Een vlakte bij Tamworth.
Met trommen en vaandels komen op: Richmond, Oxford, Sir James Blunt,
Sir Walter Herbert, en Anderen, met troepen, op marsch.
RICHMOND. Gij wapenbroeders en getrouwe vrienden,
Gedrukt, gekneusd door ’t juk der tyrannie,
Zoo verre zijn we tot in ’t hart des lands
Nu doorgedrongen zonder wederstand;
En hier zendt onze vader Stanley ons
Een troostrijk schrijven, dat den moed verhoogt.
De booze, bloedige en roofgierige ever,
Die uwe velden omwroet en uw wijngaards,
Uw bloed als spoeling slurpt en zich een trog
Van uw ontweide rompen uitholt, heeft
Zijn leger nu in ’t midden van dit eiland,
Niet verre, naar ons werd gemeld, van Leicester;
Van Tamworth is het slechts een dagmarsch af.
In Gods naam, op, vol moed, manhafte vrienden,
Opdat we als oogst een hechten vrede winnen
Door ’t bloed, in éénen scherpen strijd gewaagd!
OXFORD. Elk man is duizend man, daar ieder weet, 17
Dat hij dien schurk, die waadde in bloed, bestrijdt.
HERBERT. Geen twijfel, of zijn vrienden loopen over.
BLUNT. Hij heeft geen vrienden, dan die ’t zijn uit vrees
En hem in de’ ergsten nood verlaten zullen.
RICHMOND. Ten onzen bate. Komt, vooruit, met God!
De hoop is snel; haar vlucht op zwaluwschachten
Geeft vorsten goden-, slaven vorstenkrachten.
(Allen af.)