cyrano, die vechtend om zijn leven, met de schoonheid
zijner onbevangenheid, de schoonheid van zijn luchtigen lach, van zijn
tartend en dartel woord, van zijn absolute overheersching, de
toeschouwers tot jubel vervoert. Hij strijdt, ja, doch dàt lijkt maar de
bijzaak, tegelijkertijd echter dicht hij een lied, in woorden
en--bewegingen, één rhythme van oppermachtige triomfantelijkheid
doorstroomt àlles, en dàt, dàt schijnt wel voor dien goddelijken
schoonheidsdorstige de hoofdzaak....--De laatste is een log
zwaardvechter, die druipend van bloed en zweet om zijn leven vecht. Zijn
eenige schoonheid is zijn kracht, de massiviteit van zijn lichaam, van
zijn leden en spieren.
De lagere lyriek, zij wekt ons medegevoel en onze liefde op: wij
lijden en strijden mede met dezen zwaardvechter, wij worden duis-en
bewogen als deze wolken; maar de hoogere--zij alleen overstraalt en
verrukt ons.
* * * * *
Vlei ik mij nu, te hebben doen gevoelen wat het onderscheid is en waar
de grenslijn ligt tusschen de hoogere en lagere dichtkunst, ik wensch
nochtans niet, wat ik heb gezegd in het vage van het bewijslooze betoog
te laten. Zoo kies ik dan, om aan verzen-zelf de bovengenoemde
eigenschap der hoogere lyriek te demonstreeren, één uit Verwey en een
uit Henriette Roland Holst. Met de kleinere zijde van beider
dichterschap toont onze dichter wel eenige verwantschap, en--die
ingetogenheid en eenvoud, waarnaar hij strééft, zijn bij de
laatstgenoemde volmaakt en overtreffen ver de zijne.
[p.23] Verwey's In Memoriam Patris. (Het vers is te lang, om het hier
in zijn geheel te citeeren en ofschoon het ongetwijfeld een ernstige
schennis is, er een deel uit te lichten, mòet dit nu wel. Vergenoege ik
mij dus met het schoone slot.)
Daar zijn bloemen, mijn bloemen van zang:
Zij spreiden een licht om zijn hoofd,
Een schijnsel om lokken en wang,
Dat nooit zal worden gedoofd--
Goeden en grooten begraaft men zoo:
Zij zijn licht in hun sarkophagen,
Met een schijnsel van zangen en klagen
Om het hoofd.
Ziet ge: vooral die door mij gecursiveerde regels vormen zulk een
gulden zoom van schoonheid om den donkeren nevel der herdenking.
Henriette van der Schalk. (Uit: Het Gelukzalig Leven van den Vrome).
Want zijn hart leeft rustig niet onbewogen
verheven boven 't armelijk bestaan
van wie macht'loos te worden aangedaan
voor verwinning aanzien hun onvermogen
harten te voelen gespannen als bogen
onder des levens geweldige aan-
rakingen en hun dorheid een weerstaan
noemen der zon waar zij als kracht op bogen.
Maar 't zijne staat, te midden van de dingen
niet als een rif, waartegen baren breken
maar als een meer, dat berg van vlakte scheidt,
de onstuimige wat'ren die 't binnen-dringen
herrijzen uit die klare en diepe streken
als effene stroomen vol statigheid.
Ziet ge: deze door mij gecursiveerde terzinen, die zijn die gulden zoom
van schoonheid, om het zwaar gewolkte der contemplatieve gedachte.
[p.24] Welnu, ik kan slechts herhalen: zulk metaforisch schoon wordt in
het werk van onzen dichter gemist.
Maar den Cyrano wenscht gij te aanschouwen, den man, die spottend en
dichtend om zijn leven vecht; ge wenscht nu die heel vrije, die zeer
koninklijke ziel te zien, die hare lenigheid en vrijheid nóóit
verliest; die te midden van den strijd, van de diepste vertwijfeling,
van de felste opstandigheid, blijft naar de schoonheid tasten èn:
haar grijpt.... Maar laast ge dan nog immer, in die onvolprezen
vertaling van Boutens, Omar Kayyam's Kwatrijnen niet? Scharten's
opstel bracht mij ertoe, U nog niet? Dàn zaagt ge ook niet den oneindig
dieperen, den grootsten Cyrano, dien wellicht ooit de wereld droeg. Zie
dan weer, éven:
Ik ben een slecht slaaf--: waar is Uw genade?
Mijn hart is nacht--: waar blijft Uw dageraden?
Uw hemel kan ik winnen door mijn dienst:
Dat's loon--: waar zijn Uw gunst en liefdedaden?
Dit is de lenigheid en de triomf van de schoonheid-grijpende ziel te
midden van den hartstocht der opstandigheid....--En dìt, vooral dìt, de
triomf van de lenige en vrije ziel die de schoonheid grijpt te midden
van het vertwijfelen aan den zin en de rechtvaardigheid van het leven:
In donkren hoek van levens tuin verschrompeld,
Door 't eenig-welig onkruid overrompeld,--
O Hart, gelijk een rozeknop beklemd,
En als een tulp in eigen bloed gedompeld!
Nu begrijpt ge 't: dàn slechts kan men zulk een groot dichter, zulk een
schepper van hoogere lyriek zijn, als niets de ziel weerhouden kan,
overal, op de moeizame steilten en verre hoogten der wereld bloemen van
schoonheid te plukken; het gevaar van den tocht, de gepijnde voeten, het
wildkloppende hart, alles een aansporing te meer om te gaan dáárheen,
daar troost, daar loon te vinden. Keert hij van daar terug--de zeldzame
bloemen die hij plukte verhalen heerlijk van zijn vreeselijken tocht....
En daalde hij ten afgrond, "overdekten hem machtige wateren", hij greep
de parel der schoonheid, en liet ze niet los; aanschouwt hij weer de
zon, hij wordt de louteraar en de smeder van haar goud....--
Dat ònze dichter nu, ofschoon hij die lenigheid en die vrijheid niet
kent, ofschoon hij geen triomfeerende maar een bevangen geest is, toch
in zijn beste verzen den zoom van het gebied van zulker hoogere zielen
lyriek heeft mogen betreden, dat heeft hij daaraan te danken, dat dàn
althans één uitgang van zijn kerker openstond, die waarvoor de muzikale
schoonheid den bevrijde wacht: in die beste verzen leeft het schoon
eener zoet-zinnelijke welluidendheid.
* * * * *
Men heeft de meening uitgesproken, dat niet-Joden deze verzen niet
voldoende zouden kunnen waardeeren, omdat zij te subjectief-Joodsch
zouden wezen en dat men althans als Jood moest gebòren zijn, om diep in
hun gevoelssfeer te kunnen doordringen[17]. Dit laatste is op zichzelf
zeer juist, doch het lijkt mij tevens een opmerking, die hier weinig ter
zake doet. De vraag is niet of zekere lezers werkelijk diep in de
gevoelssfeer van een zeker werk kunnen dringen, de vraag is of die
lezers door den dichter in de illusie worden gebracht, dat zij het
doen; of die lezers zóó door des dichters scheppend vermogen in
verrukking worden gebracht, dat zij meenen ook diens gevoelsfeer te
begrijpen. Ik heb vroeger in ditzelfde tijdschrift uiteengezet, dat en
waarom wij niet minder kunnen genieten van een werk welks gevoelssfeer
ons vreemd is, dan van zulk een, waarbij dat niet het geval is;[18] ja,
ik heb aangetoond, dat dit laatste, het medeleven in die gevoelssfeer,
tot zulk een graad kan stijgen, dat het ons juist het aesthetisch
genieten verhindert.[19] Ik vrees dan ook, dat àls de niet-Joodsche
lezer tot het bewustzijn mocht komen van zijn onmacht, deze verzen te
doorvoelen, dit niet zal veroorzaakt worden door zijn niet-Jood-zijn,
maar alleen doordat die verzen hem niet hebben verrukt, hem niet in
die dronkenschap van liefde en bewondering hebben gebracht, waarin hij
wel moest gelooven, dat hij ze doorvoelde en begreep. Want dit konden
dan deze verzen niet, doordat zij maar al te zeer behooren tot wat ik de
lagere lyriek heb genoemd. Ik zal mij natuurlijk wel wachten mijn
vroeger betoog te herhalen. Slechts verwees ik den lezer ernaar, want
ongetwijfeld vult dat vroegere aan wat ik thans ga zeggen. Toen ik
namelijk nu opnieuw nadacht over deze zaken en mij afvroeg, of ik dan
wellicht toch destijds een redeneeringsfout had begaan, toen bood zich
mijn inzicht instede van de ontdekking van een fout, de mogelijkheid om
door een minder abstracte redeneering dan de vroegere, de juistheid
mijner beweringen van eene andere zijde uit te bewijzen. En daarnaar
moge ik hier nog trachten.
Ons geheele actieve zieleleven wordt gevormd door een reeks van
verrichtingen die niet-volledig-begrijpen en niet-volledig-doorvoelen
moeten worden genoemd. Zóó onvolledig, dat het niet-begrepene en
niet-doorvoelde zich meestal tot het begrepene en doorvoelde verhouden
als een onmetelijkheid tot een stip. Doch als datgene, waarmede onze
ziel zich, aldus ten-deele-doorvoelend, bezighoudt, haar door de
majesteit, schoonheid of heerlijkheid zijner verschijning verrukt, dan
worden wij in den waan gebracht, dat we 't volledig begrijpen: wijl
wij ons hebben volgedronken, meenen we: wij hebben dit
leeggedronken. Want wij voelen ons dan zóó verzadigd van geluk, en zóó
rijk en zóó machtig, dat het begrip, hoe in die heerlijkheid iets zou
kunnen zijn, dat òns wezen niet kan bevatten, niet tot ons doordringt.
En in deze illusie brengen ons zoowel de groote machten van het leven
als die der kunst.
[p.27] Het leven: als ons met de dronkenschap en de verrukking van haar
aanwezen de liefde vervult, zoo meenen wij haar diepte en hoogte te
kennen. Wij denken en spreken van haar in vervoering en als uit diepste
weten. Zelfs later is de bloote herinnering aan ons machtig gevoel nog
in staat, ons bijwijlen te doen denken, dat wij haar volledig kenden.
Indien ten tijde onzer vervoering iemand tot ons zou zeggen: "Gij kent
de liefde niet, maar slechts een onnoemelijk klein deeltje harer
onmetelijkheid," wij heetten hem een dwaas, en nochtans--vraag uw rede,
wiè hier de dwaas is.... Dat zéér kleine schelpje van onze ziel, door
die oceaan op het strand geworpen, van zóó weinige harer druppelen
volgestort, of weer ledig van haar, weggevoerd of in haar nabijheid
gelaten, houdt het niet op te ruischen van haar.
En de kunst? Vraag uw rede, of wij kleinen, de liefde en den haat, het
denken en voelen van een Salomo en een Shelley, een Kayyam en een Dante
kunnen dóór-voelen. Zij zegt u duizendmaal: neen, dat kunt gij niet.
Niettemin, zoo wij hen lezen, zoo wij ons begeven in hun invloedsfeer,
dan vervult ons immer weer dezelfde illusie, dezelfde dronkenschap, en
onze van liefde en verrukking verblinde ziel stamelt: O, Heerlijken, ik
zou u niet begrijpen, liever stièrf ik, hier in mijn hàrt voel ik het,
dat ik u niet slechts begrijp, maar dat ik één met U ben, ge hebt mij
tot U genomen, ik leef met U en niet zonder U, ik kan u nooit meer
verlaten....--En nochtans?...
Als de Miltoniaansche Adam onder de heerlijkheid des Eeuwigen in den
visioenen-vollen sluimer der verrukt-overweldigden zinkt ... wat kàn hij
dan meer hebben gedaan dan zich voldrinken uit die oneindige
Heerlijkheid?.... O, Dichter, wij staan vóór u, wij Ariërs, wij
Semieten, wij alle geslachten der aarde, wij allen zien tot u op, wij
wachten uw woord verlàngende. Maar zie, als ge nu spreken zult buiten de
heerlijkheid der Grooten en slechts met de taal van een diep-gevoelig
mensch, zoo zullen slechts de Ariërs u toejuichen en liefhebben, als gij
over de gevoelens en voorstellingen der Ariërs spreekt, en de Semieten
als gij over dier gevoelens spreekt, en elk ras en elk volk slechts
wanneer uwe zegging zich aan hun zielesfeer verbindt. [p.28] En uw loon
zal gering zijn en uw zege onvolledig en die van een sterveling.
Evenwel, wanneer ge, 'schoon slechts sprekend gelijk ieder mensch, ook
de grootste, uit uw eigen zeer beperkte sfeer, toch in de heerlijkheid
en schoonheid der Grooten tot ons zult spreken, dän zullen wij noch
Ariërs, noch Semieten, maar van liefde vervoerden, van verrukking
dronkenen zijn; wij zullen niet dan verheerlijkte menschen, ùw
overwinning onvergankelijk en volledig wezen ... zich hernieuwend van
eeuw tot eeuw.... Dichter wees gij onze Heer, wij zullen uw Adam
zijn....--
* * * * *
Eindig ik nu en zie ik rond mij in den kring van gevoelens en gedachten,
die na lezing van dit dichtwerk uit mij ontstonden, dan zie ik menig
gelaat, vragend mij aanziend: "Laat ge mij achter, vergeet gij mij?" En
ik antwoord berustend: Vergeten zal ik u niet, maar u achterlaten, dat
zal wel moeten. Want de literaire criticus als zoodanig valt nimmer den
gedachten- en gevoelsinhoud van den beoordeelde aan, en gij, gedachten
die ik achterlaat, zijt sociologische en wijsgeerige strijders.--Maar al
waart gij geen strijders ... dan nog....--Zoo zag ik, dat de
proletarische toon in deze dichtkunst ontbrak en ik vond er de
sociologische verklaring van, maar wat moet daar de literaire criticus
mee aanvangen? Zoo vond ik tot mijn leedwezen een--soms zelfs
opgeschroefd!--chauvinisme in dezen bundel, een chauvinisme dat ik den
grootsten vijand van gezond nationaliteitsgevoel acht--wat echter heeft
de literaire criticus daar mee van doen? Neen voorzeker, hij niets. Maar
ik--zeer veel! En zoo ik dit alles nu achterlaat, vergeten zal ik het
niet maar het wellicht te zijner tijd uiting geven.--Heb ik veel goeds
maar ook veel kwaads van deze verzen gezegd, het beste bewaarde ik voor
het laatst: Het zal den dichter tot blijvende eere strekken, dat hij de
eerste was, die op grootendeels zuivere en innige wijze in kunst het
verlangen heeft verwerkelijkt, dat in de keur van Holland's Jodendom
leeft, het verlangen: van Joodsche Nederlanders tot Nederlandsche Joden
nu reeds, tot Palestinensische later te worden. Dichter, [p.29] uw kunst
is nu nog slechts de smalle brug over een poel van waan en
bourgeois-satisfaitschap, waarover een kleine groep van Joodsche
idealisten naar de eenheid met hun bewogen-levende, hun
smartelijk-lijdende broeders in andere landen trekt. Moge de Bouwmeester
haar versterken tot eene, zoo breed en monumentaal, dat eens de
tienduizenden van het Hollandsch-Joodsche proletariaat er over zullen
schrijden, blijde en trotsch, de gelederen der Po'alé-Tsion tegemoet.