Aldaar.
Tyrrel komt op.
TYRREL. Het bloedig stuk, de gruwel is gepleegd,
De zwartste daad van deerniswaarden moord,
Waar ooit dit land de schuld van op zich laadde.
Dighton en Forrest, die ik had gehuurd
Voor dit meedoogenlooze slachterswerk,—
Ofschoon aartsschurken, honden heet naar bloed,
Zij smolten weg in teederheid en meêlij,
Als kind’ren, bij ’t verhaal huns droeven doods.
„O, zoo,” sprak Dighton, „lag het lieve paar,”
„Zoo, zoo,” sprak Forrest, „beide’ elkaâr omstreng’lend
Met hunne schuldelooze albasten armen,
De lippen als vier rozen ééner plant,
Die in haar zomerpracht elkander kusten;
’t Gebedenboek lag bij hen, op hun peluw;
Wat,” zeide Forrest, „schier mijn ziel bekeerde,
Maar, o, de duivel!”—plots’ling zweeg de schurk,
En Dighton sprak toen verder:—„Wij versmoorden
Het liefste meesterwerk, dat ooit natuur
Sinds de’ eersten dag der schepping had gevormd.”
Voort ijlden beiden vol gewetenswroeging;
Zij konden niet meer spreken; ’k liet hen gaan,
Om zelf den moord’naar-koning ’t nieuws te melden.
(Koning Richard komt op.)
Daar komt hij.—Alle heil, mijn heer en koning!
KONING RICHARD. Vriend Tyrrel, maakt uw tijding mij gelukkig?
TYRREL. Wanneer ’t gedaan zijn van ’t gegeven werk
U, heer, gelukkig maakt, wees dan gelukkig;
Het is gedaan.
KONING RICHARD. Gij zaagt toch zelf hen dood?
TYRREL. Ja, heer.
KONING RICHARD. En ook begraven, beste Tyrrel?
TYRREL. De kapelaan des Towers heeft hen begraven,
En ’k weet, moet ik erkennen, zelf niet waar.
KONING RICHARD. Kom tot mij, Tyrrel; spoedig, in de voornacht;
Dan moet gij mij vertellen, hoe zij stierven.
Bedenk ook, hoe ik u beloonen kan,
En wees weldra bezitter van uw wensch.
Vaarwel intusschen!
TYRREL. Need’rig neem ik afscheid.
(Tyrrel af.)
KONING RICHARD. Den zoon van Clarence heb ik opgekooid;
Zijn dochter uitgetrouwd in lagen stand; 37
In Abrams schoot zijn Edwards zoons ter rust;
En Anna zeî der wereld goede nacht.
Nu, daar ik weet, dat de Bretagner, Richmond,
Mijn jonge nicht Elizabeth wil eig’nen,
En door dien echtknoop vlamoogt op de kroon,
Ga ik tot haar, als flink, begeerlijk vrijer.
(Catesby komt op.)