KONING RICHARD. Nu ja, hoe laat is ’t?
BUCKINGHAM. Ik waag het, uwe hoogheid te herinn’ren
Aan wat mij werd beloofd.
KONING RICHARD. Nu goed; maar zeg, hoe laat?
BUCKINGHAM. Op slag van tienen.
KONING RICHARD. Goed, laat het slaan.
BUCKINGHAM. Waarom dit: „Laat het slaan?”
KONING RICHARD. Wijl tusschen mijn gedachten en uw beed’len
Uw slag steeds komt, als van een klokkeventje,
Ik ben in geen goedgeefsche luim vandaag.
BUCKINGHAM. Zoo? Dan—verklaar mij, of gij wilt, of niet.
KONING RICHARD. Gij hindert mij, ik heb geen milde bui.
(Koning Richard en Gevolg af.)
BUCKINGHAM. Zoo, staat het zoo? betaalt hij al mijn diensten
Met zulk een hoon? maakte ik hem daarvoor koning?
Ik spiegel mij aan Hastings; en ik snel,
Reeds veeg, naar Brecknock, eer de bijl mij vell’.
(Buckingham af.)