KONING RICHARD. Nu, onze monst’ring wijst het drievoud uit;
En ’s konings naam is ons een sterke toren,
Die hun van de and’re zij geheel ontbreekt.—
Vlug, slaat mijn tent op!—Komt nu, eed’le heeren,
Zien wij, hoe ’t veld ons voordeel brengen kan.—
Roept een’ge welervaren krijgers saam;
Een deeg’lijk plan beraamd en ras gehandeld,
Want morgen, heeren, wordt een heete dag.
(Allen af.)
(Aan de andere zijde van het veld komen op: Richmond, Sir William
Brandon, Oxford en andere Krijgsoversten. Eenige soldaten slaan
Richmond’s tent op.)
RICHMOND. De moede zon ging schuil met gouden gloed;
En naar het lichte spoor zijns vlammenwagens
Voorspelt hij morgen ons een schoonen dag.—
Draag gij, Sir William Brandon, mijn banier.—
Bezorg mij in mijn tent papier en inkt;
Ik wil het plan ontwerpen van den slag,
Elke’ overste zijn plaats en taak doen kennen,
En onze kleine macht naar eisch verdeelen.—
Mylord van Oxford,—gij, Sir William Brandon,—
En gij, Sir Walter Herbert, blijft bij mij.
De graaf van Pembroke leidt zijn eigen troep;
Breng, goede hopman Blunt, mijn groet hem over
En vraag den graaf, dat hij mij in mijn tent
Omstreeks het tweede morgenuur bezoek’.—
En, waarde hopman, doe nog dit voor mij:
Gij weet toch, waar lord Stanley is gelegerd?
BLUNT. Heb ik mij in zijn vanen niet vergist,—
En zeker weet ik, dat ik dit niet deed,—
Dan ligt zijn troep ten minste een halve mijl
Ten zuiden van de hoofdmacht van den koning.
RICHMOND. Is ’t niet te veel gewaagd, mijn goede Blunt, 39
Spoor dan een middel op om hem te spreken;
En breng hem dezen brief van hoog belang.
BLUNT. Mijn woord en leven, heer, ik onderneem het.—
En nu, verleene u God een goede nacht!
RICHMOND. Goed’ nacht, mijn goede Blunt. En, heeren, komt;
Thans eischt de zaak van morgen onze zorg;
Gaat in mijn tent; de dauw is kil en koud.
(Zij treden de tent binnen.)
(Koning Richard komt op, met Norfolk, Ratcliff en Catesby, naar zijn
tent gaande.)
KONING RICHARD. Hoe laat is ’t?
CATESBY. ’t Is negen, heer, de tijd van ’t avondmaal.
KONING RICHARD. Ik zal niets eten.—Geef papier en inkt.—
Spreek, past mijn stormhoed beter dan hij deed,
En is mijn rusting in mijn tent gebracht?
CATESBY. Ja, heer en vorst; en alles ligt gereed.
KONING RICHARD. Mijn goede Norfolk, spoed u naar uw post;
Houd strenge wacht, en kies vertrouwde schildwachts.
NORFOLK. Ik ga, mijn vorst.
KONING RICHARD. Wees met den leeuwrik wakker, beste Norfolk.
NORFOLK. Ik sta u borg, mijn vorst.
(Norfolk af.)
KONING RICHARD. Catesby!
CATESBY. Mijn vorst!
KONING RICHARD. Zend een heraut naar Stanley’s troep;
Hij zorge voor zonsopgang met zijn macht
Naar hier te komen, of zijn zoon, zijn George,
Zinkt in de diepe krocht der eeuw’ge nacht.—
(Catesby af.)
Lang mij een roemer wijns.—Geef mij een tijdkaars.—
En zadel schimmel Surrey morgen vroeg.
Zorg, dat mijn lansen sterk en niet te zwaar zijn.—
Ratcliff!
RATCLIFF. Mijn vorst?
KONING RICHARD. Hebt gij deze’ avond
Den wreev’len graaf Northumberland gezien?
RATCLIFF. Hij is met Thomas, graaf van Surrey, straks,
Omstreeks de scheem’ring ’t leger rondgegaan
Van troep tot troep, en sprak den krijgers moed in.
KONING RICHARD. Zoo; dat is goed.—Geef mij een roemer wijns.—
Ik heb ditmaal den opgewekten geest,
Den blijden moed niet, dien ik placht te hebben.—
Goed, zet dat neer.—Er is papier en inkt?