Salisbury. Een plein.
Een Sheriff en een Wacht komen op, met Buckingham, die ter
gerechtsplaats geleid wordt.
BUCKINGHAM. Ontzegt mij koning Richard een gesprek?
SHERIFF. Ja, beste heer; dus schik u in uw lot.
BUCKINGHAM. Hastings, en Edwards kind’ren, Rivers, Grey,
Gij, heil’ge Hendrik, met uw schoonen Edward,
Vaughan, en allen, die als offers vielt
Van snoode, heim’lijke ongerechtigheid,
Zoo uw verstoorde, onvergenoegde zielen,
Hier blikken door de wolken van dit uur,
Zoo neemt thans wraak en spot om mijn verderf!—
’t Is heden Allerzielendag, niet waar?
SHERIFF. Ja, heer.
BUCKINGHAM. Alzielendag is dan mijns lijfs gerichtsdag. 12
Dien dag wenschte ik in koning Edwards tijd
Mij op mijn hoofd, indien ik voor zijn kind’ren
Of zijner gade magen trouwloos bleek;
Die dag is ’t, dien ik inriep voor mijn val
Door diens mans ontrouw, dien ik ’t meest vertrouwde.
Deze Allerzielendag is ’t eind en perk
Der euveldaden voor mijn bange ziel.
De hooge Alziende, dien ik spelend tartte,
Brengt mij op ’t hoofd mijn huichelbede thuis,
En geeft in ernst, wat ik in scherts hem smeekte.
Zoo keert hij van der boozen zwaard de spits,
Dat die des meesters eigen borst doorboor’!
Zoo treft nu Margaretha’s vloek mijn hoofd:
„Rijt hij,” zoo sprak ze, „uw hart door wee vaneen,
„Herdenk dan: Margaretha was profetisch!”—
Komt, leidt mij naar het schandblok, mannen; ’t loon
Voor onrecht-doen zij onrecht, hoon voor hoon.
(Buckingham en de Overigen af.)